Dr. A Weijnen, De kunst van het vertalen (beginselleer). Tilburg: W. Bergmans. 1946 (fragmenten)
A.A. Weijnen (*1909) kreeg voornamelijk bekendheid als dialectoloog en variatietaalkundige en heeft een enorm oeuvre op die gebieden opgebouwd. Het grootste deel van zijn loopbaan was hij hoogleraar te Leiden. De kunst van het vertalen lijkt een typisch oorlogsproduct te zijn: er ligt een zeer uitgebreide literatuurstudie aan ten grondslag. Het boek verscheen voor het eerst in 1946, een jaar later volgde een tweede druk. Het is de eerste moderne monografie over het onderwerp. Weijnen put uit vele bronnen uit vele periodes om tot een soort historisch gegrondveste metafysica van het vertalen te komen.
‘So treu wie möglich, so frei wie nötig’ Cauer.
‘By general consent, though not by universal practice, the prime merit of a translation proper is Faithfulness, and he is the best translator whose work is nearest to its original’. Postgate.
Wij moeten thans in concreto nagaan, aan welke voorwaarden een goede vertaling dient te voldoen. Cauer, die dit vraagstuk ook onder ogen zag, kwam op een gegeven ogenblik tot de conclusie dat een vertaler met twee eisen rekening had te houden[:] goede verzorging van de taal waarin hij schreef - omdat een in slechte taal geschreven werk het gemoed niet
weet te ontroeren - en behoud van het karakteristieke van de schrijver. Hij kende aan beide eisen gelijke rechten toe en moest toen tot de erkenning komen dat deze twee eisen onmogelijk geheel met elkander in overeenstemming te brengen waren en dat er geen volstrekte regels geformuleerd konden worden, volgens welke bepaald werd in hoeverre men aan de aanspraken die van de verschillende kanten gemaakt worden, tegemoet zou moeten komen.[...]
Wij kunnen Cauers bewijsvoering niet volledig overnemen; immers voor ons neemt de verzorging van om het kort te zeggen: de tweede taal, slechts een secundaire plaats in, maar met zijn conclusie zijn wij het wel eens, want het is niet altijd uit te maken welke der vele eigenaardigheden van een te vertalen tekst, die toch niet alle gelijkelijk tot hun recht kunnen komen, praevalentie hebben. Voor afdoende regeling schiet de theorie te kort, vaste wetten zijn daar niet te geven. Dit houdt echter natuurlijk niet in, dat men van het vertalen geheel zou moeten afzien. Dan zou ook kunst geen bestaansrecht hebben. Artistieke werkzaamheid toch heeft zijn eigenlijke kracht in het irrationele. Dat nu geldt in zekere zin ook voor het vertalen. Maar al is zodoende de eindbeslissing aan het verstand onttrokken, toch hoeft daarom de willekeur nog geen victorie te kraaien. Des te fijner zullen de nuances zijn, waartussen de vertaler kiezen kan, naarmate door verstandig overleg de beslissing zorgvuldiger voorbereid is.
Wij beginnen met de behandeling van enkele eisen die aan het origineel en aan de psyche van de vertaler gesteld dienen te worden om daarna aan de hand van onze conclusie uit het vorig hoofdstuk de kwaliteiten der vertaling zelf vast te stellen.
Het spreekt vanzelf dat de te vertalen tekst goed en belangrijk moet zijn.[...] Want al mogen wij ons hier niet beroepen op de uitspraak, dat een goede boom geen slechte vruchten kan voortbrengen, het omgekeerde, dat een slechte boom geen goede vruchten oplevert, is zeker waar.
Vervolgens moet de vertaler zelf gelijk Baudelaire hebben l'amour de la perfection.[...] En niet minder, vanwege het reproductieve karakter van zijn kunst, een verregaande acribie. Ook moet hij beschikken over een fijne psychologische zin. Wij zagen dat bijv. naar aanleiding van het
gedichtje Brüder van Lersch. Voorts wijs ik in dit verband op het bekende gezegde van de Romeinse hoofdman: άλλα μóvov είπέ λóγω (Latijn: sed tantum dic verbo), dat steeds vertaald wordt als: maar spreek slechts een woord (soms zelfs met een dwaas accent op één), terwijl - zoals P.C. de Brouwer eens opmerkte - de kennelijke betekenis is: zeg het maar met een woord. Zo groot was het geloof van de centurio dat hij er van overtuigd was dat Christus niets anders hoefde te doen dan het de natuur bedwingende woord uit te spreken.
