terug  begin  verderprepost
[p. 100]

15
Dichterlijkheid en letterlijkheid

J.C. Bloem, ‘De moeilijkste aller kunsten: verzen vertalen’, in: Den Gulden Winckel, 1931, pp. 139-146.

J.C. Bloem (1887-1966) staat bekend als de dichter van een klein oeuvre. Vertaling nam in dat oeuvre een kleine rol in, want ook als criticus en vertaler was zijn productie niet groot. In zijn Verzamelde Gedichten zijn vertalingen opgenomen van een aantal lyrische gedichten van de Engelse romantische dichter William Wordsworth en van losse gedichten van Robert Frost, Leigh Hunt en Thomas Hardy. Als broodwerk vertaalde hij ook enige romans. Onderstaande bespreking van de vertaling door Anthonie Donker van Coleridge's The Rime of the Ancient Mariner is een van de twee teksten waarin Bloem zijn poëticale opvattingen over vertalen uit. Het stuk laat zich lezen als een representatie van het standaarddiscours over poëzievertalen uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

De eischen, waaraan een vertaling van gedichten moet voldoen, zijn even gemakkelijk te stellen als eraan te voldoen moeilijk is. Het zijn er twee: dichterlijkheid en letterlijkheid. Van deze twee mag en moet de eerste onvoorwaardelijk worden gehandhaafd, de tweede binnen de grenzen van het mogelijke, maar dan ook tot de uiterste grenzen daarvan. Men is nu eenmaal gebonden door de onvernietigbare verschillen van de taal waarin, met die waaruit vertaald wordt, soms, bijv. bij vertalingen uit het Fransch, ook nog door die tusschen de twee metrieken. De vertaler zal dus altijd water bij zijn, of liever bij des oorspronkelijken dichters, wijn moeten doen. Hij moet echter zorgen, er zoo weinig mogelijk bij te doen. Hij moet bovenal niet, als het ook maar eenigszins te vermijden is, aan het versnijen gaan met zijn eigen wijn.

Hoe ontzaglijk moeilijk het vertalen van gedichten is - ik geloof dat men zelf dichter moet zijn of geweest zijn, om dit geheel op de juiste waarde te schatten en dus ook om een geslaagde vertaling geheel de eer te

[p. 101]

geven, die haar toekomt. Maar ook de leek kan er zich eenig denkbeeld van vormen. Hij ga er maar eens voor zitten en trachte, vier willekeurige, mits rijmende, regels poëzie uit een vreemde taal in de zijne over te brengen. Hij mag er dan gerust rekening mee houden, dat een ‘beroepsdichter’ - om met Ter Braak te spreken - natuurlijk veel handiger is in het routinewerk der poëzie. Maar hij zal dan tevens merken, van hoe weinig beteekenis die licht voor argeloozen zoo indrukwekkend schijnende virtuositeit (zooals bijv. in ‘Uitvaart’ en vele andere verzen van Bilderdijk ontplooid wordt) is. Men komt er niet veel verder mee dan met het destijds door Braga zoo bespotte, au fond echter niet zoozeer belachelijke, als wel weinig nuttige Rijmwoordenboek van Witsen Geysbeek. Er zijn trouwens tal van leeken, dit bewijzen jaarlijks vele sinterklaasversjes, die bij de ‘beroepsdichters’ op het stuk der simpele techniek in geen enkel opzicht achterstaan. Gesteld nu, dat zulk een vaardig personnage zich ging zetten tot de vertaling der bovengenoemde vier regels, dan zou hij onmiddellijk tot de conclusie komen, waartoe de vertalende dichter aanvankelijk ook komt: dat vertalen is het naleggen van een legkaart met stukjes, waarvan er bijna niet een heelemaal past.

Nu komt den dichter echter iets te hulp, n.l. dat hij een dichter is. D.w.z. dit kàn hem te hulp komen. Het kan hem, zooals het bij zijn eigen werk misschien ook wel eens gebeurt, ook in den steek laten. Komt het hem echter te hulp, dan bestaat althans de mogelijkheid van een geslaagde vertaling. Hiermee is gezegd wat vertalen van gedichten is: herdichten, gebonden scheppen. Het behoeft geen betoog, dat dit oneindig veel moeilijker is dan het dichten, het vrije scheppen zelf. Het ware paradoxaal te zeggen, dat een vertaling boven een oorspronkelijk gedicht staat: kunst is nu eenmaal nog iets meer dan kunnen, maar het staat vast, dat in zekeren zin een volkomen geslaagde vertaling een grooter praestatie is dan een volkomen geslaagd gedicht zelf. Want voor het maken van zoo'n vertaling is iets oneindig hoogers noodig dan het beheerschen van de techniek in engeren zin, die met oefening en handboeken te leeren is. Er is, voor den dichter allicht weer meer dan voor den niet-dichter, iets zéér bewonderenswaardig in het aanschouwen van die volmaakte alchemie, die de woorden vernietigt en herschept en middelerwijl de gestalte van het geheele dichtwerk onaangetast laat. Een vertaald gedicht is een Phoenix, voor wiens brandstapel de beste eigenschappen van een dichter noodig zijn.

