terug  begin  verderprepost
[p. 80]

12
De Dante van Verwey - III: Molkenboer

B.H. Molkenboer O.P., ‘Verwey's Dantevertaling’, in: De Beiaard, 10e jaargang, deel 1, 1925, pp. 5-24.

Als volbloed dominicaan en Dante-kenner lijkt B.H. Molkenboer welhaast gepredestineerd om het met Verweys vertaling van de Divina Commedia oneens te zijn. In het katholieke tijdschrift voor cultuur De Beiaard formuleert hij zijn mening. Ook hier gaan respect voor de figuur van Verwey en heftige bezwaren tegen zijn behandeling van Dante hand in hand. Bij Molkenboer speelt daar ook nog de opvatting van vertalen als een primair reproductieve bezigheid doorheen.

[...] 't Gaat eenmaal niet, ten minste bij de Commedia, de vertaling volkomen van 't oorspronkelijk los te denken. Stellig ‘leeft een vertaling altijd van de taal van de vertaler’ zooals Verwey in zijn inleiding [...] zegt, maar die taal van den vertaler zuigt haar levenssappen uit het origineel, spant en buigt zich naar de eischen van 't origineel, en zonder naar dat model, waaraan de oogen van den nabeeldenden vertaler noodzakelijk vastzitten, terug te zien, zal menige wending en menig woord onwettig of onverstaanbaar schijnen, wijl achter elke pennestreek niet alleen de gehoorzame vertaler, maar veel meer nog de gebiedende dichter zit. Want hij die een werk als de Divina Commedia vertaalt, zal in eerste instantie wel minder bedoelen (de lezer mag die bedoeling althans veronderstellen) een eigen kunstwerk te geven dan een benaderende, zoo trouw mogelijke weergave van Dante's werk - mèt de sensaties en stemmingen, welke dit in hem, den vertaler, gewekt heeft. Hij geeft dus den ander door zich zelf heen, niet zich zelf door den ander heen. Ik lees een vertaling van de Divina Commedia niet primair om den vertaler, maar om de Divina Commedia en om Dante, al kan ik de vertaling niet lezen zonder met den dichter zijn tolk te ontmoeten, en al kan ik vanzelf den tolk ook als taalkundige en als dichter beluisteren, maar dat is buiten de

[p. 81]

direkte bedoeling van de vertaling om. De vertaler blijft sekundair. Hij vertaalt. Geeft dus het werk van een ander en dit werk blijft de hoofdzaak.

 

Al mag dan vertalen een ‘vorm van lezen’ heeten, zooals Verwey zegt [...], en het indringend lezen van een vreemd gedicht een dichter drijven om het na te zeggen in eigen taal, de studieuze lezer van de vertaling blijft voortdurend den prikkel voelen om van de vertaling naar het oorspronkelijk terug te gaan: een regel, welke uitzonderingen mag hebben bij overzettingen van minder karakteristiek werk, maar die bij de Divina Commedia sterk gevoeld wordt. De kennismaking met hoe het werd kan immers maar half voldoen, als we niet weten, hoe het was. Daarom blijft het origineel doorloopend de toetssteen van de reproduktie, die als kenmiddel van het origineel een dienend en afhankelijk karakter heeft. De criticus zal dus ernstig hebben na te gaan, in hoever de lezers - vooral die de taal van 't oorspronkelijk niet verstaan - door de vertaling in staat worden gesteld, om niet alleen den inhoud, maar ook den geest van het hoofdwerk te leeren kennen.

[...] Ziehier wel de juiste houding van den vertalenden kunstenaar: terwijl de liefde hem dreef, hield de eerbied hem bedachtzaam. Met het vast gehanteerd houweel van zijn sterk woordvermogen heeft hij zich als een geschoold jager omzichtig en gretig een weg gekapt door de ‘woeste en stekelige gouwen’ van het Danteske taalwoud. We voelen dadelijk, dat hier een artist aan het woord is, een kunstenaar, wiens taalkracht zijn artisticiteit ondersteunt en omgekeerd. Met de Italiaansche muziek van Dante voor zich, speelt Verwey zijn visies op de kleurig gevarieerde registers van het Hollandsch klavier.