Verder dient de vertaler te bezitten een goede kennis van de taal, waaruit hij vertaalt,[...] van het specifieke taaleigen en de typische stijl van de dichter[...] en van de realia die in het te vertalen werk voorkomen. De eis dat hij goed vertrouwd moet zijn met de taal waaruit hij vertaalt, moge heel natuurlijk zijn, overbodig is hij zeker niet, wanneer men ziet, wat soms nog bij vertalers aan deze kennis ontbreekt. Vanzelfsprekend schakelen wij de fouten die in de school- en examenvertalingen voorkomen[...] uit: deze vertalingen hebben immers ook niet de pretentie van gepubliceerd te worden. Tot zelfs door de grootmeesters van de kunst wordt hier gezondigd. Mej. dr. I.G.M. Gerhardt wijst in haar dissertatie op verschillende fouten bij ervaren vertalers.[...] Soms zijn het subtiele, voor leken al heel moeilijk te achterhalen nuances. De titel van Lucretius' werk: De rerum natura mag volgens mej. Gerhardt niet vertaald worden: ‘Over het wezen der dingen’ maar betekent ‘De natuur en haar vormen’. De vertaling van prof. Slijpen in het Donum Natalicium Schrijnen ‘over de wording der dingen’ wordt door haar dan ook afgekeurd omdat in de term res de dingen der natuur, maar niet alle zijnde dingen op de voorgrond treden.[...] W. van Doorn, Vertalen II Levende Talen 1945, 141 wees op ‘verstandelijke’ fouten in de Baudelaire-vertaling van Stefan George. Vondel weet niet dat men Lat. novus vaak beter door ongehoord of ongewoon kan vertalen en geeft dus Seneca Hippolytus vs 159
memorque matris metue concubitus novos
weer met (vs 211)
en wacht u wel voor nieuwen bijslaeps hoon.
Ja, hij maakt het soms zo bont dat Geerts van hem schrijft: ‘Vondel heeft in zijne vertalingen fouten gemaakt die de hilariteit van begaafde gymnasiasten uit de hoogere klassen opwekken’.[...] De geleerde hispanist dr. J. Brouwer verwart bij een vertaling uit het Frans de werkwoordsvormen van médire, maudire en méditer,[...] en de dichter J.W.F Werumeus Buning vertaalde het Franse veste door vest en annulaire door wijsvinger.[...] Als dit al met het groene hout geschiedde....[...]
Want wanhopig wordt men, als men de slordigheden van de mindere goden of de anonieme vertalers ziet. Ik vergeleek eens Dickens' Oliver Twist met een anonieme Nederlandse vertaling, uitgegeven bij het Hollandsch Uitgeversfonds, Amsterdam.[...] Op p. 411 van het origineel staat: ‘I'm an Englishman, ain't I? rejoined the Dodger’. De vertaler schrijft: ‘Ik ben een Engelschman’, antwoordde de Handige ‘ben ik niet?’ Op p. 54 zegt Noah zonder de zin verder af te maken ‘Oliver has....’, waarop Bumble in de rede valt: ‘What? What?....Not run away, he hasn't run away, has he Noah?’ De vertaler was er natuurlijk weer volkomen naast toen hij het eerste stuk vertaalde met: Olivier heeft, om even verder te schrijven: hij is toch niet weggeloopen. En al heel goedkoop is de methode om waar Dickens op p. 197 de dieven allerlei inbrekers-gereedschap in hun jargon laat opnoemen, zich in de vertaling ervan af te maken met al het overige. Verder trof het ons dat p. 7 any ninth birthday met zyn negenden geboortedag was weergegeven. In het tijdschrift Vertalen zijn dan ook al heel wat van dergelijke fouten met de vinger aangewezen, van de grofste en schreeuwendste tot de subtielste toe. Ik geef slechts een kleine bloemlezing: [Dick] did not try to talk to her much, but he enjoyed her being there = [Dick] probeerde niet om veel tegen haar te zeggen, maar het was haar al genoeg dat hij er was; la phase gaucharde est traversée depuis longtemps (de overdreven - linkse periode is allang voorbij) = het scheldwoord is lang in onbruik geraakt; le hameau = de geboorte streek; l'occident = het oosten; unter den schon aufgeführten Gebäude = onder het schoon opgetrokken gebouw.[...]
Eveneens is het strikt noodzakelijk dat de vertaler een goede kennis heeft van de taal waarin hij vertaalt. Deze toch heeft recht op volle aandacht. Ik meen dan ook met Belloc[...] en vele anderen dat een vertaler zich in de regel moet beperken tot vertalingen in zijn moedertaal. Het best slaagt men nog bij vertalingen uit zijn eigen moedertaal wanneer men eigen werk vertaalt. In dit licht bezie ik de waarderende woorden die
mevr. H. Roland Holst aan Huizinga's vertaling van zijn Homo Ludens in het Engels gewijd heeft.[...]
