begin  verderprepost
[p. 3]

Inleiding

Het is niet eenvoudig vertaalhistorische lijnen aan te brengen voor de periode 1885-1946. Wel zijn er duidelijke aanwijzingen dat de effecten van de literaire vernieuwing in de autochtone Nederlandse literatuur, voortkomend met name uit de beweging van Tachtig, ook in vertalingen onmiskenbaar zijn. De effecten zijn enerzijds het gevolg van een romantische literatuuropvatting die een vervreemdende wijze van vertalen met zich meebrengt. Anderzijds ontstaan de veranderingen door het nieuwe, modernere taalgebruik in de onderhavige periode. Andere kenmerken van de periode zijn de toenemende professionalisering van het vertalen en de intree van een wetenschappelijke kijk op vertalen. De periode zelf laat een zeer geschakeerd beeld zien, iets dat zich in de gehele twintigste eeuw doorzet. Het debat wordt nog vooral gevoerd door schrijvers en academici. De professionals komen vooralsnog minder aan het woord, al zijn historische mijlpalen als het verdrag van Bern, waarin het auteursrecht geregeld werd, en de oprichting van de Vereeniging Nederlandsche Vertalingen (1931) van belang (cf. Naaijkens 1996, 229-233). De afwezigheid van vertaalbeschouwing vanuit de professionele hoek is deels te verklaren uit de keuze van de samenstellers, maar er zijn ook nauwelijks teksten beschikbaar vanuit deze hoek. Luc Korpel (1992: 24-26) stelde al vast dat de professionalisering inzette in de achttiende eeuw met de opkomst van het leespubliek en de behoefte aan boeken, maar tot een deelname aan een openbaar vertaaldebat heeft dat niet geleid. Deze trend zet zich door in de eerste helft van de twintigste eeuw. Pas in de jaren dertig beginnen de professionele vertalers zich te verenigen en zich te uiten in organen als Vertalen en Levende Talen. De emancipatie van de professionele vertalers zet pas in halverwege de tweede helft van de twintigste eeuw, waarna hun deelname aan het openbare debat, met name op het gebied van het literaire vertalen, een vanzelfsprekendheid wordt.

Het vertaaldebat tussen 1885-1946 moet nog nader worden onderzocht, maar op grond van de hier verzamelde opstellen kan een aantal vertaalpoëticale zwaartepunten worden aangewezen. Wat vooral opvalt is dat het debat in ieder geval levendiger en vooral rijker is dan in een groot deel van de negentiende eeuw. De periode wordt gekenmerkt door een aantal trends: aansluiting bij autochtone literaire ontwikkelingen en daarnaast beginnende internationale oriëntatie; verdergaande professionalisering van het beroep en daarnaast bevestiging van de vertalerspersoonlijkheid en de daar-

[p. 4]

mee gepaard gaande versterking van de vertalersvrijheid; verzakelijking van de vertaalpraktijk en daarnaast het behoud van romantisch ideeëngoed met betrekking tot het geloof in de mogelijkheden van de vertaling.

Deze bloemlezing richt zich op de genoemde dichotomieën en opteert daardoor niet voor een poging om een overzicht over de periode te bieden. In plaats van zich te richten op algemeen geldige kenmerken, worden vooral de tegenstellingen naar voren gehaald. De keuzemogelijkheden waren groot, maar de controverses hebben prioriteit gekregen. Zij laten zien hoe en op welke manier het vertalen besproken wordt en allengs prominenter wordt in het cultuurhistorische discours. De nadruk ligt daardoor op het debat dat gevoerd wordt in culturele en literaire organen en tijdschriften. Nader onderzoek is met name nodig in het geval van voor- en nawoorden bij vertalingen, die talloos zijn. Hieronder wordt ingegaan op de definities van vertaling die in de gebloemleesde periode worden gehanteerd, waarna drie thema's uit het debat van een kader worden voorzien: de positie van de Tachtigers in de vertaalgeschiedenis, het vertalen van klassieken, de discussies tussen kunstenaars en academici over vertalingen. Tot slot wordt geprobeerd zicht te bieden op de aansluiting bij het vertaaldiscours dat zich buiten het Nederlandse taalgebied afspeelde.

Definities van vertaling

Een van de meest interessante aspecten met betrekking tot het achterhalen van de vigerende vertaalnormen in de geschiedenis vormen de gehanteerde vertaaldefinities. In deze periode blijken die zeer divers te zijn. Het hele spectrum van de puur traditionele tot de meer individueel-avontuurlijke opvattingen komt hier voor. In 1897 formuleert Van Hall (1840-1918) (nr. 3) een definitie die nu ook nog als mainstream kan gelden: ‘Men verlangt van den vertaler stiptheid, een exact weergeven niet alleen van den inhoud van het oorspronkelijke werk, maar ook van den vorm, den stijl, de kleur, voor zoover dit bij het verschil van taaleigen mogelijk is.’ Daarbij stelt hij nog de ‘drievoudige eis van getrouwheid, zoetvloeiendheid, dichterlijkheid’.

