A.G. van Hamel, ‘Akëdysseril Vertaald’, in: De Gids, 61e jaargang (April 1897), pp. 139-155.118.
Philippe-Auguste Villiers de l'Isle Adam (1838-1889) had in Frankrijk een grote invloed op de jonge symbolistische schrijvers aan het eind van de negentiende eeuw. Zijn werk wordt, al naar gelang novelle of toneelstuk, laatromantisch, hypersensibel, bovenzinnelijk, decadent en ook wel occult genoemd; hij wordt met name geprezen om zijn fabuleuze stijl. Villiers de l'Isle Adams bekendste werk is de verhalenbundel Contes cruels (1883), waarin ondanks alle gevlucht in dromen en fantasieën ook maatschappijkritiek wordt beoefend. Midden jaren tachtig van de negentiende eeuw las Lodewijk van Deyssel (Karel Joan Lodewijk Alberdingk Thijm, 1864-1952) de Contes cruels. In 1885 zat het boek in zijn bagage toen hij een poosje in Parijs verbleef. Voor Van Deyssel was Villiers, met Barbey d'Aureville, een vertegenwoordiger van het Decadentisme, en het belang dat hij in de auteur stelde, werd uitgedrukt door ‘Akëdysseril’ te vertalen, een verhaal uit 1886 dat hij was tegengekomen in de Revue Contemporaine. In 1894 publiceerde hij zijn vertaling, ‘in het Nederlands bewerkt’, in een uitgave met acht etsen van M.A.J. Bauer (Amsterdam, z.u.). Twee jaar later verscheen een tweede vertaling, van S. Heijmans bij De Voogd in Amsterdam (1896). De latere hoogleraar Franse letterkunde A.G. van Hamel besprak in april 1897 in De Gids beide vertalingen en noemde Van Deyssels taal ‘volstrekt geen Hollandsch’.
Voor consciencieuse beoefenaars eener vreemde taal behoort zorgvuldig vertalen tot de meest doelmatige oefeningen hunner studie. Wanneer zij de som willen opmaken van hun verkregen kennis, de maat willen nemen van hun doordringen in het vreemde idioom, dan is een vertaling nog de beste proef op de som.
Maar wat voor dezen niet meer dan een tentamen mag heeten, kan voor litteraire artisten een ware tentatie zijn. Was het voor Louis Couperus zijn ‘Tentation de Saint-Antoine’?
De eerzucht der eersten reikt verder dan die der laatsten. Hun studie drijft er hen toe om, niet alleen wat in vreemde zinnen gedacht, in vreemde klanken gedicht is, over te brengen in de moedertaal, maar om evenzeer te beproeven het in de moedertaal geschrevene te doen naklinken in vreemde woorden, die kunstmatig zijn aangeleerd.
Eerst bij dézen arbeid blijkt ten volle welk worstelen zulk een vertalen is, door welk een strijd de gedroomde en gezochte harmonie, de gelijkwaardigheid der beide teksten, moet verkregen worden. Een ongelijke strijd trouwens; want de moedertaal is altijd de sterkste der twee; telkens dringt het klankbeeld waarmêe de vertaler sinds zijn kinderjaren vertrouwd is geraakt, belemmerend naar voren en plaatst zich tusschen hem en het vreemde klankbeeld dat hij zoekt, dikwijls juist op het oogenblik dat hij gereed stond het te grijpen. Hoe gewilliger het proza der moedertaal zich schijnt te leenen tot die verwisseling van kleedij en manieren, met des te meer bedachtzaamheid dient de aanpasser te waken tegen verwarring en vermenging van het gelijksoortige. De beste manier om dit werk, althans eenigszins, te doen gelukken is deze: de voorstelling die door het lezen van een volzin gewekt is (een stuk beschrijving, een idee, de uitdrukking van een sentiment) hale men zich duidelijk voor den geest, haar geheel losmakend van den eigenaardigen taalvorm waarin zij zich het allereerst vertoond heeft, en dan, in de vreemde taal denkend, zoeke men den nieuwen vorm waarin die nog slechts als gedachtebeeld levende voorstelling ten tweeden male als klank- en schriftbeeld op het papier herleven moet.
Maar, hoe vér iemand het in deze soort van vertaalkunst ook brengen moge, het blijft altijd ‘proefwerk’ - een taak, een ‘thema,’ zooals de schoolterm luidt, - alleen geschikt voor eigen oefening en voor examens. 't Wordt slechts hoogst zelden een gemakkelijk hanteeren van het eigen instrument; 't blijft meestal exerceeren in parade-tenue, spelen op een geleende viool, schrijven met een gouden potlood, schermen met een eere-degen.