Naast deze twee talen meent Belloc, dat de vertaler nog over een derde taal moet beschikken, ‘a sort of shadowy tongue, the wraith of a composite language, a mysterious idiom which combines the two, acts as a bridge, and permits him to pass continuously from one to the other’, maar ik kan mij de werkelijkheid daarvan niet goed voorstellen.
Aangezien de vertaler, zoals wij reeds opmerkten, moet hebben l'amour de la perfection, spreekt het vanzelf dat hij speciaal liefde voor het origineel moet hebben.[...] Baudelaire bezat een grenzenloze liefde voor Edgar Poe en heeft hem op uitmuntende wijze vertaald.[...] Zo voelen dichters en dichteressen als Baudelaire, S. George en Baragiola een innerlijke vertaaldwang.[...] Het is wel buiten kijf dat zij onder zulke omstandigheden bijzonder goed gepredisponeerd zijn.
Over al deze voorwaarden heerst zo goed als geen verschil van mening. [...]
Verschillende auteurs, Van Doorn,[...] Rüdiger,[...] Lemonnier, Grasset en Van Duinkerken achten - zeker althans voor te vertalen lyriek - geestelijke verwantschap noodzakelijk.[...] Daartegenover is het opmerkelijk dat M. Thalmann meent: ‘dasz die Subtilität, die lyrische Individualität dus Übersetzers nicht über Güte und Mängel der Arbeit entscheidet, sondern seine Kulturzugehörigkeit. Erst der überpersönliche Zug seiner Erscheinung macht ihn zum guten oder schlechten Interpreten. Daraus folgt, dasz verschiedene Zeiten und Künstlertypen in der Übersetzung ein und desselben Autors nie das gleiche künstlerische Urphänomen aufzeigen. Sie selbst, durch ein Gesetz überpersönlicher Ordnung an Nähe oder Ferne gebunden, ziehen ihn zu sich in die Nähe, oder zu sich in die Ferne. Objektiv wahr kann er nur in seiner Atmosphäre werden. Wahlfreiheit steht uns nicht zu. Die Entscheidung für das was ein Künstler ist, liegt in der Totenmaskenhaftigkeit oder Gestaltungsformen, die das Antlitz des Dichters der Nähe oder der Ferne verbinden.[...]
Wat het tweede bestreden punt betreft: de vraag, of de vertaler dichterlijke aanleg moet hebben, kan natuurlijk alleen ten aanzien van
gedichten gesteld worden. Verschillende auteurs beantwoorden haar bevestigend, bijv. Van Deyssel, Van Hall, mej. Gerhardt en Valkhoff.[...] De laatste komt tot deze conclusie uitsluitend langs de weg van generalisering. Zeker is het waar dat voor de vrije bewerking van gedichten alleen dichters in aanmerking mogen komen. Maar voor echte vertalingen gaat die stelregel niet op. Vossler meent dat een groot lyricus nooit een groot vertaler zal zijn.[...] Onze Vondel, zo uitmuntend als oorspronkelijk dichter, was zwak als vertaler.[...] Zijn Vergilius op rijm lijkt niet op het origineel en zijn proza-vertaling van Horatius weet mij althans in de verste verte niet te ontroeren. Dat is begrijpelijk. Vertalen is toch voornamelijk een zaak van intellect.[...] Om het goed te kunnen doen, moet men de zelftucht sterk ontwikkeld hebben. Men moet zich goed in een ander kunnen inleven. Meestal kan dit alles niet gevergd worden van dichters, wier fijne doch doorgaans dan ook zwakke zenuwen zich voor zelftucht niet zo bijzonder lenen, wier faculteiten meer het sentiment dan het intellect betreffen, die, doorgaans in vrij sterke mate egocentrisch, niet de vereiste bewondering voor het werk van een ander door de Muzen begenadigde kunnen hebben, wier aanleg het met zich meebrengt dat zij zich in ieder werkstuk, dus ook de vertaling, tot uitdrukking brengen. De dichter kan zich zelf slechts moeilijk verloochenen.[...] Wèl is het waar dat de vertaler van kunstwerk kunstgevoelig moet zijn, smaak moet hebben. In zoverre had Karel van de Woestijne gelijk,[...] maar het volle kunstenaarschap is éér na- dan voordelig, al zal in dit boek nog blijken dat er toch òòk dichters zijn die vertalen kunnen. Overigens is de scheidingslijn tussen dichter en niet-dichter moeilijk te trekken. Reeds Poelhekke zei, dat nagenoeg ieder mens wel eens dichter is.[...] In zoverre zou de eis van het dichterschap dus opgaan. Maar zò bedoelt men het niet! En dan meen ik dat er gegronde redenen zijn om te betwijfelen of dat verfijnde dichterschap voor de vertaler wel nodig is. Is het trouwens wel mogelijk, het dichterlijke door een andere dichter op andere wijze te laten zeggen en dan niets te veranderen behalve de taal? Ik geloof zeker van niet.
