Willem Kloos, ‘Literaire Kroniek (Milton. - Het Paradijs Verloren I-VI. Vertaald door A. Gutteling, Wereldbibliotheek.). In: De Nieuwe Gids, 1912, jaargang 27, deel 1, pp. 684-691.
Alex Gutteling had in de discussie rond het vertalen van Shelley's Alastor partij gekozen voor Verwey en tegen Kloos (zie onder nummer 4). Als hij in 1910 overlijdt laat hij vertalingen na van Shelley's Prometheus Unbound en van Miltons Paradise Lost, die postuum verschijnen bij de Wereldbibliotheek. Kloos reageert prompt in De Nieuwe Gids. ‘Ik val dooden menschen liever niet hard,’ zegt hij, maar het zijn loze woorden. In de Milton-kritiek spreidt hij nog eens zijn poëzie-opvattingen ten toon en stelt hij voorts dat Gutteling (‘men mag dit den armen doode niet ten kwade duiden’) het ‘verstandelijk-precies-bepaalbare’ verdienstelijk heeft weergegeven, maar dat hij ‘Milton's eigenlijke schoonheid, zijn emotioneerende rhythmus-en-klank’ verloren heeft laten gaan: ‘(...) men zoekt in deze vertaling geheel en al vergeefs naar de hooggaande, zware en toch luchtige, uit de diepte van de ziel gestuwde en majestueus voortrollende rhythmenkoralen van Milton's grootmachtig koninklijk vers. Bij Gutteling liggen de gewichtig sterke woorden van het oorspronkelijke, door hun Hollandse equivalenten vervangen, als loodzware rotsblokken weinig bewegelijk naast elkander, en de magische stormkracht, die uit de ziel van den onsterflijken zanger stijgende, die gevaarten opstootte en als de baren van een oceaan voor zich uit joeg, die muzikale energie, die als het etherische jubelen der schoonheid zelve steigert, was aan den meer vlakken, redeneerenden geest van Gutteling, uit den aard der zaak, niet meegegeven, zoodat zijn vertaling in dit hooger-letterkundige opzicht een jongemansvergissing moest worden en ook gebleken is te zijn.’ (pp. 687-88) Aan de majestueus opgeblazen Milton kan de nuchter-rationele Gutteling dus niet tippen en de ‘ongestoorde vaart der golving’ wordt gebroken door ‘kunstmatige aan elkaâr plakking’ en ‘zwaargewilde aaneenrijging’. Kloos noemt nog ter adstructie twee oudere vertalingen, waarvan hij
die van Van Zanten in 1728 een ‘monument der Hollandsche verskunst’ noemt.
[...] Ja, alle literaire kunst heeft zoo volmaakt als maar mooglijk is, een volkomene elkander-dekking van willen en kunnen, m.a.w. van inhoud en vorm te zijn. Inhoud en vorm, of zooals men hen óók zou kunnen noemen: bedoeling en uitvoering zijn twee gelijkwaardige grootheden die in een waarlijk-echt, een eerste-rangs kunstwerk tezamen komen tot een onscheidbare twee-eenheid, wier beide volkomen gelijkloopende factoren volmaakt aan elkander beantwoorden, en, als het ware, elkanders spiegelbeeld zijn.
Bij alle waarlijk-natuurlijke dichters van alle tijden valt dan ook dit één-zijn van vorm-en-inhoud te bespeuren, alle conventioneele uiterlijkheden en innerlijk-leêge trararietjes zijn hun vreemd gebleven, terwijl daartegenover zelfs de allerbeste van hen, bij wie zij niet zoo zuiver wordt aangetroffen, de klassicistische dichters, de Fransche en Engelsche van de 17de en 18de eeuw, met al hun groote verdiensten, toch door hun koude bloemrijkheid en hun traditioneele stijlwendingen de hun vroeger toegekende plaats op de eerste rij niet ten volle behouden hebben, zoodat geen sterfling-van-heden nog Corneille en Aischulos, of Voltaire en Shakespeare, gelijk vroeger wel geschiedde, voor rang-gelijken houdt.
Want waren vorm en inhoud niet één in de kunst, zooals met grappige oppervlakkigheid onlangs door iemand beweerd werd, dan zou een lezer bij zijn lectuur immers telkens heel iets anders voor oogen kunnen krijgen en in zijn geest moeten voelen opkomen, dan de schrijver bedoeld had, en al kunstgenot, ja, in het algemeen, elk goed begrijpen van zijn lectuur zou dan een kwestie van willekeurig geluk en toeval zijn.
