Albert Verwey, ‘Inleiding’, in: Dante Alighieri, De goddelijke komedie (vertaling in terzinen door Albert Verwey). Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zn., 1923, pp. v-xv.
In 1923 verschijnt bij uitgeverij Tjeenk Willink te Haarlem een uitgave van Albert Verweys vertaling van de Divina Commedia van Dante. Verwey heeft een kleine twee jaar aan de vertaling gewerkt. Als dichter was hij op dat moment al min of meer in de marge van de Nederlandse literatuur terechtgekomen, zeker nadat in 1919 zijn tijdschrift De Beweging ophield te verschijnen. Paul Cronheim (vertaler van Verweys gedichten in het Duits) schreef, in het speciale nummer van De Stem dat in 1937 bij Verweys overlijden werd uitgegeven, met veel gevoel voor dramatiek over de omstandigheden waaronder de vertaling werd gemaakt: ‘Persoonlijk leed, het verlangen naar iets dat hem volledig opeischte, bracht hem er nochtans toe, dit werk te beproeven. Gedurende de jaren 1922-1923, tijdens de koudste winter, die hij ooit had meegemaakt, vastgeklonken aan zijn schrijftafel en in een kamer, die nauwelijks te verwarmen was, in de vroege ochtend beginnend en 's nachts nog vertalende, voltooide hij in één vóórtstuwenden scheppingsdrang het werk [...]’.
Verwey's Goddelijke Komedie was de negende in de rij integrale vertalingen van Dante's magnum opus, maar was de eerste gepubliceerde vertaling waarin gekozen werd voor het navolgen van de uitsluitend vrouwelijke rijmen van het origineel. Uit zijn correspondentie blijkt dat Verwey zelf erg ingenomen was met het resultaat.
Vertalen is een vorm van lezen. Zoodra men het in vreemde taal geschrevene zoo indringend leest dat men niet laten kan het na te zeggen in de eigene, is er de vertaling. Dichters lezen zoo gedichten. Zij kunnen niet rusten voor zij het beminde gedicht hebben omgelezen tot een gedicht in hun moedertaal.
Levenslang heb ik niet geloofd dat een dergelijke lezing van de Commedia mogelijk was. Wie zou, die italjaansche verzen omzettend in eigene, ook maar hun eerste kenmerk kunnen behouden: hun verbluffende rijmenrijkdom? Want de Commedia is, vóór al het andere, een rijmgedicht. Het laatste woord in iedere regel - de eerste en de laatste van iedere zang uitgezonderd - wordt niet eens, maar tweemaal weerkaatst. En al die rijmen zijn tweelettergrepig. Het nederlandsch is van zulke niet misdeeld. Anders dan het engelsch - waarin dan ook een vertaling van de Commedia naar haar ware karakter niet beproefd kan worden - bezit het er een groot aantal van. Meer dan het fransch en niet veel minder dan het duitsch. Maar in vergelijking met het italjaansch zijn het er weinig. Zou de kans niet groot zijn dat, wanneer men een deel van het werk had overgezet, de voorraad te pover bleek, men zich al te vaak zou moeten herhalen, men uit pure verveling steken bleef? Zoolang ik met de Inferno bezig was, heeft die vraag me geen rust gelaten. Bij het begin van iedere zang was ik bezorgd. Nog op het eind van de laatste was ik benieuwd of nergens het rijm zou haperen.
Intusschen was gedurende de weken dat ik zoo arbeidde - ik deed het acht weken dag aan dag, dag en nacht mag ik haast zeggen - mijn sterkste gevoel verwondering. Waar in Engeland vanwege het rijm, in Frankrijk vanwege het daar weinig gekweekte vers waarin de Commedia geschreven is (het vers van elf, of tien, syllaben), een eigenlijke vertaling van het gedicht niet ondernomen werd en in Duitschland en Nederland de vertalingen in terzinen met vrouwelijke eindrijmen zeldzaam zijn, kon ik aan het schaarsche werk van mijn voorgangers gemakkelijk de moeielijkheid van mijn waagstuk afmeten. Er was bij dat werk, voorzoover het volledig was, niets dat mij bevredigde. Voortreffelijk vond ik alleen de brokstukken van Stefan George. Maar niet alleen dat deze dichter slechts fragmenten vertolkte, in een Voorbericht had hij tevens te kennen gegeven dat hij een volledige omvorming van de Goddelijke Komedie voor nauwelijks doenlijk hield.
Wanneer dit de meening was van de beste duitsche Dante-vertaler, van de eenige inderdaad die de schoonheid van de Commedia, van gedeelten tenminste, bij benadering had weergegeven, was het dan geen dwaasheid te gelooven dat een nederlandsche vertolking van al was het maar de heele Inferno mogelijk zou zijn?
Toch kon ik mij niet zetten tot het overbrengen van brokstukken. Ik had Dante altijd gezien als bouwmeester. Hoe schoon zijn tafreelen, afzonderlijk beschouwd, ook waren, ik voelde dat zij in die afzonderlijkheid iets misten, dat zij zóó gezien niet vertoonden wat voor hun maker de hoofdzaak was.
[...] Want indien het waar was - en dat was immers zeker - dat Dante's heele werk uit één gevoel, uit één conceptie was voortgekomen, dan moest de innigste toon van het gedicht dáár zijn waar dat gevoel, waar het besef van die conceptie tot één al het andere uitsluitende doorbraak kwam, waar het van zijn dichten de inhoud, het onderwerp van zijn verbeelding werd.