De primaire eis die aan de vertaling zelf te stellen is, laat zich ondubbelzinnig afleiden uit ons beginsel dat een vertaling van die aard
moet zijn dat zij op haar lezers dezelfde indruk maakt als het origineel op hen voor wie de bewuste tweede taal de moedertaal is, maar die tevens een ruime kennis hebben van de taal waarin het origineel geschreven is.[...] Het is het principe van trouw. Dan alleen is de identiciteit van de gewekte indruk verzekerd. Het is trouwens niet denkbeeldig dat veronachtzaming van het beginsel van trouw tot nadelige gevolgen leidt die niet alleen van letterkundige aard zijn. Dat geldt wel zeer in het bijzonder van die geschriften waarvan wij betoogden dat een vrije bewerking ervan beslist verkeerd zou zijn en die derhalve echt ‘vertaald’ dienen te worden. Doch wij zullen daar niet meer op terugkomen en slechts enkele voorbeelden geven van gevallen waarin een onjuiste vertaling nadelige gevolgen had. Zielinksi verhaalt hoe de geleerde Ihering uit een onjuiste vertaling van Sophocles besloot tot het bestaan van polygamie in Griekenlands heroïsch tijdperk, en mej. G.H. Macurdy noemt een geval hoe een Amerikaanse schrijfster uit enkele willekeurige brokstukken in Chapmans Ilias argumenteerde dat Homerus geloofde dat de kracht van de geest afhing van de sterkte van het middelrif.[...] Een andersoortig geval beschrijft Y.F. in een artikel in Vertalen,[...] hoe nl. op een internationaal congres er een hele zitting gewoonweg verspild werd, zodat men op een volgend congres de zaak opnieuw behandelen moest, doordat de prae-adviseurs uit verschillende landen verschillende onderwerpen in studie hadden genomen t.g.v. een domme vertaalfout.
Slechts in een enkel geval heb ik mij door Postgate[...] laten overtuigen, dat het beginsel van de trouw niet opgevolgd hoeft te worden. Dat is in het geval dat de schrijver zelf in zijn keuze niet geheel vrij was, maar zich door metrum, rhythme of rijm liet binden. Wanneer Lucretius en Horatius anulus en anellus afwisselen, heeft dit klaarblijkelijk geen andere grond dan dat de vorm van de hexameter dit vergde. Derhalve is de vertaler ook niet verplicht de nuances te bewaren.
Voordat wij nu die trouw nader in ogenschouw nemen, nog een korte uitweiding.
In een bespreking van Boutens' kwaliteiten als vertaler van Goethe keurt Kramer het in deze dichter af dat hij vers voor vers, om niet te zeggen: woord voor woord het origineel volgt. Men krijgt volgens hem, bij zulk een vertaling de indruk alsof de dichter de natuurlijke plooienval van het originele vers heeft willen nabootsen door er als het ware een
gipsen afgietsel van te nemen, terwijl het resultaat wordt: een dwangbuis dat iedere ongedwongen beweging belemmert. Kramer vindt het daarom voor een dichter een betere methode: een gehele passage in zich op te nemen en deze dan zelfstandig uit te werken.[...] Ofschoon wij in deze methode geen vertrouwen hebben, zijn wij het wel met Kramer eens, dat een vertaler niet woord voor woord moet vertalen, doch de gehelen moet overzien. Anders krijgt men de zgn. overplakhebbelijkheid.[...] W.F. Leonard, de verdienstelijke vertaler van Lucretius, verklaart dan ook, dat de vertaler het als een hoofdopgave moet beschouwen, dat hij zich inleeft in zijn tekst op de manier van een toneelspeler, die, als hij iets meer wil leveren dan wat koudbloedige kunstjes, kneepjes en foefjes, zich inleeft in de te vertolken rol.[...] Van Doorn prijst dan ook die vertalers die hun werk opvatten als een dramatisch proces, bestaande in een zich vereenzelvigen met de oorspronkelijke schrijver, gevolgd door een zelfstandig onder woorden brengen van het ideeëncomplex dat het hunne is geworden, beter gezegd: dat de vertalers tot het hunne hebben gemaakt.[...] Het vertalen is dus niet alleen een proces van analyse maar ook van synthese. Het Franse zinnetje j'aime à chanter moet men dan ook niet vertalen met ik houd van zingen maar met ik zing graag, waarbij de accentverschijnselen trouwens dàn pas goed tot hun recht komen.[...] Men moet echter voor één gevaar goed oppassen, nl. dat de fragmenten die men als geheel in zich opneemt niet zó groot zijn, dat men ze niet beheerst, want dan zou de trouw in het gedrang komen.
