terug  begin  verderprepost
[p. 125]

26
Kloos over Burgersdijks Aischylos (1880)

Willem Kloos, ‘De Prometheus van Aischulos’, in: De Nederlandsche Spectator, 25 september 1880, pp. 311-313 (ook in: 14 Jaar Lite-ra-tuur-ge-schiedenis 1880-1893, Amsterdam: S.L. van Looy/H. Gerlings, 1896, pp. 46-55.)

1880 Heet een magisch jaartal in de Nederlandse letteren te zijn, al gebeurde er dat jaar niet veel. Als de geboortedatum van de Beweging van Tachtig wordt meestal 1882 gegeven, het jaar waarin de dan 56 jaar oude letterkundige, jurist en Homerus-vertaler Carel Vosmaer (zie nr. 22) de bundel Gedichten van Jacques Perk bezorgde en de 23 jaar jonge Willem Kloos (1859-1938) daar een, al snel daarna legendarisch geworden, ‘Inleiding’ bij liet schrijven, het eerste manifest waarin een nieuwere literatuur werd ingeluid. Vosmaer was des-tijds redacteur van De Nederlandsche Spectator. Twee jaar voor die beroemde ‘Inleiding’ liet diezelfde Vosmaer diezelfde Kloos, destijds student in de klassieke letteren te Amsterdam, in dat blad de ruimte om een in De Gids gepubliceerde vertaling door L.E.J. Burgersdijk (zie hiervoor nr. 24) van de Prometheus van Aischylos te bespreken. De tekst kan gelezen worden als een kleine prelude op latere ontwikkelingen.

[...] Hoevele ontwikkelde lieden in geheel Nederland - natuurlijk buiten de philologische vakgeleerden - zouden genoeg belangstelling koesteren voor de poëzie van Hellas, om zich aan het overbrengen eener Aischulische tragedie te wagen? Het is er verre van, dat de Grieksche geest datgene zou geworden zijn voor onze moderne litteratuur, waarvoor zij elders sinds lang erkend is, de macht, die der taal haar volle plastiek moet geven, eenvoud en diepte aan poëtische conceptiën, ruimte van blik en vrijheid van ziel aan velen, die thans den letterkundigen rijkdom van hun volk meenen te vermeerderen. Maar toch doen zich verblijdenden teekenen op van een beteren tijd, die in aantocht is, en daaronder moet

[p. 126]

ook het werk van den heer B. geschikt worden. Gunstig bekend als de vertaler van Shakespeare's drama's en van de, meestal goed weergegeven, sonnetten, levert hij nu een blijk van de veelomvattendheid zijner litterarische liefde, door een der meesterstukken van de Helleensche poëzie in Nederduitsch gewaad te kleeden, en zoo voor velen een wereld te openen, waarvan hun hoogstens eenige flauwe herinneringen uit de jaren der jeugd zijn bijgebleven. Er zijn er, die zullen beweren, dat de heer B. een andere keuze had kunnen doen, dat de teedere Euripides en zelfs de koninklijke Sophokles nader aan ons staan dan hun ietwat stroeve voorganger. Maar zoo de bewerking goed is, blijft dit een bijzaak, en dan - wie zal zeggen, waarmede de heer B. ons nog verrast?

Gemakkelijk was zijn taak niet. Afgezien van het toch bijzondere karakter der Grieksche tragedie, met haar bijna strakke waardigheid en haar gebrek aan individueele teekening niet het minst met de ruischende statie harer ons vreemdklinkende koren, verzet zich het gecompliceerde, kunstvolle metrum tegen elke poging die zonder inspanning genot eischt. Men kan dit verhelpen door de vertaling te brengen in moderne gerijmde voetmaten, maar dan zou men het talent moeten bezitten, waarvan Shelley meestal, en mrs. Browning somtijds in hunne vertolkingen blijk geven, om niet te vervallen in zwakke navolgingen, waar het oorspronkelijke den lezer ontkleurd uit toeschemert. Een waarschuwend voorbeeld levert juist in dit geval da Costa, wiens Hollandsche Prometheus evenveel op den Griekschen gelijkt, als de poëzie van velen onzer levende poëten op zijne eigene. Eéne aanhaling zij voldoende om het verschil tusschen de oude en de nieuwe vertaling aan den dag te doen treden.

Da Costa heeft (...)

 
't Gebied der zeeën gromt met ongestuime golven
 
Zijn klachten tegen 't noodlot uit!
 
Zelfs de onderwereld is verbolgen:
 
Des aardrijks bodem dreunt met naar en dof geluid!
 