Al bladerend bleef ik staan bij de 27ste zang van het Vagevuur. Het was nog geen inzicht. Het was de ontdekking dat sterker dan eenige andere toon in de Commedia, de aanhef van deze zang me in trilling bracht. Een ontdekking van het oor, want de zin zelf van die aanhef verraadt niets opmerkelijks. Hij is niet gemakkelijk verstaanbaar. Hij bevat een van Dante's mythologisch-kosmografische tijdsbepalingen, die men niet zonder nadere toelichting begrijpen kan. Ook zijn de woorden niet zóó dat iemand ze zich ter opzettelijke vertaling zou uitzoeken. Maar ik dacht niet aan opzettelijke vertaling. Ik was geboeid door de toon van die verzen - hun klank en hun beweging - die een soort ademlooze stilstand uitdrukt, gevolgd door een veelzeggende verandering. Gewijde stilte - stilte van hoogste wijding - en daarna plotseling een oprichten, dat de wijding niet breekt, maar haar versterkt.
Die wijding is er, bij nader inzien, niet enkel in de toon; ook in de woorden: eerst het naderen van de avond, dan de verschijning van de engel; maar een dergelijke verschijning komt vaak voor in 't Purgatorio. De zaak is juist dat ze zich hier nadrukkelijker, grooter, opener dan elders aanmeldt, alsof ze de verwachting van een beslissende gebeurtenis in zich draagt.
Vroeger had ik mij nooit zoo verdiept in die verzen. Ik las ze nu telkens en telkens. Ik herlas de heele zang en ik begon tusschen die aanhef en zijn verdere inhoud een verband te zien dat ik nog niet kende.
Dit was het lezen waarvan ik sprak: het lezen dat vanzelf vertalen wordt.
[...] Hoeveel zou ik al niet van de Commedia bezitten, dacht ik, als ik naast deze 27ste zang van het Purgatorio, die tweede zang bezat, waarin
Vergilius zijn opdracht aan Dante mededeelt. Tusschen die twee liggen Hel en Vagevuur, en aan het einde de verwachting van het Paradijs. De gedachte was aanlokkelijk genoeg om me die zang te doen vertalen, en ook de eerste, als Inleiding.
Dat daarop een vertaling van verdere zangen moest volgen was begrijpelijk. Enerzijds dreef me de behoefte mijn lezing voort te zetten. Anderzijds bleef het boven op de Louteringsberg gewonnen inzicht nawerken.
Nergens zoozeer als in de Hel is Dante de dichter van de lichamelijkheid. Hij bouwt er zijn lokaliteiten, hij teekent er zijn gestalten in al hun mogelijke en onmogelijke houdingen; hij vindt altijd het juiste woord voor de kenmerkendste bizonderheid. Van het eerste tot het laatste behoudt zijn vers er als grondtoon de deernis, die voor een geest als de zijne het wezenlijke is in zijn verhouding tot de werkelijkheid. Dit karakter trok me voort, dwong me te letten, niet op zijn woorden, maar op zijn verbeeldingen. Wat hij zag, zag ik mee en zocht het weer te geven in nederlandsche terzinen. Het is verwonderlijk hoe, bij zulk een opzet, het taalwoud dat in ons is, begint te ruischen, te schemeren, te glanzen, zich te ontplooien. Telkens weer was ik verbaasd over de mogelijkheden van het hollandsche rijmgedicht. Dat wedijver met het italjaansche niet mogelijk is, wist ik wel. Zooveel sonore uitgangen zijn daar, terwijl de onze bijna alle dof klinken. Maar des ondanks, ik ervoer het, kan ons rijmgedicht boeiend zijn. Of ook soms ongewone rijmen meekwamen, welnu, Dante heeft er ook, en wat maakt het uit, waar in de natuurlijke taal waarin ik zijn verbeeldingen trachtte te volgen, zooveel ongezochte vondsten mijn voorraad vergrootten.
Een vertaling is natuurlijk geen oorspronkelijk. Een vertaling leeft altijd van de taal van de vertaler. Ze heeft hoogstens de deugden van zijn taal, van zijn vers, van zijn klank, van zijn verbeeldingskracht. Hij heeft enkel te zorgen dat ze die deugden dan ook heeft.
Zoo denkend, zoo doend, vertaalde ik zang na zang; bij elk vers bereid mijn pen neer te leggen als ze haperde, maar telkens weer over de moeilijkheden heengedragen door lust aan het werk en uitzicht op wat nog komen kon.
[...] Terwijl ik, de Hel berijmend, wist dat ik Dante minder moest volgen in zijn woorden dan in zijn zien van lichamen, voelde ik, het Paradijs overbrengend, dat ik hem enkel volgen moest in zijn geestesbeweging, in het leven van zijn innerlijke zin.
[...] De Commedia, moet geheel als gedicht worden gelezen, en niet als verhandeling. Of wij Dante's toespelingen op menschen en toestanden van zijn tijd niet meer begrijpen, van mythologie en oude geschiedenis minder kennis hebben dan hij aanneemt, en niet zonder kaarten een duidelijk begrip krijgen van zijn wereldstelsel, het heeft bijkomstige beteekenis, maar raakt het wezen niet. Het wezen is de poëzie die ik in haar drie aspekten: lichamelijkheid, geestelijkheid en de tusschen die beiden gelegene reflectie, getracht heb uit te drukken.
Aanteekeningen heb ik daarom niet toegevoegd: men vindt ze achter tal van uitgaven en in tal van handboeken.