Waarin moet die trouw of aequivalentie dan bestaan? Het antwoord hierop kan kort zijn: in trouw ten aanzien van alle elementen waarin ze mogelijk is. Wijsgerig geredeneerd ligt het dan voor de hand onderscheid te maken tussen trouw aan de inhoud en trouw aan de vorm. Hiertegen bestaat het inderdaad gewichtige bezwaar dat de ontdekkingen op het gebied van de inwendige taalvorm hebben geleerd, dat deze scheiding niet te maken is. Maar vanuit methodisch oogpunt is zij toch ten zeerste gewenst. Evenwel zijn die termen ‘inhoud’ en ‘vorm’ erg vaag. Daarom kunnen wij beter onderscheiden tussen: verstandelijke inhoud, emotionele inhoud, stijl, massa, orde, klankindruk, dramatische expressiviteit en
poëtische intensiteit. Ter voorlopige bepaling van deze begrippen eerst nog enkele opmerkingen. De term vorm hebben wij er als tè algemeen geen plaats in laten vinden. Marouzeau zegt, onder de nauwkeurige inhoud van de text o.a. begrippen, redeneringen en beelden te verstaan.[...] Ook ons lijkt het juist, de beelden hierbij in te delen. Het begrip stijl is moeilijk te omschrijven. Men zou hier in sommige gevallen ook van sfeer kunnen spreken. W. van Doorn[...] gebruikt sfeer evenwel in een andere betekenis. Hij definieert het begrip aldus, dat kleur, kracht en gevoelswaarde van de woorden moeten overeenstemmen. Zijn ‘sfeer’ komt dus overeen, meen ik, met onze ‘emotionele inhoud’. Voor ons ‘stijl’ zou men ook wel ‘geest’ kunnen zeggen. Ook het literaire genre zou ik erbij willen onderbrengen. Bij Postgate[...] vind ik onder de eisen de term ‘commensurateness’, ‘a translation must be true to its original in Quantity as well as Quality’. Bedoelt hij er mee een combinatie van ons orde met massa? Waarschijnlijk bedoelt Premsela hetzelfde als hij het heeft over een juxtalineaire vertaling.[...] Van Doorn[...] spreekt van lijn i.p.v. orde en bedoelt er mee de aaneenschakeling van betoog of beschrijving. Ruimer is zeker de opvatting van M. Thalmann als zij betoogt dat de representatieve ‘Linie des Gestaltungsimpulses’ gereconstrueerd moet worden.[...] Onder klankindruk versta ik òòk rhythme, maat, tempo, rijm en versvorm, dus de algemene aesthetische elementen die de klank betreffen. De beide eisen van dramatische expressiviteit en poëtische intensiteit heb ik geformuleerd gevonden bij Hoekstra.[...]
Met dit alles voor ogen kan men het compensatiebeginsel niet geheel verwerpen. Dit principe, dat door Postgate[...] aldus betiteld werd, komt hierop neer dat vormverschijnselen, bijv. alliteratie, contrastwerking, enz., waardoor een tekst zich kenmerkt, ook in de vertaling nieuw ingevoerd mogen worden op plaatsen waar het origineel ze niet kende, omdat ze op andere plaatsen noodzakelijkerwijze t.g.v. de eigenaardigheid der taal opgeofferd moeten worden. In een Epitaphium canis van Vincent Bourne vindt men op een gegeven ogenblik een klaarblijkelijk met opzet viermaal herhaald que
In de Engelse vertaling heeft Charles Lamb hiervoor bij wijze van compensatie een anders ongemotiveerd tweevoudig to attest gegeven.
Ook is het compensatie wanneer men rijmen of assonanties invoert die in het origineel ontbreken. Ik herinner bijv. aan het invoeren van rijm in allerlei antieke verzenen aan de alliteratie die Kops aanwendde bij de vertaling[...] van de tweede terzine van Dante's Inferno
Zeker is een compensatiebeginsel in strijd met het (dominante) beginsel van de trouw en rationeel redenerend moet men het afwijzen. Immers er ontstaan haast onvermijdelijk afwijkingen van de intellectuele betekenis door. Maar het beginsel van de te behouden harmonie moet boven het beginsel van gelijke inhoud gesteld worden. Er zijn trouwens gevallen dat het nastreven van het compensatiebeginsel uitsluitend winst en in geen enkel opzicht verlies teweegbrengt. Sallustius kenmerkt zich door zucht voor woordenspel. Deze eigenaardigheid baart de vertaler
voorwaar geen geringe zorgen. Welnu, als men dan bij de vertaling van Sallustius Catil 2, 8: corpus voluptati, anima oneri fuit de tegenstelling lust: last invoert, is het resultaat toch uitsluitend als winst te boeken.[...] Zo stiet ik bij de vertaling van Horatius' ode: Exegi monumentum in de tweede regel op de moeilijkheid dat ik geen kans zag, het in het origineel voorkomend pyramide(n) te gebruiken. Om de Egyptische sfeer te bewaren koos ik toen: pharaonengraf.