Het verschil in houding tussen de kunstenaar-vertalers en de meer geleerde vertaalbeschouwers komt ook hier naar voren, waarbij het onderscheid vooral ligt in de nadruk op het reproductieve, dan wel productieve karakter van vertaling. B.H. Molkenboer (1879-1948) in 1925 (nr. 10), in zijn reactie op de vertaling van Dante's Divina Commedia door Albert Verwey (1865-1937), laat op welhaast apodictische wijze zijn opvatting over vertalen

[p. 5]

als primair reproductieve bezigheid naar voren komen: ‘Want hij die een werk als de Divina Commedia vertaalt, zal in eerste instantie wel minder bedoelen (de lezer mag die bedoeling althans veronderstellen) een eigen kunstwerk te geven dan een benaderende, zoo trouw mogelijke weergave van Dante's werk - mèt de sensaties en stemmingen, welke dit in hem, den vertaler, gewekt heeft. Hij geeft dus den ander door zich zelf heen, niet zich zelf door den ander heen. Ik lees een vertaling van de Divina Commedia niet primair om den vertaler, maar om de Divina Commedia en om Dante (...). De vertaler blijft secundair. Hij vertaalt. Geeft dus het werk van een ander en dit werk blijft de hoofdzaak.’

In de tekst van zijn college uit 1930 over de Goddelijke Komedie voor studenten Italiaans (nr. 12) geeft Verwey een definitie die lijnrecht tegen deze visie indruist en daarmee ook als een reactie gezien kan worden op Molkenboers opvatting: ‘Ik noem hiermee het ware woord om de waarde uit te drukken ook van de beste vertaling. Zij is één interpretatie, één van degene die mogelijk zijn. Ook de Italiaan die Dante leest zal hem op zijn eigen wijs interpreteeren; maar alleen de vreemdeling wordt door zijn denken in een andere taal dan het italiaansch genoopt zijn interpretatie in die taal vast te leggen. (...) Iedere persoon, iedere eeuw, heeft tot zulk een gedicht maar bepaalde betrekkingen. Het kan dus nooit zoo zijn dat één vertaling de eindelijke, de alles afdoende is. Een andere eeuw zal ongetwijfeld behoefte hebben aan een andere. (...) Dit is dus ten slotte de hoogste waarde die men aan een vertaling kan toekennen: ze doet het oorspronkelijk zien op een nieuwe wijs.’ Ook bij de lezer van vertalingen zou Verwey een dergelijk gezichtspunt graag zien: ‘Men pleegt doorgaans, bij het bestudeeren van vertalingen ze allereerst te vergelijken met het oorspronkelijk. Dat is ongetwijfeld een gerechtvaardigd studie-doel. Maar men heeft dikwijls meer aan het lezen en karakteriseeren van de vertaling op zichzelf.’

Verwey is in deze periode uniek, omdat hij zich zowel in het kamp der dichters als in het kamp der geleerden ophoudt. Iets dergelijks geldt voor Carry van Bruggen (1881-1932). Weliswaar hoorde zij geenszins tot het officiële academische circuit, en is veel van haar werk te verklaren uit het gebrek aan erkenning dat dat met zich meebracht (zie Sicking 1993), toch is zij, in Hedendaagsch Fetisjisme (zie nr. 11), een van de weinigen in deze periode die op grond van een welomschreven taalfilosofie met een coherente visie op vertaling komt. Haar taalfilosofische uitgangspunt is de voor die tijd moderne gedachte dat de taaltekens arbitrair zijn en ‘dat de taal op zichzelf

[p. 6]

niet meer is dan een op afspraak berustend tekensysteem’ (Sicking 1993: 280). In haar eigen woorden: ‘Taal en gedachte zijn immers één en verweven, de bewoordingen, waarin men het voor zich zelf en anderen heeft verklaard, maken reeds de “vertaling” uit.’ Daar volgt dan voor Van Bruggen uit dat vertalen ‘niets anders [is] dan parafraseeren’, het ‘“in eigen woorden” weergeven van wat het lezen van boek of vers aan onderscheidingen van, begrip, gevoel, beeld heeft opgewekt’. Sleutelbegrip daarbij is het ‘ecarteeren’: ‘De taal is nu volkomen geëcarteerd, opgelost tot een complex van gedachten en impressies, van voorstelling en gevoel, volkomen overeenkomstig aan wat er in den vertaler zou omgaan, indien hij het gelezene had ondergaan of beleefd. Dit stelt hij dan in zijn eigen taal te boek.’ Uiteindelijk staat de vertaalopvatting van Van Bruggen niet ver van die van Verwey, en net als bij Verwey is haar oordeel over vertalen uiteindelijk positief: ‘Indien er dus al van “verlies” bij vertaling sprake kon zijn, weegt er altijd een “winst” tegen op.’ Een monografie over Van Bruggens vertaalpoëtica is van groot vertaalhistorisch belang.

