W.W. van Lennep, ‘Aan den dinsdagschen vriendenkring bij Professor J.A. Alberdingk Thijm’. In: Hyperion, uit het Engelsch van John Keats, metrisch in het Nederlandsch overgebracht door Mr. W.W. van Lennep, Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1927. 25-28. Aansluitend een fragment uit de aanteekeningen bij de eerste zang. 59-60. [Oorspronkelijk in eigen beheer uitgegeven in 1879.]
In het veranderende klimaat van de Nederlandse letteren in het laatste kwart van de negentiende eeuw was ook een rol weggelegd voor de literaire salon die om de week georganiseerd werd ten huize van J.A. Alberdingk Thijm (1820-1889). Regelmatig bezoeker daar was de zeer jonge Jacques Perk. Ook regelmatig te gast was de jurist Willem Warnar van Lennep (1833-1903), die daar inspiratie vond voor zijn vertaling van het lange gedicht Hyperion van de Engelse romantische dichter John Keats. In 1879 gaf hij deze vertaling in eigen beheer uit. Een exemplaar daarvan bevond zich in de nalatenschap van Perk en werd na diens dood geschonken aan Willem Kloos, die het ook aan Albert Verwey te lezen gaf. (Stuiveling 19813: 22). Door Stuiveling wordt de vertaling van Hyperion als een van de vijf beslissende momenten in de aanloop naar de nieuwe Nederlandse poëzie van rond Tachtig beschouwd. De vertaling vormde voor Kloos een inspiratiebron bij het maken van zijn Okeanos. Van Lenneps pleidooi voor het gebruik van de rijmloze vijfvoetige jambe in de Nederlandse letterkunde is aan de Tachtigers niet voorbijgegaan.
Er is een vriendlijk huis op den Nieuwezijds Voorburgwal bij de Paleisstraat, 161, waar de gulle gastheer, om de veertien dagen, Dinsdags avonds, vrienden van zeer uiteenloopende meeningen en opvattingen verenigt, om de werken van onze groote Hollandsche dichters samen te lezen.
Is het wonder, dat ik, één van de gelukkigen uit dien kring, naar huis gaande, wel eens bij mij zelven de schoone regels uit het begin van keats' Endymion opzeî:
en eindelijk beproefde een schoon en bij ons weinig bekend fragment van dien beminnelijken, te vroeg gestorven jongen Engelschman, in Hollandsche jamben over te zetten?
Ik bedoel zijn onvoltooiden Hyperion. Mag ik U die vertaling opdragen met een kleine inleiding?
[.../27...] Vergunt mij nog een enkel woord omtrent het metrum van de vertaling.
De vijfvoetige rijmelooze jambe is tot nu toe in 't Nederlandsch zeer zelden gebruikt voor een heroïsch gedicht. In het Engelsch, gelijk bekend, is zij, sedert Milton's Paradise Lost, de echte heroïsche maat geworden, en heeft, vooral in den meest verheven stijl, enkele eigenaardigheden gekregen die haar van de Duitsche tragische vijfvoetige jambe onderscheiden. Daartoe behoort het herhaaldelijk omkeeren van den aanslag, ja ook het dikwerf gebruiken van trocheën in het midden van het vaers. Ik heb gemeend in den aanslag trocheën te mogen plaatsen, en geloof dat daardoor het metrum aan verscheidenheid wint.
Eene andere eigenaardigheid van de Engelsche vijfvoetige jamben, die met het geheele samenstel der Engeslche taal in het nauwste verband staat, is, dat vrouwelijke uitgangen aan het slot van de regels zoo goed als niet voorkomen. Daardoor, schijnt het mij, wint de Engelsche ‘heroïc’ het in/ (28) statigheid van den Duitschen zustervorm. Hoe lastig dit ook soms mocht zijn en hoezeer de vrouwelijke uitgangen aan het slot der regels zich in 't Hollandsch van zelf opdringen, zoo heb ik mij verplicht geacht die niet dan bij zeldzame uitzondering toe te laten, zooals in het begin of het slot van een periode of waar ik een sterk accent op de tiende lettergeep volstrekt noodig had.
Omtrent andere bijzonderheden verzoek ik U vriendelijk de aanteekeningen achter mijne vertaling in te zien, waarin gij o.a. iets zult vinden, wat U licht meer dan in dit droog begin zal aantrekken, en wel, ter juistere waardeering van den Engelschen dichter, verscheidene van zijne schoonste regels in hun oorspronkelijke vorm.
(/58) Aanteekeningen op den eersten zang
[.../59...]
Regel 1-21. In zijne fraaie verhandeling, ‘Drie voorwaarden van Kunstgenot,’ te lezen in het 3de en 4de nommer van den ‘Nederland’, jaargang 1879 en waarvan het eerste gedeelte aan keats is gewijd, zegt busken huet, die, evenals ik, keats heeft liefgekregen:
‘Geheel dit onderhoud van thea en saturnus, de gedaante van den God en de Godin, het oord der ontmoeting, is meesterlijk beschreven: niet dan die somber klinkende substantieven en adjectieven, die men te vergeefs beproeven zou van de eene taal in de andere over te brengen.’33
Omtrent dit ‘te vergeefs beproeven zou’ wenscht/ (60) de eerste Nederlandsche vertaler te zeggen, dat hij eene nieuwe, eene herhaalde poging om dit en andere gedeelten van den ‘Hyperion’ naar waarde over te zetten aan alle jonge dichters aanbeveelt, die den rijmeloozen jambischen vijfvoet tot voertuig willen maken van eigen verheven gedachten. [...]