Postgate wees nog op een derde beginsel: het beginsel van het aangename, de eis dat een vertaling in de eerste plaats aangenaam moet lezen. Geheel en al dominant was deze eis in de 17e eeuw, de tijd van de ‘belles infidèles’.[...] Maar ook in later tijden liet men het beginsel nog niet geheel varen. Huet stelde tegelijkertijd de ‘eisch van getrouwheid en zoetvloeiendheid’ en onlangs meende nog Marouzeau dat een vertaling exact èn elegant moet zijn.[...] Alhoewel niet ontkend kan worden dat een verandering inderdaad in aesthetisch opzicht een verbetering kàn betekenen, had Postgate het toch bij het juiste eind, toen hij beweerde dat met het beginsel van het aangename alleen rekening gehouden kan worden, zolang het niet met het principe van de trouw in conflict komt. Logisch geredeneerd immers kan het niet anders.[...]
Uit de stelregel dat de vertaler tot norm dient te nemen: de indruk die bij de sprekers van de tweede taal gewekt werd, volgt dat het niet in zich verkeerd is, wanneer de vertaling ‘er wat vreemd uitziet’, wanneer m.a.w. er elementen in zitten die, strikt genomen, niet tot de moedertaal behoren. Voor zover ik het thans zie - maar het is een erg duistere materie - mogen dat vrijwel alleen stijlelementen zijn. Deze gedachte is echter lang geen communis opinio. Meermalen toch is de eis gesteld, bijv. door Leopardi en door Belloc, dat een vertaling moet lezen als een origineel.[...] Enigszins anders geformuleerd luidt deze gedachte, dat de taal waarin vertaald wordt, zuiver dient te zijn. Ik denk bijv. aan Konijnenburg, Cauer, Royen, Grasset.[...] Maar men zoekt bij deze auteurs meestal tevergeefs naar de bewijzen. Alleen Cauer zegt dat de vertaling de lezer
anders niet zou weten te ontroeren. Doch dit is een loze bewering. In werkelijkheid is het vaak een tè ver doorgevoerd nationalisme dat aan deze meningen ten grondslag ligt. Wij speuren dat duidelijk bij H. Schönfeld. Hij vindt in de praktijk van het onderricht de bezonnen, smaakvolle ‘Umformung’ het ideaal, omdat het vertalen allereerst het verdiept bewustzijn van de moedertaal zou moeten bevorderen en vaardigheid in de moedertaal zou moeten aanbrengen. Want - meent hij wanneer men principieel een zo klankgetrouw mogelijke naschepping van de tekst beoogde, zou men gevaar lopen, dat het onderricht in de vreemde taal nadelig was voor het onderwijs in de moedertaal.[...] Anderen evenwel schrikken voor dat vreemde karakter niet terug. Van Duinkerken[...] zegt bijv. dat een vertaler mag schrijven ‘regelen, die in een oorspronkelijk gedicht zouden misstaan’, en Lemonnier zegt goedkeurend van Baudelaire met betrekking tot zijn vertaling van Poe's oeuvre: ‘Il a été littéral jusqu'à l'audace, et maladroit jusqu'au génie’.[...] En de reden is duidelijk. Wat gewrongen zegt het Van de Woestijne in de inleiding op zijn Ilias-bewerking, ‘waar de indruk, door den Griekschen tekst gewekt, aan plaatsing der woorden, keurigheid en bondigheid der uitdrukking, mannelijke kracht van versgang en klankkoloriet, bij hem niet die van vloeienden taalbouw en preciese, schoolsche, effene syntaxis is; waar hier, - naar hij, de vertolker, gevoelt, - in de beste deelen althans en behalve waar stopwerk die deelen verbindt, drift over het woord regeert, en leven over de grammatica: daar heeft hij zich minder te bekommeren, naar mijn oordeel, om de vormen, in de huidige beschavingsphasis, van eigen taal, om de taalgebruiken in den mond of bij schrift van zijne tijdgenooten, dan om wat hij zelf heeft ondergaan bij 't lezen van een Grieksch epos der 9e of 10e eeuw vóór onze tijdrekening. En waar de tegenwoordige toestand van het Nederlandsch, in de beschaafde - voor ons doel, misschien té beschaafde - vormen, in de beleefde vormelijkheid van heden, niet volstaat voor hetgeen hij aldus te bereiken heeft, daar moet hem in de taalbehandeling eene vrijheid worden gelaten die - zijn tekst goed begrijpelijk, mits een geringe inspanning bij den lezer - zijne vertaling alleen ten goede kan komen’.[...] Maar het komt tenslotte op hetzelfde neer als wat Schleiermacher meende: de vertaler moet aan zijn vertaling enigszins het ‘vreemde’ karakter laten om de indruk vollediger adequaat te doen zijn.[...] Zeker is het beginsel der trouw primair, maar goed vertalen kan alleen verwerkelijkt worden wanneer het
vertalingsproduct zelf ook goed is, m.a.w. in zuivere taal. En waar de verzoening van origineel en vertaling een onmogelijkheid is, is het dus begrijpelijk dat de stijl als zijnde het minst algemeen en het minst wezenlijk wordt opgeofferd van de zijde der tweede taal.[...] Zo blijft de identiteit van de gewenste indruk trouwens het best gewaarborgd.[...] Maar in het overige zal de tweede taal zuiver gehanteerd moeten worden. Daarvoor pleit alles wat men, ooit ter verdediging van de zuiverheid ener taal kan aanvoeren. Misschien onbewust heeft mej. Gerhardt zich ook op dat standpunt, dat de stijl niet die van de ‘tweede’ taal behoeft te zijn, geplaatst. Als zij de verschillende Franse Lucretius-vertalingen van Lagrange, Chaniot, Lavigne, Ernout en Pichon met elkaar vergelijkt, merkt zij op dat van de ‘strikte’ van deze laatste auteur, een bijzondere aantrekkingskracht uitgaat, hoewel deze stijl on-Frans is[.] [...]
