Na ernstige inspanning zijn onschuldige spelen een welkome verkwikking voor het lichaam en een aangename ontspanning voor de geest. De achtenswaardigste en deugdzaamste personen hebben dan ook het spel na de arbeid beoefend en aanbevolen.
In colleges zijn de spelen, vooral in de open lucht, een noodzakelijke behoefte en bijna even onmisbaar als het gebed of de studie. Het spel zal bovendien een verdienstelijk werk worden, als het ter ere Gods geschiedt.
Den H. Aloysius werd eens, terwijl hij aan een onschuldig spel deelnam, gevraagd, wat hij zoude doen, als hij op die dag moest sterven. Met heilige eenvoud antwoordde hij: ‘Ik zou doorgaan met spelen’. Hij wist, dat zijn spel met de wil der Oversten en de geest des kloosters overeenkwam en hij was overtuigd, dat hij daardoor op dat ogenblik de H. Wil Gods volmaakt volbracht.
Toch kunnen de spelen dikwijls een klip worden voor de deugd, een gelegenheid tot overdreven verstrooiing, een oorzaak van twist en ontevredenheid, een aanleiding tot plichtverzuim, toorn, hebzucht, bedrog en onrechtvaardigheid.
Vooral de liefhebberij voor de ‘Sport’ ontaardt
licht en voert gemakkelijk tot misbruiken. Ook daarom is het zaak, dat Katholieken zich in Katholieke Sport-clubs aaneensluiten en geen lid worden van z.g. neutrale sport-verenigingen.
Bij het spel leert men den mens kennen. Hier tonen zich zo gemakkelijk het natuurlijk karakter, de aanleg, de neigingen, de hartstochten in hun ware gedaante. Bij het spel treedt de wellevendheid in verbond met de deugd op als behoedster der rechte orde en brengt door haar wetten ook het hare bij, dat het spel de geest niet benadeelt en de ziel niet verlaagt. Daartoe onderhoude men de volgende algemene voorschriften.
1. De speler moet zich nauwgezet houden aan de regels van het spel. Wordt deze voorwaarde vervuld, dan worden door het spel de eerlijkheid, de trouw en de stiptheid in kleine zaken bevorderd; dan worden het plichtsbesef en het karakter geoefend en versterkt en wordt de oplettendheid vermeerderd; dan vermaakt het spel deelnemers en toeschouwers, en wekt het hun belangstelling.
2. Om de opwellingen van drift of opgewondenheid te voorkomen, wake men over alle toegangen van zijn hart; men onderdrukke de eerste gevoelens van toorn; men houde op, zodra de tijd van spelen verstreken is; men worde noch in handelingen, noch in woorden triviaal en vermijde alle scheld- of vloekwoorden, alle overmatig schreeuwen, alle ruwheid in woorden en daden.
3. Bedrog is zowel bij het spel als in zaken verboden. Wie bij het spelen oneerlijk is, toont vanzelf, dat hij het in andere omstandigheden ook kan zijn.
Wil een medespeler bedriegen, dan doet men, alsof
men het niet bemerkt, brengt de begonnen partij ten einde, maar begint geen nieuwe meer.
4. Wie slecht geluimd of misnoegd is, wanneer hij verliest, moet ofwel niet spelen of zich bedwingen; men mag zich ook niet kinderachtig blij en gelukkig tonen, wanneer de fortuin gunstig is.
Aanstonds ophouden met spelen, als men enig voordeel behaald heeft, is niet ridderlijk; het wettigt het vermoeden van kleingeestigheid en inhaligheid en de speler laadt daardoor de schijn op zich, dat het hem alleen om winst te doen is.
De inzet bij het spel behoort overigens zó gering te wezen, dat winstbejag niet als prikkel tot spelen kunne gelden.
5. De speler vrage ook niet rechts en links, hoe hij een goede zet kan doen. Is het spel hem onbekend, dan spele hij niet mee, tenzij onder leiding van een ander, opzettelijk om het aan te leren: heeft hij later eenmaal het spel voor zich zelf begonnen, dan moet hij het ook zelf afspelen. De tegenpartij speelt met hem, niet met een ander.
6. De speler zij niet twistziek. In geschillen verdedigt hij rustig en kalm zijn recht en nimmer vervalt hij in beledigende woorden. Wil de tegenpartij zijn recht niet erkennen, dan geve hij toe en stake daarom het spel niet.
7. De toeschouwers moeten zich onzijdig houden, zwijgen en nooit voor een speler partij kiezen of hem raad geven; nooit een zet afkeuren of luide opmerkingen over verlies of winst uiten; nooit een speler hardnekkig verdedigen. Het over en weer praten stoort de spelenden en is hun onaangenaam.
8. Zelfs wanneer men weinig lust heeft in het spel, moet men zich ter wille van anderen toch de
opoffering weten te getroosten, met hen mede te doen, als men weet of bemerkt, dat zij gaarne gaan spelen of hun spel voortzetten.
Omgekeerd zal men soms het spel moeten staken, om anderen niet onaangenaam te worden.
Niet zelden wordt het spel dienstbaar gemaakt aan een goed werk. Zo vindt men nu en dan in de Annalen van Missie-verenigingen of op Ondersteuningslijsten melding gemaakt van de winst van een kaart-club, van de opbrengst van een sportuitvoering, enz.
Zulke vrijgevigheid is ook zeer doelmatig om alle laakbaar winstbejag van het spel verwijderd te houden.