Al reikt zij minder vér van deze eerzucht der studiemannen, hooger staat de ambitie der artiesten, die het letterkundig kunstwerk van den vreemdeling eenvoudig zoeken over te brengen in de vormen en de
klanken der moedertaal. Zulk een arbeid kan zuiveren kunst wezen; want de techniek heeft, in dit geval, voor den kunstenaar nagenoeg geen bezwaren meer; in de eindelooze verscheidenheid liggen de kleuren die hij behoeft op zijn rijk en breed palet uitgespreid, en tusschen zijn vingers trillen de penseelen waarmee hij sints jaren gewoon is te werken. Natuurlijk wordt ook hier een grondige kennis vereischt van het vreemde idioom; maar meer nog dan de bloote kennis van woordenboek en zinbouw geldt hier het taalgevoel, de zuiverheid van den indruk dien de vreemde vormen en klanken op gehoor en verbeelding maken. Dienzelfden indruk te wekken door equivalente vormen, gelijksoortige symbolen en klanken, aan den woordenschat en den schrijftrant der moedertaal ontleend, - ziedaar de aantrekkelijke bezigheid, veeleer nog, de artistieke verpoozing, waarin de woord-kunstenaar zich mag vermeien. Zulk een vertalen, zulk een transponeeren, zulk een omwenden en omgieten - ‘versie’ luidt de schoolterm, die een kunstterm zou mogen heeten - kan een genot zijn, even innig en edel als de vertrouwelijke omgang met een grooten geest, wiens ideën en ontboezemingen men aanstonds voelt natrillen in het eigen gemoed. Dit werk kan vergeleken worden met dat van den toonkunstenaar die een stuk dat voor zang geschreven werd, omzet voor viool of piano, met dat van de aquafortist die een ets maakt van de olieverf-schilderij van een meester. Het is geen slaafs copiëeren, het is een ná-denken in een anderen gedachtegang, ná-dichten in een ander rythme, ná-zeggen in de schakeering van een ander timbre.
Was het te verwonderen, dat de Nederlandsche proza-kunstenaar Lodewijk van Deyssel, toen hij Akëdysséril van den Franschen schrijver Villiers de l'Isle Adam gelezen had, de verleiding niet weerstaan wilde om dit betooverend poëem-in-proza - zoo aangrijpend van inhoud, zoo weeldrig van stoffeering, breed-golvend van lijnen, zoo vol en week van klank, met enkele forsche geluiden er tusschen-in, als bazuingeschal en paukengedreun in een fuga van violen, - te doen opklinken in het Hollandsch proza van zijn eigen woordkunst? [...]
Zoo is er een kunstwerk geboren waarvan men zich aarzelend afvraagt, of het ooit met de kleuren en klanken eener andere taal dan het Fransch kan worden nageschilderd. Maar, we zeiden het reeds, in dat aarzelen ligt juist ..... de tentatie.
Van Deyssel heeft het gedaan, omdat hij dweept met het Nederlandsch. De heer Heijmans heeft het beproefd, omdat zijn studie hem heeft leeren dwepen met het Fransch.
Dat de kunst van den eerste hooger zou blijken te staan dan die van den tweede, - wie zal er zich over verwonderen? Allerminst de jeugdige vertaler [Heijmans], wiens bescheiden optreden, evenzeer als de omstandigheden waaronder hij zijne vertaling ondernam, alle denkbeeld van een wedloop uitsluit.
En toch....
Is ook niet de grootste kunstenaar onderworpen aan zekere eischen van correktheid, die, bij den schilder, zegt men, de juistheid der teekening is, bij den musicus en den zanger, de zuiverheid van aanslag en toonvorming, en die bij den vertaler eenvoudig hierin bestaat, dat hij in de beteekenis der woorden zich niet vergissen mag? [...]
Toen Van Deyssel[...] ‘les fauves tapis d'Irmensul et les lointaines manufactures d'Ypsamboul’ vertaalde met ‘de wild-kleurige tapijten van Irmensul en de uitheemsche stoffen van Ipsamboel’, toen heeft hij er waarschijnlijk niet aan gedacht dat ‘fauve’ eenvoudig een lichtbruine kleur aangeeft en met ‘wild’ alleen in zooverre iets te maken heeft als sommige dieren, naar hun kleur, in tegenstelling met ander wild, dat zwart is, in het Fransch ‘fauves’ genoemd worden; en toen heeft hij, door den Hollandschen ‘manufactuurwinkel’ misleid, bepaald vergeten dat ‘lointaines manufactures’ ver-afgelegen weverijen, en geen ‘uitheemsche stoffen’ zijn. [...]
Men behoeft dan ook bij een gewoon vertaler, bij een die enkel de geschiedenis van Akëdysseril en hare slachtoffers in het Hollandsch wil na-vertellen, op dergelijke kleinigheden niet te letten.[...] Maar bij een artiest, die het kunstwerk wil naboetseeren, mag een dergelijk misgrijpen der fijne toetsen allerminst doorgaan voor een ‘quantité négligeable’. De waarde van zijn werk ligt voor een goed deel in de nuanceering, en het geheim dier nuanceering ligt vaak in een enkel woord. [...]
Had van Deyssel ditmaal de beelden en klanken van den Franschen tekst slechts te volgen en zich daarbij door zijn gevoel voor taalmuziek te laten leiden, - op tal van andere plaatsen heeft zijn al te sterk geloof aan de verwantschap, aan het gelijkluidende zelfs, der beide talen hem een verhollandscht Fransch doen schrijven waarvan men gerust mag zeggen dat het volstrekt geen Hollandsch, hoogstens leelijk Hollandsch is. [...]
Doch.... deze aanhaling moge de laatste zijn. Ging ik door, men zou kunnen meenen dat, zoo ik het vertalen zelf een tentatie heb genoemd, ik het na-werken en vergelijken van vertalingen al voor even onwêerstaanbaar houd.
Nu, dat in zulk een arbeid genot gelegen is, wil ik niet ontkennen. Versterking van het taalgevoel is altijd een verhooging van geestelijk leven. En wie, tegelijkertijd, de kracht van zijn moedertaal beter leert kennen en in de geheimen van een vreemd idioom dieper leert doordringen, die smaakt een dubbele voldoening, waarvoor hij hen wier kunstwerk, of wier proefneming, hem daartoe prikkelde, niet anders dan erkentelijk wezen kan. [...]