't Bezielt zich al van 't medelijden,
 
Dat we aan uw lot, vervallen heemling, wijden!

Burgersdijk zingt: (r. 431-435)

[p. 127]
 
Dies klotst, de branding woest der onstuimige zee;
 
Haar diepte zucht: in Hades' kracht
 
Weergalmen diepe tonen;
 
't Ruischen der bron van den godd'lijken stroom
 
Beklaagt zijn deerlijk lijden.

In de eerste proeve is alles gemeenplaats, beeld zowel als uitdrukking, en buitendien kunnen er van de zes regels maar twee - met eenige wijzigingen - aan Aischulos geweten worden[...], terwijl de verzen van den heer B. eenvoudig maar bezield, getrouw en toch niet gewrongen zijn. Zijn werk is een aanzienlijke vooruitgang bij dat van zijn voorganger, en de verschillende metra heeft hij, vooral in de rei-zangen, zóó weten te behandelen, dat zij zich van zelf laten lezen, ook door weinig geoefenden, indien men slechts zorg draagt, alle woorden ten volle uit te spreken, met de lengte, de kortheid en de klemtoon die hun toekomen, en niet de helft in te slikken, gelijk men in het spreken gewoon is. De iambische trimeters van den dialoog verdienen eveneens veelal lof, wanneer men bedenkt, hoe weinigen er nog in onze taal geschreven zijn, maar tusschenbeide verliest de vertaler toch uit het oog, dat een vers nooit een vers kan zijn, alleen uithoofde eener valsche of gedwongen accentueering, en dat bij het gebruik van antieke rhythmen, iedere verslapping schennis is aan de heilige schoonheid van den vorm[...].

Nu komt het belangrijkste vraagpunt aan de orde: hoe is de dictie des dichters, welke reeds in de oudheid befaamd was om hare grootschheid en rijkdom in klank en beeld, in onze moedertaal weergegeven? Aischulos, heet het, is vóór alles een plastiesch tragicus: indien/ (312) men echter een letterlijke vertaling van een zijner drama's voorlegde aan iemand, die overigens met de Grieksche litteratuur onbekend was dan zou hij zich verbaasd afvragen, waar hij die plastiek vinden moest? De zegging zou hem alledaagsch proza toeschijnen, hier en daar verlevendigd door een enkel oorspronkelijk beeld, maar menigwerf ook ontsierd door een opgeschroefdheid in de uiting van de eenvoudigste zaken, die zijn aesthetischen smaak kwetsen zou. De reden is eenvoudig. Onze gewone schrijftaal vloeit over van metaphorische uitdrukkingen en beelden, die iedereen gebruikt, zonder er iets meer bij te gevoelen of te fantaseeren, en die, schoon hun oorsprong te danken hebbende aan de waarachtige inspiratie van bevoorrechte individuen of die van het volk, allengskens tot

[p. 128]

een versleten en conventioneel hulpmiddel zijn geworden voor allen, die te weinig naïef zijn en te weinig innerlijken drang bezitten, om zelf hun eigen taal te scheppen. Vandaar die ongerijmde koppelingen van de meest ongelijksoortige overdrachtelijke wendingen, die men telkens in het geschrijf van den dag ontmoet, vandaar de machtige betoovering, waarin Multatuli's taal de gemoederen van hen houdt, die nog in staat zijn individueele frischheid en volkomen harmonie tusschen gedachte en woord te waarderen. De Grieken daarentegen, wier verbeeldingskracht vlugger en meer ontvlambaar, wier geest jonger en ontvankelijker was, en die niet behoefden te zwoegen onder het wicht van tal van eeuwen-heugende poëtische erfenissen van elken aard, konden door één enkel woord, figuurlijk gebruikt, even sterk getroffen worden, als onze verwende hersenen door de tooverachtigste beelden van een Shelley of een Swinburne. Wat voor hen plastiek was, is het voor ons in de vertaling dikwerf niet, en de vraag rijst dus, hoe dit bezwaar op te heffen, en hoe, met behoud van den geest van het werk, het Hollandsch te maken tot datgene voor onze fantasie, wat het Grieksch voor de hunne was? Dr. Burgersdijk heeft aan deze vraag de eenig mogelijke oplossing gegeven. Zij bestaat daarin, dat men de voorstelling van het oorspronkelijke versterkt, door zorgvuldig overdachte toevoeging van een haaltje, een tintje, waarmede men aan het beeld meer relief bijzet en onzen geest te hulp komt. Men lette er slechts op geen schade te doen aan de beknoptheid en de gedrongenheid der dramatische zeggingswijze, van welke, in den dialoog ten minste, zoo min mogelijk moet afgeweken worden. Naardien nu een beoordeeling niet alleen op de gebreken, maar vooral op de deugden van haar voorwerp dient te wijzen, komt het mij niet ongepast voor, in eenige bijzonderheden na te gaan, hoe de heer B. aan deze zijne taak voldaan heeft. Prometheus zegt (304-307), in letterlijke vertaling: ‘Aanschouw met welke jammeren ik door Zeus gebogen word.’ ‘Gebogen’ is voor ons hier zwak, omdat wij zelfs in de spreektaal zóó dikwijls gewagen van menschen, die het een of andere ongeluk buigt, hetzij verdriet, schulden, of misdaden, dat ons voorstellingsvermogen al zeer prikkelbaar moet wezen, om nog door die uitdrukking aangedaan te worden. En de heer B. wijzigt haar daarom zeer gelukkig (r. 306) in:

 
‘Zie met wat smaadheen hij mij overlaadt en buigt.’
[p. 129]

Nu is het beeld uitgewerkt; wij hooren niet slechts den ons bekenden klank nogmaals, maar wij zien ook, dat de heros gebogen wordt, omdat men ons wijst, men hem buigt.

[...] Ja soms, als de plastiek van Aischulos, letterlijk verdietscht, scherp en klaar voor ons zou gestaan hebben, laat de vertaler zich regels ontvallen, die, op zijn zachtst gezegd, hèm geen eer en de dichter schade doen. Ik verklaar mij die kortstondige afdwalingen op deze wijze. Dr. Burgersdijk heeft als wij allen, bespiegelende wezentjes, de gewoonte, om den abstracten zin te halen uit het concrete beeld, en zoo zijn philosophisch begrip van de zaak te verhelderen. Dit nu is minder, maar tusschenbeiden vergeet hij bij het overbrengen in Hollandsche verzen, weer van het abstracte tot het concrete terug te gaan. Zoo komt het, dat wij vertalingen ontmoeten als ‘'t golvend vlak der zee, waar 't licht op dartelt’ voor het verrukkelijke ανηριφμον γελασμα χυματω (r. 90), en ‘spel van den wind’ voor het overweldigend grootsche αιφεριον χινυγμα (r.158.) In beide gevallen wordt de oorzaak voor de uitwerking gegeven, welke fout in het eerste gemakkelijk zou zijn te vermijden geweest; in het tweede bidt het woord χινυγμα eigenaardige bezwaren aan, en al de vertalingen, die ik raadpleegde, hebben zich niet kunnen of willen ontzien op gelijksoortige wijze te zondigen. Wanneer de vertaling des heeren B. een heerschend gebrek bezit, dan is het, dat zij nog te weinig innerlijken gloed, nog te veel prozaïsche wendingen vertoont, ofschoon tal van gelukkige en soms treffend schoone plaatsen - waarin men de ziel voelt trillen, die ze schiep - zoo niet de minder geslaagden doen vergeten, dan toch tegen hen op kunnen wegen. In de volgende regels bijv. is zeer goed de mystieke tint van het oorspronkelijke te herkennen (793-97).

 
‘De Gorgoneesche velden, bij Kisthene, waar
 
De dochtren Forkus' wonen, grijsgeboren trits,
 
Met zwanenlijf, tezamen met een enkel oog,
 
En éénen tand; der zonne glans bestraalt haar nooit,
 
En nooit beschouwt haar in de nacht het oog der maan.’

En nu een voorbeeld van de anapesten:

[p. 130]
 
.... maar schoon ook de haat
 
Den gehate doe lijden, geen schand' is 't leed.
 
Ja, treffe met flakkrend gekronkelde schicht
 
Mij het vuur van den hemel: en loeie de lucht,
 
Door donder en schokkend' orkanen gezweept,
 
Op mij aan: trill' daavrend en dreunend de grond,
 
Tot in 's afgronds diepten van stormen geschokt; / (313)
 
................. hij rukke van hier
 
Met des noodlots gruwzame wervling mij los,
 
En hij ploff' m' in den donkeren Tartaros neer;
 
Vernietigen kan hij mij nimmer!

Zulke verzen kunnen tot model strekken aan de opkomende dichter-jongeren, die, zonder plastiek, zonder gedachte en zonder hartstocht, de toekomst van de Nederlandsche litteratuur in zich meenen om te dragen. [...]

prepostterug  begin  verder