[...] Maar Verwey, die blijkbaar geen studie verzuimd heeft, om den alles behalve nabijliggenden zin dezer hooggedragen terzinen van ‘Dantes Theologus’ klaar te vatten, vertaalt ze, eenige vrijheden daargelaten, niet alleen zonder begripsfouten, maar ook vlot en fraai. Het volgen van zijn verrassende vondsten geeft het beeld van een steekspel, waarbij de vast en rustig zittende schildknaap Verwey zijn paard tot de lenigste wendingen noopt, om de meest onverwachte grepen van de ridder Dante zonder schade of schande te pareeren. In zuke toernooien blijkt, hoe meesterlijk onze nieuwste Commedia-berijmer zich op den filologischen wapenhandel verstaat; geen woord hoe ongewoon, hoe ‘ondichterlijk’ misschien, dat geslepen en gepoetst niet gebruiken kan,

[p. 82]

en terwijl hij zijn rijke rijmen zich in klinkende, kleurige schakeering aaneenschakelen, treft ons telkens z'n materiaal, goud van Dante's verhevenheid of lood uit ons eigen plat, maar in dit bewegelijke Hollandsch als in een modern intersia harmonisch verwerkt.

 

[...] Toch lijkt mij de vraag, of onze literatuur in deze Goddelijke Komedie haar ‘klassieke’ representant van Dante's wereldwerk heeft gewonnen, sterk betwistbaar. Het staat inderdaad te bezien, of deze arbeid, die zoo doorloopend met 't meest levende Hollandsch gevoed wordt, (alével, derrie, flater, pennen (schrijven), tieten (tepels) zijn maar een paar staaltjes!) van evenredige beteekenis zal wezen voor onze taalverrijking.

 

[...] Wat, onzen eerbied voor deze merkwaardige rijmakrobatiek in 't midden latend, toch de gevolgtrekking aanlokkelijk maakt, dat eigenlijk zóó'n bewerking in onze taal een onding is. Ten minste, wanneer we bedoelen de vizioenen weer te geven, die Dante zag en zong. Een rijmlooze rhythmische vertaling als van den Gezelle-leerling Bernard Haghebaert blijft voor mij honderd maal verkieslijker. Het rijm, zelfs door een virtuoos als Verwey gehanteerd, dwingt zóo doorloopend tot benaderingen, omschrijvingen, uitvluchtjes en onjuisheden, verzwaart bovendien door vreemde vormen het verstaan van de altijd moeilijke Commedia zóo sterk, dat ik het tegen de kennismaking met Dante en de bewondering voor Dante haast een remedie vind. Het moeten buitengewone hersens zijn, die ook maar één deel dezer vertaling zóo ten einde lezen, dat ze den dichter overal hebben begrepen.[...]

Nu zeg ik niet, dat Verwey eer zich zelf dan Dante heeft gezocht, [...] maar het gevoel van een soort demonstratie, dat hij als taalkampioen zelfs Dante niet duchtte, kom ik moeilijk te boven. [...]

Is mijn vermoeden van Verwey's Ikarische neigingen juist, en door de heele bewerking die vrij cerebraal blijft, voel ik het allerminst verzwakt: dan deinst de Commedia naar het tweede plan, met een tendenz als nuchter materiaal geëxploiteerd, maar op de onloochenbare vers- en taaltechniek van den strevenden traduttore valt meteen alle nadruk. Niet Dante, maar de heer Verwey wordt zoodoende de hoofdzaak. Het ‘onorate l'altissimo poeta’, door Dante op Virgilius, door 't nageslacht op Dante toegepast, krijgt van onzen modernen Parnasbewoner een derde

[p. 83]

richting, en zeer zeker blijft het de moeite waard, dezen arbeid van den vergrijsden, nog altijd werkzamen Tachtiger als een hoogtepunt van zijn literaire evolutie te betrachten. Vooral nu de Leidsche hoogleeraarsbenoeming deze vertaling voor de waardeering van den dichter-professor een nieuw belang gaf. Zijn studieuze handhaving van het ingewikkelde, maar inspireerende rijm en de eigengewilde dwang, om pregnante gedachtenreeksen in strenge, harmonische vormen te binden hebben als praktisch vermaan van den ervaren vakman tegen de vervlakking van hersenloos, rijmloos en mateloos gedichtsel de beteekenis, dat ze naar de oude geheide begrippen van ‘poëzie en arbeid’ terugwijzen. Al kunnen we allerminst over elk resultaat van een moeizame techniek in verrukking vliegen en al bevredigt met name Verwey's regelmatige vertaling niet overal, uit niets is tot nog toe gebleken, dat de kunst der poëzie er zonder wetten, rijm en rythme fortuinlijker aan toe is dan mét die wetten. [...]

prepostterug  begin  verder