terug  begin  verderprepost
[p. 192]

Tiende hoofdstuk.
Het gedrag in de school.

Na de kerk en het huisgezin is de school de plaats, waarvoor de nog studerende jeugd de meeste eerbied moet hebben.

In de school wordt zij opgevoed; daar ontwikkelt zij haar geestes- en zieleleven onder de gestadige inwerking van het godsdienstig en maatschappelijk onderricht; daar verwerft zij kennis, veredelt zij het hart, staalt en sterkt zij het karakter; daar bereidt zij zich voor op haar toekomst in de maatschappij, op haar beroep, op haar tijdelijk, ja, op haar eeuwig geluk. Terwille der eenheid in de opvoeding moeten de leerlingen en ook hun ouders zich dan ook schikken naar het door het wettig gezag voor den leerling vastgestelde Schoolreglement, zelfs dan wanneer dit aanwijzingen of voorschriften bevat over het gedrag buiten de schoolmuren, b.v. over kleding, godsdienstoefeningen, ontspanningen enz.

Wat het gedrag in de school betreft, onderhoude men het volgende:

1. De leerling treedt bescheiden en zonder geraas de school binnen en blijft rustig op zijn plaats tot de komst van den onderwijzer.

Bij diens binnentreden staat hij ten teken van eerbied op.

[p. 193]

2. Gedurende de schooluren zorgt hij voor een nette houding. Hij zit zwijgend op zijn plaats, rechtop, de handen boven, nooit onder de lessenaar; hij houdt zich niet met de andere leerlingen op, noch door woorden, noch door tekens, noch door briefjes; oog en oor heeft hij op den onderwijzer gericht.

Hij beweegt zich niet onrustig heen en weer, gaat niet zorgeloos op de bank liggen, steunt niet dromerig op de ellebogen, leunt niet slaperig tegen de achter hem staande lessenaar, enz. Ook onthoudt hij zich van alles, wat nadelig werkt op het onderricht, wat den leraar hindert, de lichtzinnigheid zijner klasgenoten aanwakkert, de rust en stilte stoort en hem zelf verlaagt. Vooral vermijdt hij te praten met de naast hem zittenden, te lachen, gekheid te maken of zich andere onwellevende onderbrekingen te veroorloven.

Ruwheid en uitgelatenheid wekt op tot verzet, verstrooit, trekt de opmerkzaamheid van de studie af, vermindert de liefde voor goede zeden en fatsoen en kweekt of onderhoudt een geest van ongebondenheid en moedwil.

3. Wanneer hij zijn les moet opzeggen, staat de leerling, waar zulks gebruikelijk is, aanstonds op en beantwoordt de vragen zonder rechts of links naar een voorzegger of naar een verdacht en ongeoorloofd hulpmiddel uit te zien. Hij spreekt in elk geval verstaanbaar en duidelijk, niet te vlug noch te slepend, de lettergrepen juist en zeker betonend. Bij een vraag van den onderwijzer, zegt hij niet kortweg: ‘Hoe?’ ‘Ja!’ ‘Neen!’ maar spreekt, volgens de voorschriften van de beleefdheid, ‘met twee woorden’.

4. Heeft een leerling een verklaring niet goed begrepen, dan mag en moet hij den onzerwijzer, hetzij

[p. 194]

onder de les, hetzij daarna, zoals zulks gebruikelijk is, om nadere uitleg vragen.

Een goed leerling houdt zich gedurende de studietijd aan het dan opgegeven werk; zo b.v. leest hij dan geen verboden boek of maakt hij geen werk voor andere lessen.

Moet hij zich even verwijderen, dan doet hij dit, na bekomen verlof, zo ongemerkt en zacht mogelijk; hij blijft bij niemand staan, maakt de deur zonder geraas open en dicht, enz.

5. Een goed scholier houdt ook zijn lessenaar, schriften, boeken, enz. in orde.

In de lessenaar heeft alles een vaste plaats, zodat hij niet behoeft te zoeken, waar iets ligt.

Hij stapelt de boeken en schriften niet voor zich op, als wilde hij er zich achter verschansen om zich aan het toezicht te onttrekken.