[p. 102]

Ik geloof niet, dat er volmaakter vertaler bestaat dan Stefan George. Dat zijn vertalingen van Shakespeare, van Dante en van Baudelaire ooit zouden worden overtroffen - ik kan mij dit niet indenken. Maar wij hebben ten onzent ook een vertaler, die hem dicht nadert en althans eenmaal gelijk is gekomen. Ik bedoel Boutens in het algemeen en dan speciaal in de vertaling, die hij van Rossetti's gedicht The portrait heeft gemaakt. Deze vertaling is gewoonweg een wonder. Zij heeft al dadelijk deze meestzeggende eigenschap: dat zij als vanzelf lijkt, dat het ondenkbaar lijkt, dat zij anders had kunnen zijn, zoo schijnt alles natuurlijk gekomen en precies wat het wezen moet. Zij volgt volkomen bouw, rhythme en rijmplan van het oorspronkelijke, zij is bijna letterlijk en tevens doet zij dit schijnbaar moeiteloos en zonder dwang, geheel met de allure van een oorspronkelijk gedicht. En neemt men eens de - hoezeer loonende! - moeite, vertaling en oorspronkelijk naast elkaar te lezen, dan stijgt bij elke strofe de verbazing, hoe het mogelijk is geweest, dat Boutens tegelijk zoo letterlijk en zoo natuurlijk, zoo getrouw en zoo schijnbaar vrij heeft kunnen zijn.

 

‘Het portret’ is in het oeuvre als vertaler zelfs van Boutens een hoogtepunt en het ware dus onbillijk, van iedere vertaling te vergen, dat zij aan zoo hooge eischen zou beantwoorden. Toch zullen de eischen, die ik aan het begin van dit artikel als geldend voor elke vertaling van gedichten aangaf, n.l. dichterlijkheid en de uiterst-mogelijke letterlijkheid, zij het in een niet zóó volstrekten graad, moeten worden gehandhaafd.

Voldoet de vertaling, die Donker van Coleridge's overberoemde ballade heeft gemaakt, nu hieraan? Mijn eerste indruk, uit een vluchtige lezing in het tijdschrift, waarin de Ballade van den oud-matroos verschenen is, gekregen, was bepaald gunstig; bij de rustige herlezing, met den Engelschen tekst erbij, van die vertaling, heeft deze zich maar zeer gedeeltelijk gehandhaafd. De reden, zoowel van het een als van het ander, is begrijpelijk. Donker heeft aan den eisch der dichterlijkheid - deze eigenschap merkt men dadelijk, ook bij nog zeer vluchtig inzien, aan den ‘toon’ van het gedicht - in vrij behoorlijke mate voldaan, maar is in dien der letterlijkheid keer vaak schromelijk te kort geschoten. Dit is hem des te meer aan te rekenen, aangezien het dikwijls, juist in een gedicht van een zoo lossen vorm en rijmschema als de Ancient Mariner, met wat meer inspanning te vermijden en dus onnoodig was. En wat ik nog veel erger vind is,

[p. 103]

dat hij zich niet ontzien heeft, het gedicht op tal van plaatsen te ‘vermooien’, hetgeen een blijk èn van gemis aan eerbied voor den dichter, èn van zelfoverschatting is. Om deze gispingen volledig waar te maken zou ik natuurlijk de beide teksten, de Engelsche en Nederlandsche, naast elkaar moeten laten afdrukken met mijn aanmerkingen eronder, hetgeen evenzeer onmogelijk als vervelend zou zijn. Ik moet den lezer verzoeken, mij hetzij op mijn woord en uit de kracht van de straks te geven citaten te gelooven, hetzij - en dit ware mij wel zoo lief - de moeite te nemen, mijn opmerkingen aan de vergelijking van beide teksten te toetsen.

 

[...] Als gezegd, ik meen het wat de detailleerende kritiek betreft hierbij te moeten laten, hoewel ik de voorbeelden met het grootste gemak zou kunnen vertienvoudigen. Ik heb echter een aangenamer opmerking pour la bonne bouche bewaard. Dat is n.l. deze: dat Donker's vertaling, hoewel ik bijna tegen geen strofe geen bezwaren, en deze meestal zeer ernstige, heb, toch - ik heb het in het begin al terloops gezegd - één, maar een groot, voordeel heeft. Niettegenstaande haar verregaande slordigheid en vrijheid merkt men, dat het de vertaling van een dichter is. Hoe zou het ook haast anders kunnen? Het lijkt mij dan ook geenszins onmogelijk, dat deze vertaling, indien zij door Donker nog eens ernstig en over de geheele linie ingrijpend werd herzien, de basis zou kunnen vormen voor een werkelijk goede vertaling van Coleridge's meesterwerk. Het zou voor den vertaler een zeer zware taak zijn, maar ten slotte een waardige, en die bij welslagen een blijvende vermeerdering van ons literair bezit zou beteekenen.

prepostterug  begin  verder