***
Wat ik hier van de Kunst zeide, moet ook geacht worden van toepassing op de vertaalkunst te wezen, indien men dan n.l. onder inhoud verstaat het oorspronkelijke werk, en onder vorm de vertaling ervan.
Want zooals de dichter precies afbeeldt, tot, in de kleinste bijzonderheden, wat zijn onbewustheid omhoogwerpt, zoo heeft de vertaler ook
lijn voor lijn, haarfijn te volgen wat de schrijver van het oorspronkelijke werk op het papier had gebracht.
Doch haarfijn en haarfijn, vooral in de vertaling van een dichtwerk, kan nog twee zijn, omdat het zoowel op de ‘gedachte’, waaronder ik hier óók versta: zinsviendingen, beeldspraak en al het overige van den inhoud, als op het essentieelst-dichterlijke, de muzikale woordbeweging betrokken worden kan.
Beschouwt men op deze, juist-onderscheidende wijze, de vertaling die nu wijlen de ijverige en nauwgezette Gutteling van Milton's Paradise Lost gaf, dan moet men onomwonden erkennen, dat bij het eerste gedeelte van zijn taak, n.l. het weergeven van het verstandelijk-precies-bepaalbare, m.a.w. het in Hollandsche woorden overbrengen van den feitelijken inhoud, verdienstelijk heeft volbracht.
Zoover als een, in den grond, verstandelijke natuur, dus van slechts matigen dichterlijken aanleg, het brengen kan, indien hij het, wilskrachtig ondernemen gaat, om wat een der allergrootste Engelsche dichters prachtig-breed en toch krachtig-fijn gezongen heeft, in zijn eigen taal en met de hem ten dienste staande middelen te herhalen, zoover is ook Gutteling weten tekomen, en men mag hem dan ook geenszins den lof onthouden, dat hij, naar de mate zijner vermogens, heeft gewerkt zolang het dag was, en, zoo, met prijzenswaardige volharding, van Milton's eerste zes boeken een overzetting heeft vervaardigd die nu kan dienst doen als een uitstekend hulpmiddel voor ieder wiens 's dichters eigen tekst te moeilijk lijken mocht.
Praktisch is deze vertaling dus zeer bruikbaar, en al wordt er van Milton's eigenlijke schoonheid, zijn emotioneerende rhythmus-en-klank, maar uiterst weinig in Gutteling's nadichting teruggevonden, men mag dit den armen doode niet ten kwade duiden, want hij kende natuurlijk die woorden wel, in verband met de dichtkunst, maar blijkens zijn eigen voortbrengselen - oorspronkelijke zoowel als vertaalde - wist hij, want voelde hij, van de zaak zelve niet zoo heel veel.
Neen, het mag niet ontkend worden, terwille van 's grooten dichters gedachtenis bij onze landgenooten, niet: men zoekt in deze vertaling geheel en al vergeefs naar de hooggaande, zware en toch luchtige, uit de diepte van zijn ziel gestuwde en majestueus voortrollende rhythmenkoralen van Milton's grootmachtig, koninklijk vers. Bij Gutteling liggen de gewichtige sterke woorden van het oorspronkelijke, door hun Holland-
sche equivalenten vervangen, als loodzware rotsblokken weinig bewegelijk naast elkander, en de magische stormkracht, die uit de ziel van den onsterflijken zanger stijgende, die gevaarten opstootte en als de baren van een oceaan voor zich uit joeg, die muzikale energie, die als het etherische jubelen der schoonheid zelve steigert, was aan den meer vlakken, redeneerenden geest van Gutteling, uit den aard der zaak, niet meegegeven, zoodat zijn vertaling in dit hooger-letterkundige opzicht een jongemansvergissing moest worden en ook gebleken is te zijn. En zoo komt het, dat, terwijl men door Milton zelf in ademloos bewondren wordt meegesleept, Gutteling's nadichting, in aesthetisch opzicht weinig-treffend, alleen als na-sla-boek, bij de zakelijke bestudeering van Milton's Schepping goede diensten bewijzen kan.
[...] Slotsom: deze uitgave der W.B. is weer, zooals gewoonlijk, een nuttige, want ieder kan nu gemakkelijk te weten komen wat Milton eigenlijk zegt: maar zeker zou de ongelukkige, zieke Gutteling wijzer gedaan hebben, indien hij van een vertolking in verzen had afgezien. Daar zijn andere capaciteiten voor noodig, dan die de zijne waren, en hij zou Milton waarschijnlijk meer nabij gekomen zijn, als hij, een beetje minder eerzuchtig, zijn vertaling in krachtig proza had gezet.