[p. 8]
Dat mooie appeltje.
Zeg, appeltje, val eens
Heel gauw naar omlaag,
Ik houd zooveel van je,
Ik lust je zoo graag.
Zus zegt: je bent zuur,
Ik kan je niet eten,
Och, appeltje, val maar,
Ik wou het graag wéten.
[p. 9]