Zijn boeken zijn niet verscheurd of smerig; de bladen staan alle vast. De omslag is net en geschikt om de band te bewaren.

Hij schrijft ook niet in zijn boeken, tenzij en voor zover dit voor een bepaald vak door zijn onderwijzer verlangd wordt; hij bewaart ze zorgvuldig voor inktvlekken en nodeloze tekeningen.

Een tegengestelde handelwijze bederft de zin voor het schone, veroorzaakt afleiding bij de studie en pleit niet voor de orde van den eigenaar. De schriften moeten ook onberispelijk zijn ingericht volgens de voorschriften van den onderwijzer.

6. Een bijzondere zorg wijdt de leerling aan zijn schriftelijk werk. Hij schrijft het met zwarte en niet met gekleurde inkt, duidelijk leesbaar, met smaak, zonder overdrijving, zonder doorhalingen en in zo mooi schrift als mogelijk is. Hij laat een witte rand

[p. 195]

langs het werk onbeschreven, opdat de leraar de daarin te maken verbeteringen goed kunne overzien; eindelijk levert hij het werk zonder vlekken, net en ongekreukt in.

Een nette, zindelijke uitvoering der schriftelijke opgaven pleit voor de zorgvuldigheid en de wellevendheid van den leerling en verwerft hem te recht de achting en de welwillendheid van den leraar.

7. Bij examens of concoursen levert de leerling eigen werk en acht het beneden zich gebruik te maken van ongeoorloofde hulp.

Schrijft hij zijn werk van een ander af, of schrijft hij het uit een boek over, dan maakt hij zich immers schuldig aan bedrog tegenover den leraar en aan onrechtvaardigheid jegens zijn medescholieren. Niet slechts berooft hij dezen daardoor van de hun toekomende plaats, maar somtijds ook van geldelijke voordelen, zoals een beurs, een ondersteuning, ontheffing van schoolgeld, enz., welke dikwijls van een rangnummer afhangen.

Het meest schaadt hij echter zich zelf. Daar hij succes heeft, meent hij ten laatste inderdaad die kennis te bezitten, waarvan hij zich door bedrog het getuigenis heeft verworven.

Hij verwaarloost dan de studie nog meer. Daardoor ontstaat een grote leemte in zijn ontwikkeling. Het volgende kan hij niet grondig verstaan, daar hij het voorgaande niet machtig is. Zo gebeurt het, dat hij zich door leugen en bedrog enige tijd in zijn klas met moeite kan staande houden; doch: ‘de kruik gaat zo lang te water, tot zij berst’; hij zal ten laatste zover komen, dat list en bedrog niet meer baten. Hij kan alsdan noch voor-, noch achterwaarts en ziet zich soms gedwongen zijn studie te verlaten. Hier geldt

[p. 196]

het spreekwoord: ‘Lügen haben kurze Beine’: ‘Met leugens brengt men het niet ver!’

8. Is de school geëindigd, dan staat de scholier op en verlaat zijn plaats ordelijk, beleefd den leraar groetend; hij neemt al zijn boeken en benodigdheden mede, of bergt ze in zijn lessenaar.

Hoe eenvoudig en natuurlijk zijn deze voorschriften: hoe gemakkelijk te onderhouden voor goedgezinde leerlingen! En toch, hoe nuttig zijn zij voor hen! De nauwkeurige naleving er van maakt hen oplettend, vergemakkelijkt het nadenken, scherpt het oordeel, oefent de wil, ontwikkelt de geestkracht. Daarbij maakt zij gerust, vrolijk en vergenoegd door het bewustzijn der trouwe plichtsvervulling.

Al zijn de door God aan iemand geschonken talenten ook slechts middelmatig, zó zal hij kunnen slagen in zijn studiën en zal de school ook voor hem de plaats worden ener degelijke, wetenschappelijke, godsdienstige en zedelijke vorming, ener opvoeding, die de heilzaamste invloed gaat uitoefenen op zijn later tijdelijk en eeuwig welzijn.

prepostterug  begin  verder