‘le traducteur, quels que soient les aspects particuliers de sa tâche, reste soumis à des obligations générales sur lesquelles il est possible, et nécessaire, de s'entendre en principe’. Marouzeau.
Sommige auteurs menen dat de aard van de vertaling mag, ja zelfs moet, veranderen met het doel van de vertaling of de aard van hetgeen vertaald moet worden. Op het. congres van Nice in 1935 toch heeft Marouzeau gezegd dat een commentator die zijn commentaar van een vertaling vergezelt, het typische, het merkwaardige van het origineel moet laten uitkomen, doch dat hij die voor niet-specialisten vertaalt een leesbare tekst moet aanbieden, die niet naar het oorspronkelijke ruikt. In het debat na Marouzeau's uiteenzetting heeft Zielinski eigenlijk hetzelfde betoogd, nl. dat men om aan de behoeften van alle lezers te voldoen, eigenlijk tweeërlei soort van vertaling diende te leveren, één letterlijke om
het origineel te helpen begrijpen en één ‘élégante’ om het origineel te vervangen[...]; m.a.w. een vertaling ter bestudering van het origineel en een vertaling ter vervanging van het origineel.[...] Aanvankelijk zou ik geneigd zijn, bij de eerste soort inderdaad mijn eisen wat minder te stellen, wanneer zij niet zelfstandig fungeert maar interlineair of, wat veel beter is, juxtapaginair met het origineel wordt afgedrukt. Maar doet men dat, dan mag het product ook niet de naam van vertaling dragen. Men kan dan - in een zekere beeldspraak - beter van commentaar spreken. Evenwel dreigt dan het gevaar dat de lezer toch practisch alleen de vertaling leest. Daarom vind ik ook in dit geval alleen adaequate vertaling verantwoord. Trouwens waarom zouden een studerend persoon en een onbestudeerd iemand andersoortige vertalingen voorgezet moeten krijgen. Zij hebben toch beiden recht op Het Goede, in dit geval: het adaequate.
Er zijn meer auteurs die menen een onderscheid te moeten maken al naar gelang de ontwikkeling van de lezers. Goethe bijv., die in het algemeen onze opvatting van vertalen voorstaat, vindt die methode waarbij de auteur naar de lezer gebracht wordt nuttig voor beginnelingen ‘weil sie uns mit dem fremden Vortrefflichen, mitten in unserer nationellen Häuslichkeit, in unserem gemeinen Leben überrascht’. Eveneens meende Schleiermacher[...] dat zolang de intellectuelen nog slechts een geringe, schoolse kennis van de taal der originelen hebben, het nog geen tijd voor vertalingen maar pas voor parafrasen en ‘Nachbildungen’ was. Goethes voorstel is evenwel toch onaannemelijk: er is geen enkele reden, waarom men ‘beginnelingen’ stenen voor brood zou geven. En ook Schleiermachers raad kan terzijde geschoven worden. Verondersteld moet worden dat de vertaler de taal van het origineel voldòènde machtig is; en dan is er geen reden meer, waarom hij er niet naar zou streven, de indruk die de vertaling moet wekken gelijk te maken aan de indruk, door het origineel op hem, de vertaler zelf, teweeggebracht.
