|
|
|
| |
| | | |
30 Willem Kloos: vertaling, vorm en inhoud (1883)
S[ebastiaan].S[enior]. [=Willem Kloos], ‘Iets over
vertalingen.’ In: De Amsterdammer, Weekblad voor
Nederland, 15 april 1883, pp. 3-4
Onderstaand fragment komt uit een bespreking van Schillers Lied van de Klok, metrisch overgebracht door K.G.F.W. Ham, (uitgegeven
te Schoonhoven, door S. en W.N. van Nooten in 1883). De bijdrage is ondertekend
met de initialen S.S. en achter deze initialen gaat volgens de
literatuurhistorici niemand minder dan Willem Kloos (zie ook No. 26) schuil (zie
Kralt 1982 en Cornelisse 2001). Het weekblad De
Amsterdammer (nu beter bekend als De Groene
Amsterdammer), was naast De Nederlandsche Spectator de
belangrijkste spreekbuis van de Tachtigers voor de oprichting van De Nieuwe Gids. Kloos droeg regelmatig bij en liet daar ook zijn licht
schijnen op het verschijnsel vertaling. De inleiding van de bespreking mag
gelden als een van de eerste poëticale teksten waarin de
consequenties van het poëtisch programma van Tachtig voor het
verschijnsel vertaling worden behandeld. Zonder dat deze met zoveel woorden
genoemd wordt, is de opvatting die hier naar voren wordt gebracht terug te
voeren op de vertaalpoëtica van Shelley.
Om een gedicht te kunnen maken, moet men een dichter zijn, niemand twijfelt er
aan, maar om nu een gedicht, dat reeds gemaakt is, in een andere, zijne eigene,
taal over te brengen? Naar de feiten te oordeelen, ons door de geschiedenis der
litteratuur verschaft, zou men zeggen, dat zich daartoe ieder in staat rekent,
die door lectuur en oefening eenige litteraire bekwaamheid verkregen heeft.
Men redeneert namelijk aldus: ‘Alle poëzie bestaat uit twee
dingen, inhoud en vorm, uit datgene wat er gezegd wordt en de wijze waarop men
het zegt. Het eerste is het eigendom en kenmerk des dichters, het laatste kan
tot in zekere mate door studie verworven worden’.
| | | |
Als dus de inhoud, waaronder verstaan wordt; de gedachten, de sentimenten,
waarmede die gedachten worden geuit en de beelden, die de sentimenten
verzinnelijken, als dus die inhoud, zoo meent men, gegeven is, heeft slechts een
man van smaak, maar die uit zichzelf nooit tot dien inhoud zou gekomen zijn, met
liefde en zorg zijne eigene woorden voor die der vreemde taal te kiezen, om een
zo niet volkomen, dan toch voldoend beeld van het oorspronkelijke werk te
leveren.
Indien deze redenering opging, zou diezelfde man evenwel ook bevoegd zijn, een
gedicht, door een der meesters zijner vaderlandsche letteren gewrocht, om te
zetten in andere bewoordingen, mits hij slechts den
‘inhoud’ van het origineel behield. En het product, dat
hij dusdoende voortbracht, zou wel niet zoo schoon als het model, maar toch
evenzeer een gedicht wezen.
Neen, zal men ons antwoorden, want de dichter heeft, in zijne
taal, de best mogelijke uitdrukking gegeven, aan wat hij te zeggen had, en bij
ieder woord, dat men door een ander vervangt, neemt men ook een der schoonheden
van het werk weg, wie dus, zooals gij wildet, alle woorden wijzigde, zou slechts
een waardelooze copie overhouden, 't Is of men een leerling der schilderakademie
een doek van Rafaël nabootsen liet.
Juist, want al moge zijne figuren op de nagebootste gelijken, de algemeene
verhoudingen en de lichtverdeeling dezelfde zijn, een Italiaansche Madonna is
het niet. Op honderden plaatsen is de hand te rechter of ter linker uitgeweken,
heeft te zwaar of te licht gedrukt, en de juiste kleurnuances waren niet te
treffen. Zoo is er hoogstens een knap stuk kunstnijverheid, maar nimmer een
kunstwerk voor den dag gekomen.
