Op reis komt men met allerlei personen in aanraking, met voornamen en geringen, met vrienden en tegenstanders, met hen, die men waarschijnlijk slechts eenmaal in het leven ziet en met anderen, die men vroeg of laat opnieuw zal aantreffen. Een ieder zal het aangenaam vinden op reis een vriendelijk en gedienstig mens te ontmoeten, die hem oplettendheid bewijst of ten minste oprechte belangstelling betoont.
Het is dan ook niet van belang ontbloot te weten, hoe men zich op reis moet gedragen.
1. Men zij op reis ordelijk en zorgvuldig gekleed, ongeveer zoals het voor een bezoek past.
Deze attentie is men niet alleen verschuldigd aan de vele achtbare bekende of onbekende personen, die men onderweg aantreft, maar ook aan zich zelf; want vooral op reis wordt de mens naar zijn kleding beoordeeld.
2. Voor een reis per rijtuig, auto of omnibus lette men op het volgende:
a) De voornaamste plaats in het rijtuig is rechts op de achterbank, de tweede links van deze; de derde op de voorste bank, tegenover de tweede en de vierde tegenover de voornaamste.
b) Zij, die op de achterbank plaats nemen, stijgen
het eerst in en wel in die orde, dat zij de hun toekomende plaats het gemakkelijkst kunnen innemen; de tweede persoon stapt dus soms vóór den voornaamsten in: na dezen volgen de anderen, insgelijks volgens de door hen in te nemen plaats. Wie de honneurs waarneemt tegenover vreemden, kiest de laatste plaats als hij niet al te hoog boven de tochtgenoten uitsteekt.
c) Bij het uitstappen let men er op, dat de voornaamste in de regel het eerst of het laatst het rijtuig verlaat; de anderen blijven dan voor het portier op hem wachten om hem het eerst de deur te laten binnentreden.
d) Jongere personen moeten de oudere of meer voorname bij het in- of uitstijgen behulpzaam zijn door de voorwerpen aan te nemen, welke deze bij zich hebben, als: mantel, stok, paraplu en valies: soms ook door hun vriendelijk de hand of de arm aan te bieden.
3. Voor het reizen per spoor of per tram geldt het volgende:
a) In de coupé's gaan gewoonlijk de plaatsen, waarop men achterwaarts rijdt, voor de beste door, omdat men, wanneer het raampje geopend is, daar het minst last van tocht heeft; onder deze plaatsen verdienen de beide hoeken weer de voorkeur.
Ofschoon bij het reizen ieder op zijn eigen gemak mag bedacht zijn, moet men toch de voorschriften der wellevendheid niet over het hoofd zien. Het betaamt, dat men aan oude of achtbare personen, aan hooggeplaatsten, oversten, dames, enz. de beste plaatsen overlaat of aanbiedt.
Zulke opmerkzaamheden geven onzen reisgenoten een goede dunk van onze opvoeding en verheffen ons in hun achting.
b) Een welopgevoed man stormt een coupé niet binnen: ‘Haast u langzaam’. Hij dringt anderen niet terug om de beste plaats machtig te worden; neemt niet meer plaats in, dan waarop hij voor zijn persoon aanspraak kan maken. Hij tracht ook niet zijn medereizigers of den conducteur op de een of andere manier te misleiden met betrekking tot het aantal plaatsen of andere omstandigheden.
c) In een spoorwegrijtuig, een tramwagen, enz. lette men op het rijmpje:
Men spreekt niet te luid, want dan stelt men zich kinderachtig aan en stoort men niet zelden de andere reizigers. Men spreke ook niet te veel, vooral niet met vreemden.
Jonge, trotse en onervaren lieden kunnen niet zwijgen. Zij menen aan eenieder te moeten mededelen, wie zij zijn, waarheen zij gaan en wat het doel der reis is. Wijze en verstandige personen openen hun hart slechts voor intieme vrienden en ook dan nog met mate en met waardigheid.
Hoe dikwijls heeft de al te naïeve spraakzaamheid op reis bittere kommer en jarenlange vijandschap veroorzaakt!
Open dan op reis met dezelfde behoedzaamheid en omzichtigheid de mond tot spreken, als de beurs tot betalen.
d) Men zorge de medereizigers niet te hinderen, door luidruchtigheid, door fluiten of zingen, enz. Men berge zijn bagage zo, dat zij niemand hindere. Is een raampje open en bemerkt men, dat dit den een
of anderen onaangenaam is, dan sluit men het, hoe gaarne men het ook open houdt.
