terug  begin  verderprepost
[p. 31]

4
De slag om Shelley - I

Alex Gutteling, ‘Boekbeoordeelingen: Shelley-vertalingen van dr. K.H. de Raaf. (Alastor, Rotterdam, W.L. & J. Brusse. De Cenci, Amsterdam, S.L.v. Looy.)’ In: De Beweging, februari 1909, pp. 228-237.

In het grote literaire gevecht tussen de twee aanvankelijke bevriende dichters van Tachtig Willem Kloos (1859-1938) en Albert Verwey (1865-1937) wordt een van de belangrijkste trofeeën gevormd door het werk van de Engelse romanticus Percy Bysshe Shelley (1792-1822). Het is geen nieuwigheid dat Shelley voor Kloos ‘de Dichter’, een heiligheid zonder weerga was, evenmin dat de Engelsman een beslissende rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van de poëzie en de poëtica der Tachtigers, maar de rol van vertalingen daarbij is tot op heden weinig belicht. De twee contrahenten in de vertaalruzie worden bijgestaan door adepten: Kloos door dr K.H. de Raaf, die Shelley als het ware speciaal voor zijn meester vertaalt; en Verwey door zijn medestanders in het tijdschrift De Beweging, Alex Gutteling en P.N. van Eyck. Verwey levert zelf van meet af aan vertalingen van Shelley, Kloos laat het in dit opzicht afweten. Beide partijen eigenen zich Shelley toe; vertalingen uit beide kampen, kritieken daarop en in het verlengde daarvan polemieken, kneden het aanbeden model sterk bij en maken tegelijk duidelijk dat het steeds minder om Shelley gaat. In feite speelt ook de discussie rond vertaalopvattingen een ondergeschikte rol, zij het dat wel degelijk geopereerd wordt met argumenten en vertaalpoëticale principes. De slag om Shelley is te documenteren met talloze opstellen; gekozen is hier voor een stuk van Gutteling uit 1909, waarin hij De Raafs vertaling van Alastor onder de loep neemt. Alastor gold in die tijd in Nederland als de meesterproef van Shelley-kunde. In 1905 is De Raaf de eerste; zijn vertaling wordt in de boekuitgave voorafgegaan door een voorrede van Kloos. Vlak na Guttelings bespreking publiceert Verwey in De Beweging zijn eigen vertaling van Alastor (1909).
[p. 32]

De arbeid van den vertaler komt in menig opzicht overeen met dien van den vertolkenden musicus. Zooals deze uit het notenschrift de ideale muziek hoort opklinken die de maker daarin heeft vastgelegd, zooals hij dit nooit volkomen bereikbare tracht weer te geven met zijn instrument, zooals de kunst van den toondichter altijd in de bizondere schakeering van den vertolker verschijnt, maar zooals toch de innigste liefde voor, en de nauwkeurigste kennis van het stuk, met een onberispelijke techniek, bij zijn werk vereischt worden; zoo poogt ook de vertaler, bekoord door de volkomen schoonheid van het oorspronkelijke gedicht met zijn taal als instrument die te benaderen, wetende, dat zijn arbeid nooit volmaakt kan zijn, dat het gedicht een nieuwe tint zal krijgen door zijn persoonlijkheid, maar ook, dat hij met nergens verflauwende genegenheid het beminnen, en het verstaan moet tot in zijn fijnste elementen, terwijl zijn technische vaardigheid voldoende behoort te zijn voor het gekozen onderwerp. Koelheid, slordigheid, en gebrek aan kunnen, zijn de drie groote gebreken die een vertaling, zoo goed als een muziekuitvoering, noodzakelijk doen mislukken. Vorm en inhoud zijn voor den vertolker van gelijk belang, want al is het waar dat een op-zichzelf schoone, doch door en door onnauwkeurige bewerking als nieuw gedicht waarde heeft, en daarom te verkiezen is boven een letterlijk-juiste, maar onartistieke, alleen bruikbaar voor wie de taal wenscht te leeren, - toch geeft enkel de in beide opzichten goede vertaling het oorspronkelijk weer, zij het dan ook met die alles-doortrekkende verandering die zelfs het zuiverste spiegelglas eigen is.

Men kan dus eischen, dat de vertaler de taal kent, en dat hij een dichter is. Want alleen een dichter kan de artistieke vereischten van poëzie voelen. Iedereen kan leeren, vijfvoetige jamben te schrijven, maar dat zijn dan nog geen verzen. Niemand geloove echter dat Dr. de Raaf daarom reeds veroordeeld is. Ik heb nooit oorspronkelijke gedichten van hem gezien, maar dat hoeft ook niet. Er zijn geboren dichters, menschen die van nature gehoor hebben voor het in woordklanken stroomende maatgezang, die toch niet een drang in zich voelden tot uitstorting, door die kunst, van eigen innerlijk leven, krachtig genoeg om iets te scheppen. In iederen kunstenaar zijn twee machten: zijn kunstgevoel en zijn ziel. Die moeten elkaar vinden: hun vereeniging pas is kunst. Maar hij, wiens ziel niet zoo buitengewoon wordt aangedaan, dat zij haar emotie in schepping wil vereeuwigen, en die het kunstgevoel toch heeft, kan misschien, door eens

[p. 33]

anders schepping, genoopt worden, die te vertolken. Zulke menschen worden virtuoos, nabootsend graveur, voordrager of vertaler. Ook zij, die wèl oorspronkelijk werk maken, komen tot zulken weer-gevenden arbeid alleen in tijdperken, wanneer hun scheppingsdrang stokt.

