|
|
|
| |
| | | |
16 Vestdijk over vertaalde gedichten
Simon Vestdijk, ‘Poëtisch Maandbericht: Over
vertaalde gedichtena’, in: Groot-Nederland, I, 1937, pp. 76-79.
Het tijdschrift Groot Nederland besteedde vaak
aandacht aan buitenlandse literatuur en soms werd er ook ingegaan op de
vertaling ervan. Simon Vestdijk (1898-1971), die zich sinds een jaar of vijf
geheel wijdde aan de literatuur, romans en essays schreef en zo nu en dan ook
vertaalde, publiceerde er in 1937 een belangwekkend stuk over het vertalen van
gedichten. Hij koppelt zijn uitspraken daarin meteen aan het peil van de
Nederlandse poëzie, dat hij hoog acht en dat daarom, zeker in
vergelijking met het proza, minder behoefte aan vertalingen zou hebben. Vestdijk
betoont zich echter een kenner door meteen die dichters te noemen van wie op dat
moment nauwelijks vertalingen beschikbaar waren. Vestdijks essay is met name
interessant waar hij ingaat op de eisen die men aan een vertaling volgens hem
moet stellen: dat leidt er bij hem toe een driedeling voor te stellen tussen een
correcte, een goede en een persoonlijke vertaling. In dit essay is de bekende
uitspraak te vinden dat vertalen ‘een diplomatieke scholing is zonder
weerga’.
Aan de wereldpoëzie heeft de Nederlandsche literatuur minder behoefte
dan aan het wereldproza, al kan men zich dan ook ter eigen perfectioneering niet
genoeg aan anderen spiegelen op íeder gebied. Maar waar vooral de
groote moderne prosateurs, als Proust, Kafka, Joyce, Powys e.v.a., hier in
Holland nog terra incognita zijn, wél gelezen worden, maar
géen merkbaren invloed uitoefenen op het peil der productie, daar is
wat de poëzie betreft ons land verzadigd door een geheele cultuur,
oververzadigd misschien. Sinds '80 bereiken wij in de poëzie
doorloopend ‘Europeesch peil’, in een genre derhalve, dat
veel minder vertalingskansen oplevert dan het proza, zoodat vrijwel alleen de
producenten zelve in staat zijn dit | | | | peil te beoordeelen, met
eenige stelligheid overigens, - en dan: aangaande ons proza, onze romans, hoort
men zulke zelfverzekerde klanken niet of nauwelijks, wat als indirect bewijs kan
gelden....
Ondanks deze geschooldheid, deze uiteindelijke emancipatie van de
‘meesters’ zelfs, blijft een voortgezet alzijdig contact
met de wereldliteratuur van nut voor onze dichters, met name voor de jongeren
onder hen. Onder dit gezichtspunt acht ik de magistrale verzameling vertalingen
van Johan de Molenaar, die een schier onafzienbare serie raakpunten behelst van
onze poëzie met de buitenlandsche, vooral geslaagd als stimulans om
de kennismaking met de laatste te hernieuwen. Men vindt hier niet alleen
‘alle’ Nederlandsche dichters vertegenwoordigd met een
scherpe keuze uit hun beste vertaalwerk, men vindt hier ook vrijwel alle
buitenlandsche dichters van importantie, een illustere schare die zich machtig
verbreedt naar den tegenwoordigen tijd toe en waarschijnlijk slechts leemten
vertoont (Blake, Whitman, Mallarmé, Rimbaud, Jammes b.v.), omdat onze
dichters nu eenmaal niet ál hun tijd aan vertalen kunnen geven en dit
boek niet meer dan 240 bladzijden telt. Ten overvloede kan men aannemen, dat van
de oorspronkelijke dichters nooit de slechtste voortbrengselen gekozen werden
door de vertalers, toen ze hun werk schreven én, later, toen ze het
instuurden. Tot zekere hoogte vervangt deze anthologie een andersoortige
anthologie, die reeds jaren tot mijn stille desiderata behoort: een
representatieve bloemlezing van ‘de’ beste
poëzie van de laatste 50 of 60 jaar, of vanaf Blake, zoowel
Hollandsche als buitenlandsche poëzie omvattend, en op te maken niet
door een éenling, maar door een areopagus van poëten, dus
niet in den trant van de bekende bloemlezing die Aldous
Huxley naar al te subjectieve criteria samenstelde. Maar wellicht is dit een
utopie (ieder voor zich kan trouwens Huxley's voorbeeld volgen, al laat hij zijn
keus niet drukken); voorloopig heeft men voor een globaal overzicht, voor een
opfrissching, reeds veel aan deze, door het toeval bijeengebrachte (en, dit in
aanmerking genomen, zeer volledige) selectie, waarin zich de
poëtische werkelijkheid voordoet ‘vue á travers
de tempéraments’.
Die ‘temperamenten’, de vertalers dus, vormen een nieuw
hoofdstuk. Men verlaat het panorama, - waaraan, evenals aan het panorama Mesdag,
vele geaccrediteerde meesters borstelden, - en treedt de werkplaatsen binnen.