De Tachtigers en vertaling

Een redelijk deel van deze bundel is gevuld met werk van De Tachtigers. Zoals vaak in een periode van verandering speelt ook in de periode waarin deze stroming haar opkomst en verval kende vertaling een rol. We moeten hier echter wel direct bij aantekenen dat er van eenvormigheid bij De Tachtigers in deze context geen sprake is. Aan het woord komen hier Lodewijk van Deyssel (1864-1952), Jac. Van Looy (1855-1930), Willem Kloos (1859-1938) en Albert Verwey, maar geen van hen met een bijdrage uit de hoogtijdagen van de Beweging van Tachtig. Wel geven de discussies waarin hun teksten een rol spelen een goed inzicht in de dynamiek van de literaire evolutie en de rol die vertaling daarin kan spelen. Van Deyssel, Van Looy en Kloos polemiseren er lustig op los, vaak in de rol van gemarginaliseerde.

Waar het vertaaldiscours van met name Kloos aan het eind van de negentiende eeuw (zie zijn bijdragen zoals opgenomen in deel 5a van deze serie) nog rechtstreeks in verband staat met zijn pogingen de nieuwe ideeën over literatuur te introduceren, vormen zijn bijdragen aan vertaaldiscussies aan het begin van de twintigste eeuw juist een voorbeeld van zijn starheid en conservatisme. Dezelfde ideeën komen terug, maar in een compleet andere dynamiek. Kloos gebruikt het vertaaldiscours voornamelijk om zijn per-

[p. 7]

soonlijke rekeningen (en dan vooral met Verwey) te vereffenen (zie ook Naaijkens 2002 en Cornelisse 2001).

Ook Van Looy is betrokken in een polemiek waarbij het meer draait om de erfenis van Tachtig dan om een bijdrage aan een vertaaldiscussie. Van Looy gispt C.S. Adama van Scheltema (1877-1924) minder om wat hij in zijn Faust-vertaling heeft uitgehaald dan om de harde woorden die hij over De Tachtigers in het algemeen en Jac. van Looy in het bijzonder heeft geschreven in zijn monumentaal-poëticale werk De grondslag eener nieuwe poëzie. Proeve van een maatschappelijke kunstleer tegenover het naturalisme en anarchisme, de Tachtigers en hun decadenten (1907).

De polemiek waarin Van Deyssel een rol speelt heeft een ander thema, dat zich meer richt op de grenzen van de vertalersvrijheid. Hierin vinden we wel een echo terug van de oorspronkelijke poëticale uitgangspunten van Tachtig over het belang van de individuele schoonheidsbeleving. Ook vinden we hier al sporen van een tegenstelling die later in deze periode wel vaker naar voren komt in verband met vertaling: die tussen aan de ene kant de dichter, de kunstenaar en aan de andere kant de geleerde, tussen esthetische legitimatie van de vertalersvrijheid en de filologische afwijzing ervan.

Ook de vertaalopvattingen van Verwey, misschien wel de meest ‘bewuste’ vertaalbeschouwer in zijn tijd, staan voor een deel in het teken van zijn pogingen zich als ware erfgenaam van het gedachtengoed van Tachtig op te werpen. Dat doet hij dus in de rol van dichter (in de inleiding bij zijn vertaling van de Divina Commedia, nr. 10) en in die van geleerde (in de tekst van een college, nr. 13). In die laatste tekst stelt hij zelf met zoveel woorden, wanneer hij de ontwikkelingsgang van stijl in de letterkunde bespreekt: ‘Bij ons lag eerst in het vers van na 1880 de mogelijkheid van een Dante-vertaling’. Met Tachtig was de greep van de classicistische beperking verdwenen uit de Nederlandse literatuur en had zich een stijl ontwikkeld die de vertaling mogelijk maakte. Een stijl die Verwey kennelijk eigen was (zie hiervoor ook Koster 1994).