Bij een schilderij toch als bij een gedicht ligt de grootheid niet ten eerste in
het onderwerp, maar in de opvatting, als in de wijze, waarop die opvatting is
verwezenlijkt.
Niet de algemeene voorstelling, nog de alles beheerschende gedachte maken beiden
tot meesterstukken, maar de kleuren en de lijnen, de sentimenten en de beelden,
waardoor die gedachte en die voorstelling worden belichaamd, d.w.z. den hun
passenden vorm verkrijgen, zonder welke de eene zowel als de
andere slechts ijle schimmen zijn; terwijl wederom die vorm en
daarmede het kunstwerk zelve dan eerst gezegd kan worden te bestaan, als hij
volkomen zuiver door woord of penseel is uitgedrukt.
Iedere schepping bestaat uit een talloos tal kleinere scheppingen, wier eenheid
in de ziel des scheppers gevonden wordt. Eén schrede dus ter zij- | | | | de, éen onbedachte afwijking van het model en de
schepping is daar ter plaatse verminkt, en de ziel is daar ter plaatse
verdwenen.
Dit geldt voor het kopiëeren, maar is het met vertalen anders gesteld?
Twee woorden in twee verschillende talen, die éen begrip aanduiden,
beteekenen toch dikwijls niet het zelfde, omdat de twee begrippen, schoon de
zelfde, verschillend zijn genuanceerd, en in allen gevalle zijn de klanken
anders, tusschen welke en datgene, wat zij voorstellen, een merkwaardige
overeenstemming bestaat. Deze overeenstemming is wel niet altijd met den
maatstok aan te wijzen, maar zij laat zich toch gevoelen en is een der
hoofdoorzaken van den indruk, dien een gedicht op ons maken moet.
Het is de taak van iederen vertaler in zijn werk die combinatie van uitdrukking
en klank te geven, waardoor precies hetzelfde gezegd wordt voor verbeelding en
gevoel en dezelfde werking wordt teweeggebracht op het gehoor, als de dichter
deed.
En als dit onmogelijk is, zooals niet zelden geschiedt, mag hij zich niet
tevreden stellen hetzij met alleen het gehoor, hetzij den geest des lezers te
voldoen, maar hij is verplicht iets anders voor het oorspronkelijke in de plaats
te zetten, dat even of bijna even goed in het geheel der creatie past. Eigenlijk
moet hij dus het gedicht op nieuw maken, en uitgaande van hetzelfde punt, van
waar de dichter begon, den aandrang om te zeggen wat zijn hart gevoelde en zijn
verbeelding zag, in zijn vaderlandsche taal de schepping opbouwen, die zijn
voorganger in de zijne formeerde.
Maar om dit te vermogen, moet men zelf een dichter zijn.
Den doctrinairen zij het overgelaten, deze eenvoudige kunstregelen, wier
algemeene waarheid niettemin moeielijk betwist kan worden, op alle bijzondere
gevallen toe te passen. Niet ieder, die poëzie vertaalt, heeft
daarmede de bedoeling, om poëzie te geven.
Beweegredenen van practischen aard zijn het, die er menigeen toe brengen, om de
handen aan de voortbrengselen der oude en nieuwe litteratuur te slaan.
Wel heeft de eene of andere kunst-enthousiast het recht om te vragen, of het
eigenlijk wel geoorloofd is, het vele schoone, dat de menschelijke geest heeft
voortgebracht, ten gerieve van een gedeelte onze natuurgenooten te verhanselen.
Doch ik zou de pogingen van hen b.v., die zich aan het overbrengen eener
Grieksche tragoedie wagen, willen vergelijken bij het leveren van gravures naar
beroemde schilderstukken, die toch ook niets anders beoogen, dan den beschouwer
eenig idee te geven van het | | | | origineel, en hem tot een kennismaking
met dat origineel zelve aan te sporen. [...]
|
|
|