 

[...] Hiermee is al het goede opgenoemd. Het slechte vereischt langer bespreking.

Men houde den eersten regel van Alastor naast het oorspronkelijk:

Aarde, Oceaan, Lucht, broederen bemind,

en:

Earth, Ocean, Air, beloved brotherhood!

Dit is een letterlijke vertaling, maar zonder eenig besef van de artistieke vereischten.

Deze regel is bij Shelley van wonderbare volkomenheid. De drie aanroepingen vormen een hevige climax van geluid, die na de zeer merkbare caesuur weer daalt tot steeds breederen, dieperen klank. Het is een schitterende toonladder, waar de woorden in volle ruimte en vastheid op schrijden. Men hoeft de maatschema's maar te vergelijken, bij Shelley:

— — ∪ — | ∪ — ∪ — ∪ —

bij Dr. De Raaf:

— ∪ ∪ — — — ∪ ∪ ∪ —

om de verregaande verminking van dit vers in te zien. Voor een caesuur is bij den laatste geen plaats, of zijn regel wordt in het geheel niet meer uit te spreken. Een der broederen, de Lucht, zit op een zeer ongemakkelijke wijze in de knel tusschen twee betoonde lettergrepen.

[...] Als ik over kleinere onnauwkeurigheden wilde doorgaan, zou mijn kritiek een boekdeel kunnen vullen. Liever ga ik over tot een andere categorie van gebreken, n.l. tot een bespreking van Dr. De Raaf's taal.

[p. 34]

Ontzettend hinderlijk is zijn gebruik van vreemde woorden: de dood bespotte

Met twijflend lachje zelf zijn vreemde charmes.

In De Cenci zijn van deze smakeloosheid veel voorbeelden. Een van de grootste schoonheden van dit geweldige drama is de taal, die eenvoudig, natuurlijk, maar toch in overeenstemming met de ernst van het stuk is, zooals de verzen, hoezeer ook naderend tot het gewone spreken, nergens de hooge deugd verliezen, schoone verzen te zijn. Welk een geweldige opgave aan den vertaler! Dr. De Raaf heeft er de moeielijkheid niet van beseft, niet begrepen, dat het éénige wat dit drama schoon kon doen zijn, niettegenstaande zijn vreeselijkheid, juist die deugden waren, die bewijzen dat Shelley als een God zijn onderwerp beheerschte. Wat is verrukkelijker dan een gedicht waarin het ontzettende geheven wordt in de sfeer der Schoonheid (Sofocles, Shakespeare, Baudelaire, en ook The Cenci), maar wat afschuwelijker dan een waarin het vreeselijke zonder die wijding verschijnt? En zoo is Dr. De Raaf's vertaling geworden.

Zijn taal is dikwijls allerminst natuurlijk, en af en toe plat. Wat zegt men van dit mode-woord (bakvischjes gebruiken bij voorkeur zulke samenstellingen) in den mond van een man, die pas van de pijnbank komt: ‘die in-wreede pijnen’? Is het volgende niet die ‘al te gezochte en geleerde woordenkeus’ die Shelley in zijn inleiding voor dit onderwerp afkeurt:

 
Twee boeven ken ik,
 
Dom en onstuimig, die een menschenziel
 
En die eens worms gelijk van waarde achten,
 
En om de kleinste gril zijn zij gewoon,
 
't Eêlst leven te vertrappen of 't geringste.
 
Dees aard is gangbre koopwaar hier in Rome.
 
Zij bieden veil wat thans ons dient.

Dan vreemde woorden: alternatief, cadaver, zelf-anatomie, precedent etc. Platheden: ‘dat d'Hemel zorgt voor mij speciaal,’ ‘d'alverklikker, lucht’, waar het Engelsch luidt: ‘that Heaven has special care of me’ en

[p. 35]

‘the all-communicating air.’ Iedereen kan zien, dat de toon bij deze vertolking geheel veranderd is.

 

[...] O gij maat-strompelaar, hoe moet ik mijn keel verdraaien om deze regels als verzen te lezen? Valsche klemtonen zal ik nu nog maar buiten rekening laten, daar maken betere dichters zich nog wel eens aan schuldig.

De techniek van Dr. De Raaf heeft, èn in Alastor, èn in De Cenci, doorloopend deze eigenaardigheden: dat hij de klinkers laat ineenvloeien of hiaten gebruikt zooals het toevallig uitkomt; dat hij zijn versvoeten veel te dikwijls met een korte lettergreep verlengt, vooral voor een h, zoodat het wel schijnt alsof hij dit geen letter vindt; dat hij telkens vier- en zes- in plaats van vijfvoeten schrijft; allemaal dingen die wel eens geoorloofd kunnen zijn, mits met oordeel des onderscheids gehandeld worde. Voor wie dit niet heeft, is het beter, zich van dergelijke vrijheden te onthouden.

prepostterug  begin  verder