In de discussie die op gang komt na het verschijnen van de vertaling in 1923 wordt op de legitimatie van de Beweging van Tachtig niet meer ingegaan, dat onderwerp was kennelijk al passé, maar indirect wordt het aspect van de stijl wel besproken in de opmerkingen die gemaakt worden over het thema van de ‘vertalersvrijheid’, dat we hierboven bij Van Deyssel ook al tegenkwamen. Het thema van de vertalersvrijheid hangt in deze periode sterk

[p. 8]

samen met de opvattingen over de dichterlijkheid van vertaling en over de vraag wie het beste in staat is dichtkunst te vertalen. Martinus Nijhoff (1894-1953) is ondubbelzinnig over de vertalersvrijheid die Verwey mocht nemen: die moet men ‘zeker ruimer stellen dan de zogenaamde dichterlijke vrijheid’ (zie nr. 10).

De opvatting dat alleen dichters gedichten kunnen en moeten vertalen is van alle tijden, maar wordt in en na Tachtig veelal in verband gebracht met het romantische en symbolistische idee van de bijzondere gevoeligheid van de dichter. Alex Gutteling (1884-1910) (nr. 4) werkt deze gedachte het meest uit, en hij nuanceert haar ook, wanneer hij onderscheid maakt tussen twee eigenschappen van de kunstenaar: het kunstgevoel en de ziel. Als beide samenkomen, is er sprake van kunst. ‘Maar hij, wiens ziel niet ook buitengewoon wordt aangedaan, dat zij haar emotie in schepping wil vereeuwigen, en die het kunstgevoel toch heeft, kan misschien, door eens anders schepping, genoopt worden, die te vertolken. Zulke menschen worden virtuoos, nabootsend graveur, voordrager of vertaler.’

Het vertalen van klassieken

Ook in de onderhavige periode was een fors deel van het vertaaldebat gericht op het vertalen van de klassieken. De vraag is dan of er sprake is van grote veranderingen ten opzichte van eerdere periodes. Op grond van de nu verzamelde gegevens lijkt dat wel degelijk het geval. Schrijvers die klassieken vertaalden, raakten er allengs van overtuigd het literaire Nederlands te vernieuwen, in het besef van een stijlwisseling die in de laatste decennia van de negentiende eeuw haar beslag begon te krijgen. Van het tijdperk van de oude vertalingen werd afscheid genomen; Vosmaers Homerus-vertalingen (de Ilias uit 1880 en de Odussee uit 1889) kunnen misschien worden gezien als een belangrijke drempel. Een belangrijke exponent van het nieuwe schrijven was Willem Kloos, die Aeschylos vertaalde en dat expliciet wilde doen ‘op zijn nieuwer-eeuwsche manier’. Ook bij de vertalers met een academische achtergrond is die attitude, zij het minder intensief, aanwezig. Euripides-vertaker J. Berlage (1861-1939) bijvoorbeeld stelt expliciet dat men ‘in vroeger eeuwen en het begin van de vorige eeuw, in zijn vertalingen zeer goed Nederlands (schreef), maar inhoud en vorm van het oorspronkelijk zeer vrij (behandelde). De vertalingen van de laatste helft der vorige eeuw en nu nog door filologen gemaakt geven de inhoud zeer nauwkeurig weer, maar nemen

[p. 9]

door de overzetting in rederijkerspoëzie alle fleur van de vorm weg. En de vertalingen van de dichters na tachtig, die het oorspronkelijk naar inhoud en vorm zo letterlijk mogelijk trachten weer te geven, behouden dus wel die fleur, maar vervallen in de fout van vaak zeer hortend en stijf, en niet zelden onverstaanbaar Nederlands te geven.’ (in nr. 7; vgl. ook Naaijkens 2002, 201-214).