Men kijkt rond en vindt veel te prijzen. Het behoeft geen betoog, dat de waarde
dezer vertalingen ongelijk is, al werd dan ook aan een | | | | zekeren
minimum-eisch streng vastgehouden; maar men treft hier naast elkaar aan ervaren
vertalers als Leopold, Boutens en Nijhoff, -
‘beroeps-vertalers’ min of meer, - en begaafde dilettanten
op dit gebied: E. du Perron, Jan Engelman of Anthonie Donker. Hieruit
beslissende waardeverschillen af te leiden ware echter voorbarig. Ik zie er dan
ook van af cijfers uit te deelen, wensch terloops slechts enkele zeer zware
opgaven te releveeren die men er goed afbracht (de Valéry-vertalingen
van van Vriesland en Anthonie Donker, de Poe-vertaling van Hendrik de Vries, het
gedicht van E.A. Robinson Luke Havergal van Johan de
Molenaar), om dan over te gaan tot het eigenlijke
‘vertaalprobleem’. Welke eischen stelt men aan een
vertaling? Wanneer is een vertaling goed? Welke moeilijkheden wachten vertalers?
Het komt mij voor, dat men deze eischen en deze moeilijkheden niet beter kan
klassificeeren dan door rekening te houden met de drie grootheden die bij het
vertalen een innig verbond sluiten: het oorspronkelijk gedicht, de
vertaling, en de vertaler, die zich met beide bezig
houdt. Hierop voortredeneerend komt men tot drie mogelijkheden, al naar gelang
het oorspronkelijke gedicht met maximale getrouwheid weergegeven is (de correcte vertaling), de vertaling op zichzelf, als gedicht
voldoet (de goede vertaling), of de persoonlijke stijl en toon
van den vertaler in de vertaling sterk op den voorgrond treden (de persoonlijke vertaling).
Wanneer iemand een vertaling prijst, moet hij dus weten welke van deze drie
criteria hij aanlegt, anders kan het voorkomen, dat de een een correcte
vertaling prijst, die als gedicht mislukt is, terwijl de ander aan een
‘vrije’ vertaling de voorkeur geeft die alle nadeelen
heeft van een slechtgelijkend, zij het ook artistiek uitgevoerd portret. Dit
zijn natuurlijk uitersten, de meeste vertalingen, zoo ook die in dezen bundel
opgenomen, bewandelen den gulden middenweg, sluiten listige en verfijnde
compromissen, - de eigenlijke kunst van het vertalen, die een diplomatieke
scholing is zonder weerga, geven en nemen, - maar desondanks onttrekt niemand
zich aan den indruk, dat b.v. de vertalingen van Slauerhoff geschreven zijn om
van te genieten, niet om wetenschappelijk op hun tekstgetrouwheid onderzocht te
worden. Correcte, saaie, droge vertalingen treft men in dezen bundel nauwelijks
aan. Intusschen zijn er wat dit punt aangaat toch wel gradueele verschillen waar
te nemen, waar ik nog op terug kom. Enkele woorden nog over de persoonlijke vertaling. Oppervlakkig beschouwd valt die met de goede vertaling samen, maar dit is | | | | toch niet
juist, al is er een zeker verband. Iemand kan van zijn persoonlijken stijl
afstand doen ten behoeve van het vertaalwerk en dan nog een goede vertaling
schrijven, die merkbaar afwijkt van het origineel. Het geval van Slauerhoff, die
goede en tevens persoonlijke vertalingen schreef, is hier
misleidend, omdat het niet typisch is. Ik wijs slechts op de
Rossetti-vertalingen van Boutens en A. Roland Holst: zelfs bij
deze zeer persoonlijke dichters zijn kleine verschuivingen bespeurbaar, niet in de richting van het Rossetti-idioom (dat toch wel
geheel aan de Engelsche taal gebonden is), maar in de richting van wat ik een
onpersoonlijk ‘werkidioom’ zou willen noemen, en dat
natuurlijk in dienst gesteld kan worden zoowel van het correcte als van het
goede, in zichzelf afgeronde gedicht. Overigens geef ik graag toe, dat de
persoonlijke vertaling veel minder normatieve beteekenis heeft dan de beide
andere. Wij beoordeelen een vertaling allereerst op haar correctheid en haar
intrinsieke waarde als gedicht, en het evenwicht daartusschen; dáarna
pas zoeken wij naar de ‘persoonlijke’ noot. En dit is ook
goed; want als altijd blijft hier het persoonlijke gratuit, kan niet nagestreefd
worden, reden waarom men het pas in de laatste plaats laat gelden als maatstaf
tot het beoordeelen van een werkstuk, - dat een vertaling toch
steeds is, al spreken inspiratie en persoonlijke behoefte mee in zekere mate.
Naar mijn meening wordt het ideaal: een synthese tusschen de drie vormen, nog
het meest benaderd in de Stravinsky-vertaling van Nijhoff: Het
verhaal van de vos, dat bovendien nog aan een vierden eisch
gehoorzaamt, n.l. van metrische stiptheid, als tekst voor muziek. [...]
|
aUit de
wereldpoëzie, verzameld door Johan de Molenaar. -
Elsevier, Amsterdam. z.j.
|
|