terug  begin  verderprepost
[p. 22]

2
Polemiek rond Akëdysseril - II: de beurt aan Van Deyssel

Lodewijk van Deyssel, ‘De vertaling van Akëdysséril’, in: Tweemaandelijksch tijdschrift voor letteren, kunst wetenschap en politiek, 3e jaargang (1897), deel II, p. 361-372.

Van Hamels stuk bleef niet onopgemerkt. Van Deyssel nam de handschoen op en reageerde kort daarop in het Tweemaandelijksch tijdschrift, waarin hij eerst het verschil tussen de ‘kunst-rijke taalkunde’ en de ‘hoogere literaire kritiek’ of ‘schoonheidkunde’ uitlegt en daarna ingaat op het aspect vertaling en een lans breekt voor ‘het klank-gehalte van den volzin’.

[...] De drie graden van taalwaardeering, die er bestaan, de syntaxiëele der voormalige filologen, de linguistiesch-æsthetische der hedendaagsche kunstrijke taal-geleerden, én de alleen-æsthetische der kunstenaars-kritici, kunnen het best vergeleken worden bij de drieërlei wijze waarop het spreken van een nieuwen gezel in een vriendenkring kan worden beöordeeld.

De een heeft alleen opgelet of de nieuweling niet haperde of stotterde in zijn gesprek, of hij zijn gedachten goed bij elkaâr wist te houden, of hij geleidelijk van het eene onderwerp tot het andere wist over te gaan;

de tweede heeft nagegaan of hij hoffelijk en vriendelijk was in zijn uitdrukkingen, zonder ijdelheid, goed van geheugen, en zoo voort;

maar de dérde heeft zijn gemóéd beluisterd in zijne stém, heeft in de stem het geestelijk element weten te volgen, en deze dèrde weet dan nu ook alleen met volkomen zekerheid of de vriendelijkheid voorgewend was, of oppervlakkig was, òf wel diep uit het gemoed kwam; of de ijdelheid alleen verborgen was of wáárlijk niet bestond, en zoo voort.

De aard van een mensch is niet aan zijn glimlachjes, woorden noch daden te kennen, maar volkomen zeker voor hem, die in de óogen en in de stèm het geestelijk element weet te onderscheiden. Dit is een zekere

[p. 23]

toets, om dat de mensch dat element niet in zijn macht heeft, maar zijn onbewuste helft er zich in toont.

Wat bij de keuring van een gemoed het geestelijk element in den toon der stem is, dát is, in de hoogere literaire kritiek, het klank-gehalte van den volzin voor de bepaling der kunstwaarde van een werk.

 

***

 

De vergissing van den Heer van Hamel zal ik duidelijk maken door een voorbeeld uit het opstel zelf en het gewicht er van aantoonen in het schromelijke gevolg, dat zij heeft gehad.

Voor den Franschen volzin: ‘Cependant au déclin de cette journée, dans Benarès, une rumeur de gloire et de fête étonnait le silence accoutumé des tombées du soir’ - leest men in de vertaling:

‘In-tusschen verwonderde der[...] gewone stilte van den avond-val, bij den ondergang van dezen dag, een roem en feestrumoer in Benares’.

In de plaats daarvan stelt de Heer van Hamel deze versie voor:

‘Maar, bij het vallen van dézen avond, klonk, in Benares een vaag gedruisch van glorie en feestvreugde, dat de anders zoo gewone stilte van het avonduur bevreemden moest’.

Nu zal ik, ten eerste, de volmaaktheid van mijn volzin niet bepleiten; ten tweede, niet in gedachtenwisseling komen over de gelijkwaardigheid van het enkel-woord ‘rumoer’ en ‘rumeur’. Ik ben het zelfs met den geachten opponens eens, dat op zich zelf beschouwd de woorden ‘gegons’ of ‘gedruisch’ beter met ‘rumeur’ over een komen dan het, veel sterkere, ‘rumoer’; maar toFch was hier, in verband met den geheelen toon dezer passage en in verbinding met het in den Hollandschen text onmiddellijk voorafgaande woord ‘roem’, naar het mij voorkomt, het woord ‘rumoer’ goed geplaatst.

Doch, dit is hier bíjzaak, de hóofdzaak is: de twee vertalingen van den Franschen volzin in hun geheel met den oorspronkelijken text en met elkander te vergelijken.