Berlage is zich bewust van de cesuur ‘voor en na tachtig’, de anderen geven ook blijk van opvattingen die de cesuur relativeren. Bij sommigen van hen staat de onaantastbaarheid van de Griekse of Latijnse tekst nog voorop, en is vertalen een kwestie van zich meer of zich minder aanpassen aan het exotische origineel. Van belang is het op te merken dat het vertaaldebat op het snijvlak van de negentiende en twintigste eeuw allerminst homogeen en in eensluidendheid verloopt. Hoe diffuus de lijnen lopen wordt duidelijk als men ziet hoe ook schrijvers die aan de Tachtigers schatplichtig zijn, bijvoorbeeld Hein Boeken (1861-1933), pleiten voor een vervreemdende aanpak bij het vertalen, en dan een aanpak die de ‘ouder-eeuwsche manier’ weerspiegelt. Dat wijst er misschien op dat het argument van de onaantastbaarheid van de originele tekst op twee manieren gebruikt wordt: als filologische strategie om zo dicht mogelijk bij te tekst te blijven enerzijds, en als impuls anderzijds om competitief in te zetten op de ‘grote geesten’ wier literaire kwaliteiten bewezen geacht worden. Kloos geeft van het laatstgenoemde een goed voorbeeld als hij de Britse schrijver Percy Bysshe Shelley (1792-1822) buiten de orde stelt en hem als ‘Genie’ het opperste respect betuigt, zowel wanneer hij vertaald wordt als in het geval dat hij zelf vertaalt. ‘Alle regels dulden een uitzondering en zóó ook deze: Want de groote werelddichter Shelley heeft wel eens verzen uit het Grieksch vertaald met prachtige toevoegingen en wijzigingen van eigen hand. Maar om dat te kunnen en te mogen doen, moet men dan ook, zooals Hij, de evenknie dier Genieën van 't Verleden en niet een gewoon mensch, gelijk de meeste vertalers zijn.’ (cf. nr 7) Waar de meeste vertalers voor Kloos ‘gewone mensen’ zijn, is iemand als Shelley alles toegestaan; Kloos zelf spiegelt zich uiteraard aan dit genie.

De classici doen dat als ‘gewone mensen’ niet en redeneren langs andere wegen. Vertalers als Berlage en Abram Rutgers laten zich inspireren door de ideeën van de Duitse classicus Ulrich von Wilamowitz-Moelendorff (1848-1931), die fel badinerend sprak van ‘ekelhafte nachahmung nichtnutziger aüsserlichkeiten, das archaeologische zwitterwesen in verbindung mit stumpfsinnigen übersetzungen in den versmassen der urschrift.’

[p. 10]

Von Wilamowitz-Moelendorff spreekt zijn walging uit voor ‘gestumperd Grieks’, de taal die later in ons taalgebied ‘gymnasianistisch’ wordt genoemd. Daarnaast wijst hij op het belang van factoren die het vertalen bepalen en die niet worden ingegeven door de wetmatigheden van het origineel. Toetssteen in dezen is de versmaat. Het beroep dat Rutgers op de traditie doet, is daaraan verwant: ten behoeve van de situering van de eigen plaats, taal en cultuur wordt de traditie ook gerespecteerd door van haar af te wijken. Het meest extreem in de polaire keuze tussen vervreemding en naturalisering is de Leidse classicus J.J. Hartman (1851-1924), die het klassieke alleen tot leven ziet komen als het in zijn geheel wordt overgeplaatst naar de Nederlandse cultuur.

Het hele spectrum van standpunten rond het vertalen van de klassieken is goed te volgen in de bijdragen aan de rondvraag die het huisorgaan van de Wereldbibliotheek De Ploeg in 1911 en 1912 houdt. Interessant en nader te onderzoeken aspect daarbij is zoals gezegd de status van de versmaat van het origineel. Rutgers en Berlage verdedigden de keuze voor een autochtone versmaat; zij namen het op voor de bij de Wereldbibliotheek verschenen vertalingen, die ten doel hadden de literatuur bij de gewone lezers te brengen. Daardoor lijkt het of met deze discussie nieuwe tijden aanbreken waarin de dichters het pleit allengs verliezen, want zij lijken juist de technisch-literaire vormgeving als onoverkomelijk te beschouwen. ‘Het streven om de oude maten steeds bijna letterlijk te willen volgen in het Nederlands acht ik een volkomen misgreep,’ stelt Berlage, in navolging van Von Wilamowitz-Moelendorff. Haaks hierop staat de juist op het gebied van de versmaat radicaal exotiserende Homerus-vertaling van P.C. Boutens (1870-1943), waarin een ‘Hollandsche hexameter’ geïntroduceerd wordt (1937).

Er zijn bij schrijvers ook andere stemmen te horen. De Vlaming Karel van de Woestijne (1878-1929) is zo'n opvallende stem in het vertaaldiscours als hij van de Ilias beweert dat deze ‘dikwijls zwaar, langdradig of op vele plaatsen ongenietbaar’ is (nr. 6). Deze uitspraak die doet denken aan zeventiende-eeuwse vertalers in Frankrijk wier vertalingen als belles-infidèles de geschiedenis zijn ingegaan. Van de Woestijne mikt op het vermogen ‘de eigen indruk zo sterk, zo krachtig mogelijk uit te beelden’. Hij geeft ook een definitie van ‘de moderne vertaler’, die de lezer wil helpen met zijn ‘aanpassing (...) op hetgeen in deze poëzie verhaald wordt’: de vertaler ‘heeft te koloniseren veeleer, zijn lezers te leiden naar het land van de dichter, ons vertrouwd te