Verder maakte Schleiermacher nog onderscheid tussen vertalen en vertolken en wees hij aan beide hun eigen bedoeling en daarmee ook hun respectievelijk terrein van werkzaamheid toe. Vertolken doet men - volgens hem - wanneer het uitsluitend om de zaak gaat en het innerlijk
van de schrijver zich niet openbaart. Vertolken geschiedt dus vooral, mondeling en heeft als terrein meer het praktische, het zakenleven, in het randgebied in zekere zin nog verhandelingen, maar vooral beschrijvingen en vertellingen. Vertalen bestrijkt meer de andere terreinen van taaluiting. Bij vertalen komt de kijk van de schrijver meer naar voren. Het verschil tussen vertalen en vertolken is dus niet wezenlijk. Schleiermacher spreekt van vertalen in de gevallen dat er groter verschil in inwendige taalvorm is, anders van vertolken. Vertalen is dus vertolken van een bepaald soort taaluiting die door haar specifiek karakter hogere eisen stelt. Aan het vertolken worden dus theoretisch dezelfde eisen gesteld als aan de vertaling - niets toch wijst ons op het tegendeel - doch vanwege de lichte hanteerbaarheid van de stof valt het vertolken veel lichter.
Verschillende schrijvers hebben opgemerkt dat de ene soort taaluitingen gemakkelijker te vertalen is dan de andere. De lezer herinnert zich dat wij dit hierboven reeds vaststelden. Marouzeau schrijft dat men een literaire tekst anders moet vertalen dan een technische en poëzie anders dan proza[...]. De woorden ‘anders moet’ komen hier wel op hetzelfde neer als ‘moeilijker kan’. Postgate schreef: ‘If form is neglected, as in Scientific and Technical writings, an absolute fidelity, that is a complete transference of the original, is possible’.[...] Ook Belloc[...] onderscheidt twee soorten vertaling, de een met de functie van ‘instruction’, om in de ene taal feiten over te brengen die nauw omschreven zijn in een andere, de tweede een literaire, waarbij ook ‘spiritual effect’, nauw omschreven in de ene taal, in de andere moet overgebracht worden. Maar juist zoals wij reeds opmerkten, zijn theoretisch telkens bij beide soorten dezelfde eisen te stellen. Alleen zijn er, in de praktijk grote verschillen, doordat bij de ene groep van de vertalingen zekere grote moeilijkheden nìet en bij de andere wèl aanwezig zijn. Bij Belloc kan men dan ook vinden dat de vertaler van literaire teksten voor iets ondefinieerbaars moet zorgen dat in de schilderkunst ‘kleur’ heet, maar dat een vertaler overigens in àlle gevallen correct moet vertalen. Wat wij hier vernamen. is telkens vrijwel hetzelfde verschil als bij Schleiermachers vertalen en vertolken.
Het is niet erg duidelijk, in hoeverre Hoekstra aan de beide soorten vertaling die hij onderscheidt zelfstandige, eigen waarde toekent. Hoekstra onderscheidt ten eerste een philologische vertaling, die zo nauwkeurig mogelijk de logische inhoud der woorden, kwalitatief en kwantitatief, weergeeft. De vertaler kan daarbij trachten, zoveel mogelijk het syntactisch verband en de woordschikking van de originele tekst te bewaren, om zodoende de beweging van de zin te behouden en de nadruk in de vertaling daar te laten blijven waar deze ook in het oorspronkelijk werk gelegen is. Ook het bewaren van dezelfde stijl rekent Hoekstra tot de taak van de philologische vertalers. Daarnaast definieert hij de vertaler die een integrale vertaling levert. Deze moet volgens hem trachten, het eigenlijke van het kunstwerk, de synthese van vorm en inhoud, in de eigen taal weer te geven, hij heeft er naar te streven om het origineel in zijn totaliteit, integraal te reproduceren. In zulk een geval moet dus ook de vertaling een kunstwerk zijn, een stuk literatuur, dat, het origineel zo zuiver mogelijk weerspiegelend, als een zelfstandig organisme bestaat, een eigen leven leidt. op deze wijze wordt niet slechts de logische zin van het origineel met inachtneming van stilistische kenmerken weergegeven, maar hier ontstaat een levende reproductie, die, zo zij ideaal is, alle functies van het oorspronkelijk werk vervult.[...] Wij menen uit deze definities duidelijk te lezen, dat de integrale vertaling beter is dan de philologische. Dat Hoekstra de zelfstandige waarde van de philologische vertaling nergens aangeeft, verbaast ons niet. Ze is ook niet aan te geven: ze bestaat niet. Het gaat ermee zoals met àl de juist genoemde verschillen. Er zijn teksten, die, alhoewel ze theoretisch even goed een integrale vertaling mogen eisen, omdat bepaalde karaktertrekken ontbreken, praktisch met die zgn. philologische vertaling genoegen kunnen nemen. Past men op kunstwerken deze vertaling toe, dan schiet men in zijn plicht daartegenover te kort. [...]