De gastvrijheid was in de oude tijden en in de middeleeuwen in hoge ere. De gast werd in de familie met alle onderscheiding ontvangen en behandeld. Men wies hem de voeten, nodigde hem aan de algemene tafel, stond hem het fraaiste vertrek van het huis af en niet zelden werden gast en gastheer door een vriendschapsband verbonden, die slechts de dood kon verbreken.
De tijden zijn veranderd. Een reiziger vindt tegenwoordig overal, waar hij komt, voor geld voedsel en nachtverblijf; ook wordt er thans onvergelijkelijk meer gereisd, zodat men, al zou men het willen, de gastvrijheid niet meer zoals vroeger zou kunnen beoefenen. Toch ontvangt men nog logeergasten en nog steeds oefent zulke verleende gastvrijheid grote invloed uit op het onderhouden en bevestigen der wederzijdse vriendschap.
Het zal dan ook niet zonder nut zijn, iets te zeggen over de plichten van hem, die de gastvrijheid aanneemt en van hem, die ze verleent.
1. Wordt men te logeren gevraagd, dan mag men daaraan gevolg geven:
a) Wanneer zulke uitnodiging oprecht gemeend en hij, die de uitnodiging doet, daartoe bevoegd is.
Studenten mogen daarom aan het verzoek van een medeleerling, om een gedeelte der vacantie bij hem door te brengen, zonder meer, geen gevolg geven. Het is de zaak der ouders, de kameraden hunner kinderen bij zich te verzoeken.
b) Op een tijd, waarop men geen ongelegenheid veroorzaakt. Om zulks te voorkomen, vraagt men eerst, of en wanneer men kan ontvangen worden. Als men dan bemerkt, dat men den gastheer of zijn huisgezin door het verblijf op die tijd in verlegenheid brengt, zoekt men zelf nog een excuus en stelt het bezoek uit.
2. Ongenodigd mag men niet dan bij zijn naaste familie en beste vrienden gaan logeren en dan nog slechts in geval men zeker weet, hun niet hinderlijk te zijn door zulk onverwacht verschijnen.
Het zou b.v. hoogst onbescheiden zijn ongenodigd iemand, alleen op grond van een toevallige en voorbijgaande kennismaking, op te zoeken, of enige tijd als gast bij hem te verblijven; men neme, als men in zulke plaats komt, liever zijn intrek in een hotel.
3. De logé heeft tegenover de gastvrouw en den gastheer op verschillende zaken te letten.
a) Hij zorge overal de regels der wellevendheid te onderhouden. In het bijzonder onderhoude hij datgene wat in het vorige hoofdstuk no. 6d bladz. 215 gezegd is over het gebruik van de kamer, doch lette er tevens op, dat hij deze alleen tijdens zijn aanwezigheid des nachts behoort te sluiten, gelijk hij dit thuis pleegt te doen.
b) Hij zij aangenaam in de omgang, tone zich vriendelijk, geheel op zijn gemak en tevreden met alles, wat het huisgezin van hem vraagt of hem aanbiedt.
Hij aarzele dan ook nimmer gastheer of gastvrouw behulpzaam te zijn in hun bezigheden of hun kleine
diensten te bewijzen. Vooral voor jonge dames komt deze wenk vaak te pas met betrekking tot werkzaamheden in het huishouden.
Inzonderheid zij hij bezorgd, noch tijdens zijn verblijf noch later iets af te keuren in woning, voedsel, bediening en verzorging; zich zeer bescheiden te gedragen, geen vertrekken binnen te gaan, die niet voor hem bestemd zijn en alle familiariteit tegenover de dienstboden te vermijden.
c) Hij vermijde alles, waardoor hij last kan veroorzaken. Hij dringe zich daarom niet op; wil niet overal mede heengaan; vorst niet alles uit omtrent familie en vermogen; trekt zich bijtijds terug, opdat de huisgenoten ongestoord hun zaken kunnen afdoen of zich, indien zij ander bezoek ontvangen, daaraan geheel kunnen wijden, enz.
d) Men vergete niet, dat er een tijd van vertrek komt. Een gast is gewoonlijk welkom, wanneer hij niet te lang blijft. Duurt zijn verblijf langer dan men veronderstelde, dan begint het spoedig lastig te vallen.
e) Hij zij vrijgevig, niet gierig; hij geve b.v. gastheer en gastvrouw of den kinderen des huizes kleine geschenken en bij zijn vertrek den bedienden een fooi, volgens plaatselijke gebruiken en geëvenredigd naar de duur van het verblijf. De fooi wordt bij het vertrek gegeven, niet in doch buiten de keuken, meestal aan de voordeur bij het weggaan. Soms bij kort verblijf onder het bordje gelegd, dat men aan tafel voor zich had.
f) Hij babbele niet over hetgeen hij gehoord of gezien heeft. Bij een enigszins langdurig verblijf in een huis, verneemt men steeds bijzonderheden over de kinderen, het vermogen, de zaken, de relaties, de voorkomende gebeurtenissen, welke de familie niet
graag ter kennis van een ieder brengt. Hier is zwijgen voor den gast ontegenzeggelijk een ereplicht.
g) Na de thuiskomst zorge men, dat het spreekwoord niet toepasselijk worde: ‘Ondank is 's werelds loon’. Men schrijve zeer spoedig aan de gastvrouw (of den gastheer) een recht hartelijke brief om nogmaals voor de gastvrijheid te bedanken. Dankbaarheid is een teken van een edel hart.
4. Wie iemand als gast ontvangt, moet:
a) De kamer, de tafel, enz. voor hem gereed houden.
b) Hem, zeker als hij een aanzienlijk persoon is en het uur van zijn komst bekend maakte, in persoon aan het station afhalen of, wanneer dit onmogelijk zou zijn, het dan door een der zijnen, slechts bij uitzondering door een bediende, laten doen.
c) Hem aanstonds na de eerste begroeting naar zijn kamer brengen en hem zeggen, dat hij het zich zo gemakkelijk mogelijk moet maken en zich in alles als thuis moet beschouwen en gedragen.
d) Hem, zeker de eerste avond, naar zijn slaapkamer geleiden en toezien, of daar alles in orde is: het bed, de kaars, de lucifers, het wasbekken, het water, de karaf met het glas, enz.
e) Hem steeds vriendelijk bejegenen en hem zijn verblijf zo aangenaam mogelijk maken. Zo b.v. zich veel met hem bezighouden; hem alles aanbieden wat hij nodig kan hebben; zijn wensen zelfs voorkomen; met hem kleine uitstapjes of wandelingen doen naar een kerk, een gedenkteken, een museum of naar het een of ander schone plekje; hem tehuis lectuur aanbieden, schrijfpapier, postzegels klaar leggen, enz.
f) Hem nimmer laten voelen, dat hij hinderlijk is; dat een lid der familie om zijnentwille buitenshuis moet slapen; dat de gang der huishouding of de zaken door zijn tegenwoordigheid verstoord worden, enz.