En ten opzichte van den lezer, die dan niet inziet dat in den, naar lagere stijlbegrippen in der daad beter gestelden, volzin door de Heer van Hamel gegeven, dit text-deel zijn meê-doende werking in den rhythme-gang van het verhaal zoowel als zijn karakter van taal-beeldhouwwerk en taal-muziekwerk geheel verloren heeft, om te verkrijgen een toonlooze

[p. 24]

explikatieve omslachtigheid, wier syntaxiëele symmetrie dat groote verlies allerminst goed-maakt, - ten opzichte van zulk een lezer moet elke poging tot ontwikkeling van het hoogere taal-gehoor wel bijna hopeloos geacht worden.

De Heer van Hamel had trouwens hun, die er even als wij beiden prijs op stellen de hier aangeroerde vraagstukken tot klaarheid gebracht te zien, nauwelijks een beteren dienst kunnen bewijzen dan door zijn eigen omzettingen voor te stellen naast de door hem gekritizeerde, zoo als hij op meerdere bladzijden van zijn opstel doet.

Mij dunkt, ik zie duidelijk de voortreffelijkheid van het stijlbegrip des Heeren van Hamel. Ik ben ervan overtuigd dat menigeen, overigens even vertrouwd met de geheimen van het Woordenboek als hij, zijn Hollandschen zinnen minder goed in elkander zou zetten. Ik zie dus de welluidendheid en andere prijselijke hoedanigheden van zijn vertaalwerk; maar tevens is het mij helder bewust dat deze voortreffelijkheid van een andere orde is, dan de eigenlijke æsthetische orde.

Na de behandeling van dit voorbeeld, zal ik nu het gevolg der dwaling van den belezen schrijver aanwijzen.

Die dwaling toch heeft den Heer van Hamel en mij in een waarlijk zonderling geding tegenover elkander gebracht.

Bij het vergelijken der texten heeft de kritiek-schrijver bespeurd, dat op verschillende plaatsen mijn vertaling niet letterlijk den Franschen text weergeeft. Wat doet nu de Heer van Hamel? Zonder de redenen na te gaan, welke mij tot afwijking van de letterlijke wedergeving konden brengen, meent hij, en beweert argeloos, dat ik mij ‘in de beteekenis der woorden’ zoude hebben ‘vergist’.

Het gaat in-der-daad te ver, hoewel de frischheid van het geval er wel eenige bekooring aan geeft - om aldus iemants deugden hem als fouten aan te rekenen.

Zeker mag men zich in de beteekenis der woorden niet vergissen; maar er is beteekenis en beteekenis, en een woord of zinswending heeft, als deel van een kunstgeheel, wel eens een andere en hoogere beteekenis dan die, welke Woordenboek en grammatica er voor aangeven.

En waar ik, op enkele plaatsen, den oorspronkelijken text niet letterlijk vertaal, is dat zeker niet om het proza van Villiers de l'Isle Adam te verbeteren, maar om dat een niet letterlijke vertaling aan de bedoelingen van

[p. 25]

dat proza zuiverder te gemoet komt dan een geheel letterlijke zou vermogen.

De Heer van Hamel kan niet in ernst meenen, dat ik zoû denken, dat het Hollandsche woord ‘wolf’ in 't Fransch ‘aurochs’ is, dat het Fransche woord ‘roseaux’ in 't Hollandsch is ‘rozestruiken’ en dat ‘enveloppement’ hetzelfde is als ‘développement’.[...]

Het woord ‘wolf’ werd gebruikt om dat alleen in 't algemeen een jager van groot wild moest worden aangeduid zonder den Hollandschen text met nog meer vreemde woorden te vullen dan er reeds noodzakelijk in moesten voorkomen.

 

[...] Zóo zoude de heer Van Hamel omtrent al de door hem in de bespreking betrokken onderdeelen der vertaling van ‘Akëdysséril’ geandwoord kunnen worden. Maar juist in de meesten der nu ook door mij behandelde onderdeelen, meen ik te hebben aangetoond, dat niet de onderdeelen de hoofdzaak zijn, maar dat de hoofdzaak gevonden wordt in het verschil van keurmiddel der taal, waarvan wij ons bedienen, in het soortelijk onderscheid tusschen het schoonheidsbesef waaraan de geachte kritikus een letterkundig werk toetst, èn dat, waaraan ik het pleeg te doen.

prepostterug  begin  verder