[p. 11]

maken met de verplaatsing naar tijd en ruimte, in een wereld waar alle omstandigheden van gescheiden zijn.’ (vgl. Vandevoorde 1993)

Kunstenaar en geleerde

Het vertaaldebat ontspint zich tussen 1885 en 1946 onder meer rond de kwestie of de kunstenaar dan wel de geleerde het best in staat is tot het maken van vertalingen. Het blijft echter wel zo dat het vertaaldiscours wordt gedomineerd door vertalers die op grond van hun literaire positie prestige hebben; te denken valt hier aan Nijhoff, Vestdijk en Verwey. Maar nader onderzoek naar specifiekere debatten, in kleine wetenschappelijke tijdschriften bij voorbeeld, levert wellicht een nuancering van het beeld op.

Een interessante discussie in dit opzicht is die tussen Lodewijk van Deyssel en de vooraanstaande romanist Valkhoff, die nog alle kenmerken vertoont van een onoverbrugbare kloof tussen artistieke en academische vertaalpoëticale posities. Inderdaad wijst veel erop dat juist de Tachtigers, bijvoorbeeld Lodewijk van Deyssel met zijn omstreden vertaling van Akëdysséril (van Philippe Auguste Villiers de L'Isle-Adam), innoverend op het schoolmeesterlijke, negentiende-eeuwse vertalen werkten. Maar ze worden tegelijk in het gareel gehouden door academici die spreken vanuit het met hun vak verbonden taalkundige geweten. Valkhoff: ‘Is ook niet de grootste kunstenaar aan zekere eisen van correctheid, die, bij de schilder, zegt men, de juistheid der tekening is, bij de musicus en de zanger, zuiverheid van aanslag en toonvorming, en die bij de vertaler eenvoudig hierin bestaat, dat hij in de betekenis der woorden zich niet vergissen mag?’ Van Deyssel stelt hier tegenover dat ‘het klank-gehalte van de volzin’ cruciaal is ‘voor de bepaling der kunstwaarde van een werk’: ‘Zeker mag men zich in de betekenis der woorden niet vergissen, maar er is betekenis en betekenis, en een woord of zinswending heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens andere en hogere betekenis dan die, welke woordenboek en grammatica er voor aangeven’ (nr. 5).

De tegenstelling met schrijvers als Nijhoff is groot als Nijhoff in zijn essays vernieuwende posities inneemt en bijvoorbeeld een pleidooi houdt voor tweetalige uitgaven met aantekeningen. In de periode van onze vertaalgeschiedenis waarin Nijhoff actief was, rekenden de schrijvers-vertalers zich de anderstalige literatuur eigenmachtig toe. Met een ondubbelzinnig gevoel van eigenwaarde volgde de ene ‘machtige persoonlijkheid’ het origineel pre-

[p. 12]

ciezer dan de andere, en stuk voor stuk wilden ze in de vertaling blijkbaar datgene terugvinden wat hen in het origineel aansprak. Het tijdperk was ernaar, dit streven naar zelfstilering bij deze ‘meesters der vertaalkunst’ niet alleen vanzelfsprekend te achten, maar zelfs te begroeten. Vermoedelijk zal Nijhoff echter, als we deze eeuw ruimer en met meer afstand kunnen bezien, een nieuwe fase in de vertaalgeschiedenis inluiden. Nijhoff zet duidelijk nieuwe stappen, niet zozeer in zijn vertalingen misschien, als wel in zijn kritieken en opstellen (cf. Gillaerts 1988 en Naaijkens 2002, 165-176). Vóór hem pakten Boutens, Leopold en Van de Woestijne als vertalers breed uit. Na hem sloop een zekere bedeesdheid het Nederlandse vertalen binnen, alsof het vak, dat ‘serieuze’ ambacht, het niet zonder een schoolse en nederige houding zou mogen stellen. Misschien is de precisie van Nijhoff daar mede schuldig aan; in ieder geval is het de precisie die hem negatieve reacties opleverde.

Opmerkelijk bij Nijhoff is verder zijn historisch besef. Hij neemt literaire voorgangers ook als vertalers waar: ‘Vosmaer en Burgersdijk zijn schitterende fotografen, (...) maar hun werk is en blijft een procédé, het leeft niet tot in ieder woord van iedere regel, het is kort en goed, geen taal-monument’ (nr. 16). Bij alle subtiliteit van de formulering, veelal doortrokken van een respect voor het werk van anderen, valt op hoezeer Nijhoff het belang van vertalingen opmerkt en daarnaast hoe weinig onderscheid hij maakt met oorspronkelijk werk. Bij zijn twee belangrijkste vertaalkritieken, die over Boutens en Verwey, wordt ook in één adem duidelijk welke plaats hij beide dichters in de rangorde van de Nederlandse literatuur toebedeelde. Als Nijhoff in de jaren dertig expliciet ontkent dat zij in deze uitlooptijd van hun literaire leven ‘afgedane figuren’ zijn, laat hij vooral hun vertalingen tellen. Een belangrijk criterium is eveneens historisch: vertalingen tellen feitelijk alleen mee als ze een ‘taalmonument’ zijn en iets toevoegen aan de Nederlandse literatuur.

