begin  verderprepost
[p. V]

Voorrede

Mgr. Dr. Johann Bernard Krier, Directeur van het Bisschoppelijk Konvikt te Luxemburg, gaf voor het eerst in 1877 een werkje in het licht, getiteld: ‘Die Höflichkeit’, dat zeer spoedig in de Duitsche Katholieke inrichtingen van Onderwijs de hoogste waardeering genoot.

Niet alleen mocht de Hoogeerw. Schrijver vóór zijn verscheiden in 1899 daarvan reeds de vijfde uitgave in zijne moedertaal bezorgen, doch tot zijne niet geringe voldoening had het ook in de eigen landstaal zijn intrede gedaan in de Katholieke Instituten van Hongarije en Italië.

De echt christelijke geest, waarvan het geheel doortrokken is, deed het overal dit gunstig onthaal vinden. De eigenaardige verdienste van dit boekje is daarin gelegen, dat het voortdurend de nauwe betrekking in het oog houdt, die er bestaat tusschen de beoefening der wellevendheid en der bovennatuurlijke deugd.

Zoo werd het voor de jeugd, - de ondervinding heeft het ons bewezen, - niet alleen een vertrouwbare leermeester in de kennis van die wetten en voorschriften, wier naleving het kenmerk en het sieraad is van den beschaafden stand, maar ook een voortreffelijke gids bij de verstandige beoefening der christelijke deugden van naastenliefde en nederigheid.

Zoo werd het voor de jeugd bovendien een beproefde vriend en een ervaren leidsman, zoowel bij haar onvermoeid en plichtmatig streven naar den lof der wellevend-

[p. VI]

heid, als bij de ernstige behartiging van hare hoogere belangen: de bovennatuurlijke verdiensten van al hare werken en het verwerven dier volmaaktere wilskracht, welke hare veilige beschutting moet zijn in den lateren strijd des levens.

Is het wonder, dat dit succes ons deed besluiten het boekje ook in onze taal en voor ons land te bewerken?

Of mogen we niet verwachten, dat ook onze dierbare Nederlandsche Katholieke jeugd in ruime mate haar voordeel zal kunnen doen met deze uitgave?

Die verwachting trachten wij overigens nog meer te rechtvaardigen door bij deze vrije bewerking steeds in den geest te blijven van den Schrijver, en tevens zorgvuldig rekening te houden met onze speciaal Nederlandsche toestanden en wellevendheidsregelen, die in menig opzicht zooveel van de Duitsche verschillen.

Bij het hoofdstuk ‘De Brieven’ gaven wij daarom ook een uitgebreide opgave van de in ons land gebruikelijke Titulatuur en vele wenken, die hier bij brieven, adressen of rekesten moeten worden opgevolgd.

Het is ons een aangename plicht in deze Voorrede onzen oprechten dank te betuigen aan de nagelaten betrekkingen van den hooggevierden Schrijver, die met de grootste voorkomendheid ons verzoek inwilligde om deze Nederlandsche bewerking in het licht te mogen geven.

Voorzeker, het zal voor hen en voor ons een niet geringe voldoening wezen, zoo dit werkje onder Gods mildsten zegen ook in ons Katholiek Nederland het zijne mag bijdragen tot verlichting der zware taak van Ouders en Opvoeders, tot bevordering der ware beschaving en der veredeling van ons opkomend geslacht, tot luister en bloei van Kerk en Maatschappij!

Met de bede, dat deze wenschen in vervulling mogen gaan, bevelen wij ons werkje in de welwillende aandacht

[p. VII]

van allen, wien de beschaafde en echt Katholieke opvoeding onzer dierbare Nederlandsche jeugd ter harte gaat.

 

's-HERTOGENBOSCH, feestdag v.d.H. Raphaël, 1901·

DE BEWERKER.

 

De DERTIENDE DRUK werd in overeenstemming gebracht met de nieuwe spelling. Overigens werden er geen veranderingen aangebracht.

 

's-HERTOGENBOSCH, October 1934.

DE BEWERKER.

 

De VEERTIENDE DRUK is gelijk aan de dertiende.

 

's-HERTOGENBOSCH, Mei 1937.

DE BEWERKER.

prepost  begin  verder