Men roke niet in een coupé ‘niet roken’ en de wellevendheid kan vorderen, dat men in een rookcoupé het gezelschap, inzonderheid de dames, toch nog om verlof vrage.
e) In de wagon eten is, in het algemeen genomen, onwellevend. Is het noodzakelijk om de duur der reis en maakt men geen gebruik van een restauratiewagen, dan doet men het stil en bescheiden en gebruike men nimmer spijzen, die een scherpe geur verspreiden. Den medereizigers, die tot een ander gezelschap behoren, mag men fruit, bonbons of gebak aanbieden, doch, tenzij op een lange reis, geen andere spijzen, zelfs dàn niet, als men hen goed kent.
4. Bij het bezoeken van een monument, een kerk, een instituut, een museum, enz. bekijkt men het bezienswaardige, doch men raakt niets aan.
Men schrijft ook nergens zijn naam neer, hetzij in daarvoor opzettelijk bestemde boeken of registers. Of is het geen kinderachtige pralerij, zijn naam overal te willen vereeuwigen?
5. Het is niet onwellevend zich, alvorens zijn intrek in een hotel te nemen, de kamers te laten tonen en, als deze niet bevallen, naar een ander logement om te zien.
6. In logementen gedraagt zich een reiziger tamelijk vrij en ongedwongen, bijna zoals in zijn eigen huis; toch neemt hij steeds de gebruikelijke wellevendheidsvoorschriften in acht.
a) Hij is gereserveerd, doch vriendelijk in zijn optreden: veroorlooft zich nimmer enige familiariteit en stelt zich evenmin grof, veeleisend of bevelend aan tegenover de kellners of bedienden.
b) Rechtmatige klachten dient hij klaar en duidelijk, doch zoveel mogelijk verschonend, ter behoorlijke plaatse in, b.v. aan het ‘Bureau’.
c) Aan de ‘table d'hôte’ gedraagt hij zich voorkomend, bescheiden en volgens de in Hoofdstuk VII voor de maaltijden gegeven regels; vóór alles zij hij matig.
Hij mag niemand gelegenheid geven te denken, dat hij slechts leeft om te eten, of dat hij buitenshuis voor zijn geld zoveel mogelijk wil genieten en geëerd worden.
d) Wat de kamer betreft, waarover hij te beschikken krijgt, zorge hij de voorschriften van netheid en zindelijkheid in overeenstemming te brengen met de vrijheid, die deze beschikbaarstelling hem toekent, en met de voorzichtigheid, die door de komst en het vertoeven van geheel vreemde personen geboden wordt.
In een hotel sluit men altijd de kamer als men daarin niet vertoeft. Gaat men uit, dan geeft men de kamersleutel meestal af aan den concierge. Men vergete niet die bij de thuiskomst terug te vragen. Men kan gebruik maken van al de aanwezige meubelen ook om klederen uit te hangen enz., doch zorge dat de deuren en laden van was- of nachttafel, van kasten enz. niet blijven openstaan; zeker niet, als men de kamer verlaat.
Gewoonlijk opent men dan het raam, als de weersgesteldheid dit veroorlooft. Men late de zorg om wastafel enz. te reinigen aan de bediende over en gebruike zelf de aanwezige wateremmer slechts dan, als men in de loop van de dag herhaaldelijk waswater nodig heeft.
Het is ook gebruikelijk 's avonds de schoenen buiten de deur te zetten en zelfs de bovenklederen ter reini-
ging buiten de kamer te hangen, als dat nodig is. Men dekke het bed altijd toe, voor men 's morgens de kamer verlaat.
e) Het is goed bij aankomst een overeenkomst te treffen over de prijs van kamer, pension, enz., al geven de reisboeken daaromtrent inlichtingen.
Bij het vertrek ziet men dan de rekening na en betaalt deze, als ze in orde is, zonder verdere opmerkingen; is ze niet in orde, dan regelt men de zaak aan het ‘Bureau’. Men geeft den bedienden vriendelijk de gebruikelijke fooien en een woord van dank.
7. De Katholiek moet er een eer in stellen op reis de plichten van zijn godsdienst trouw te vervullen.
Hij zal dit doen zowel met betrekking tot het gebruik van spijzen als tot het bijwonen van de H. Mis of andere kerkelijke diensten en het verrichten zijner gewone gebeden. Ook in keuze van lectuur en van ontspanningen zal hij zich Katholiek weten te tonen. Hij vrage steeds naar Katholieke couranten en vermijde alle ontspanningen, die op gebied van zeden slecht of verdacht zijn. Als hij overal voor zijn Geloof uitkomt en volgens zijn Geloof leeft, zal hij zich zelf en zijn Geloof doen eerbiedigen. Menig Katholiek mag hierin een voorbeeld nemen aan andersdenkenden.
8. Men zal op reis ook aan achtergelaten familiebetrekkingen of vrienden van tijd tot tijd enig bericht zenden en na de thuiskomst soms personen, die op reis bijzondere diensten bewezen hebben, daarvoor vriendelijk bedanken.