Een ander, telkens door Nijhoff toegepast criterium was de techniek, met name de versvorm. Nijhoff gaat uit van de versvormen ‘waarover wij beschikken’ en merkt bijvoorbeeld op dat onze poëzie geen poëtische vorm aanwijst voor epische stijl (alexandrijnen leveren volgens hem bij ons over het algemeen gestuntel op, zie Vondels Vergilius). We blijven ‘pionieren’, het is ‘nog altijd het buitenlands model dat voor het Nederlands werk de versvorm beslist’: ‘In onze eigen taal ligt niets gereed. Onze taal niet alleen, maar ook onze letterkunde, verkeren in een staat van voortdurende aanmaak.

[p. 13]

Daar is niets tegen, maar het biedt meer kans aan het kleine dan aan het grote,’ zegt Nijhoff (nr. 16).

Het debat tussen kunstenaars en academici krijgt op veel plaatsen en op veel momenten profiel. De redactie van het tijdschrift Den Gulden Winckel verzocht haar auteurs regelmatig beweringen over ‘verkeerde’ vertalingen met voorbeelden te staven. In 1908 beweert Simon B. Stokvis dat ‘artistiek vertalen in dit land heel vaak onmogelijk is, daar men er niet voor betalen wil’ (jaargang VII, nr. 11). In hetzelfde tijdschrift, dat niet erg op de hand van de Tachtigers is, wordt de vertaler van Deyssel met zoveel woorden een ‘illuster maar tevens bedenkelijk, oneerlijk en belachelijk voorbeeld voor jongere menschen’ genoemd. Terzelfdertijd legt Gerard van Eckeren in een brochure getiteld De heer Willem Kloos en de ‘Exacte Waarheid’ haarfijn uit op welke 58 plaatsen Kloos er bij zijn Thomas-à-Kempis-vertaling naast zat.

Maar er zijn ook toenaderingen zichtbaar die de scheiding tussen schrijvers, academici en beroepsvertalers opheffen. Zo neemt Albert Helman het in 1939 op voor een beroepsvertaler, J.A. Sandfort, met name naar aanleiding van diens Gargantua en Pantagruel (1932) publiceert: ‘Ik kom er gaarne op terug, omdat ik meen dat de heer Sandfort lang niet de eer geoogst heeft die hij daarvoor verdiend heeft. Het boek is niet zo erg gegaan, geloof ik; maar ik heb een sterk vermoeden dat over een eeuw of zo, dit een van de bronnen zal zijn waarnaar men grijpt om de Nederlandse taalrijkdom uit het begin van de twintigste eeuw te leren kennen’ (De Amsterdammer, 14 oktober 1939). Een ander voorbeeld is de schrijver Simon Vestdijk (1898-1971), die bijdraagt aan het leggen van een wetenschappelijke basis van het vertalen als hij pleit voor ‘een voortgezet alzijdig contact met de wereldliteratuur’, van nut ‘voor onze dichters, met name voor de jongeren onder hen’. Vestdijk probeert als een van de eersten systeem te brengen in de verschillende types vertalers die in het begin van de twintigste eeuw ontstaan als hij een onderscheid maakt tussen de correcte vertaling, de goede vertaling en de persoonlijke vertaling. Hij brengt een hiërarchie aan door te stellen dat ‘wij (...) een vertaling allereerst op haar correctheid en haar intrinsieke waarde als gedicht, en het evenwicht daartussen’ beoordelen en daarna pas naar de persoonlijke noot zoeken (nr. 14.)

Aansluiting bij het buitenlandse vertaaldiscours

Aan de hand van de invloeden die men kan traceren in het vertaaldiscours van Verwey en Van Bruggen is aardig zichtbaar te maken op welke manier

[p. 14]

het Nederlandse vertaaldiscours zich verhoudt tot het buitenlandse. Allereerst moet daarbij opgemerkt worden dat, los van de polemieken waar reactie inherent is aan het genre, bij veel van de hier opgenomen stukken geen sprake is van ook maar enige expliciete verwijzing naar andere vertaalbeschouwers. Vaak gaat men uit van ‘idées reçues’ (zoals bijvoorbeeld Bloem, nr. 13) of komt met eigen, vaak wel steekhoudende, definities en classificaties (bijvoorbeeld Vestdijk, nr. 14).

Het opvallendst is de enorme verscheidenheid aan vertaalbeschouwers die worden aangehaald of waarop men zich baseert. Anders dan bij het literair-poëticale discours bestaat er op het gebied van vertaling geen poëticale canon. Sicking ziet bij Van Bruggen de invloed van Michel Béart, een contemporaine Franse filoloog. Verwey beroept zich, al even idiosyncratisch, op een passage uit de door hemzelf vertaalde ‘Dichter's verdediging’ van Shelley (1891). Binnen de context van zijn eigen poëticale visie is dat goed te volgen, maar als bron van vertaalbeschouwing staat Shelley toch in de schaduw van anderen.

Het idee dat het denken over vertalen gebeurt aan de hand van bronnen die toevallig voor handen zijn, wordt bevestigd door meer van de in deze bundel opgenomen artikelen. Van Hall in 1897 (nr. 3) en Valkhoff in 1909 (nr. 5), bijvoorbeeld, zien er geen been in om nog in discussie te gaan met de zeventiende-eeuwse Franse vertaalbeschouwer Perrot d'Ablancourt. Valkhoff plaatst naast de ideeën van Perrot echter de meer eigentijdse visies van Von Wilamowitz-Moelendorff (‘vertalen van poëzie is metempsychose’) en Von Humboldt.

De enige die zich op systematische wijze verstaat met een keur aan buitenlandse denkers over vertalen is Weijnen in 1946. Hij beroept zich op een veelheid aan bekende en onbekende buitenlandse vertaalbeschouwers: P. Cauer, J.P. Postgate A. Guillemin, Schleiermacher (bij Weijnen komen we deze naam voor het eerst in deze bundel tegen), Hilaire Belloc, Von Wilamowitz-Moelendorff, Matthew Arnold en vele anderen.

Zijn ‘beginselleer’ heeft dan ook het meest weg van een academische exercitie, in de zin dat hij op systematische wijze een literatuuronderzoek naar zijn onderwerp pleegt. Dat daarbij allerhande traditionele a priori's een rol spelen lijkt alleen maar vanzelfsprekend. In feite probeert Weijnen, die later een academische carrière in de dialectologie zou krijgen, op grond

[p. 15]

van historische bronnen tot een soort metafysica (de beginselleer) van het vertalen te komen, hetgeen leidt tot enige innerlijke tegenspraak in zijn leer.

 

***

Technische noot

Bij de weergave van de teksten zijn spelling, interpunctie en typografie zoveel mogelijk overgenomen. Weggelaten tekstgedeeltes zijn aangegeven door ‘[...]’, weggelaten noten door ‘[...]’. Omdat de meeste teksten uit deze bundel goed toegankelijk zijn, hebben wij ervan afgezien de oorspronkelijke paginering in de teksten te handhaven. Auteurs-voetnoten werden voorzien van een letter en onderaan de pagina afgedrukt.

Onze dank gaat uit naar Angela den Tex voor haar hulp bij de tekstredactie en het samenstellen van de index.

Referenties

Broeck, Raymond van den (red.). 1988. Literatuur van elders. Over het vertalen en de studie van vertaalde literatuur in het Nederlands. Leuven: Acco.
Cornelisse, Micky. 2001. Poëzie is niet een spel met woorden. De criticus Willem Kloos temidden van zijn tijdgenoten. Nijmegen: Vantilt.
Gillaerts, Paul. 1988. ‘De vertaalpoëtica van Martinus Nijhoff’, in Van den Broeck 1988, p. 129-138.
Korpel, Luc. 1992. Over het nut en de wijze der vertalingen. Nederlandse vertaalreflectie (1750-1820) in een Westeuropees kader. Amsterdam/Atlanta G.A.: Rodopi.
Koster, Cees. 1994. ‘Verwey's Goddelijke Komedie’, in: Filter 1:1, p. 61-73
Naaijkens, Ton (red.). 1996. Vertalers als erflaters. Staalkaart van een eeuw vertalen. Bussum: Coutinho.
Naaijkens, Ton. 2002. De slag om Shelley - en andere essays over vertalen. Nijmegen: Vantilt.
Sicking, J.M.J. 1993. Overgave en verzet. De levens- en wereldbeschouwing van Carry van Bruggen. Groningen: Passage.
[p. 16]
Vandevoorde, Hans. 1993. ‘Karel van de Woestijne: de vertaler als kolonist’, in: De Gids, 156: 7, p. 593-598.

prepost  begin  verder