Dit zijn de voornaamste voorschriften der wellevendheid, die in de jeugd aangeleerd en in het latere leven steeds moeten onderhouden worden. Zij verdienen in hoge mate aller waardering en opmerkzaamheid! Of tonen niet juist deze regelen de veilige weg, hoe men in het maatschappelijk leven christelijke ootmoed en bescheidenheid, christelijke naastenliefde en zelfbeheersing, christelijke offervaardigheid en versterving te beoefenen heeft? Hoe geheel anders zou het leven zijn, wanneer allen, die tot de beschaafde wereld willen gerekend worden, zich aan deze grondregelen hielden!
Zeg niet: ‘Het zijn slechts kleinigheden, men kan zich met al die regels niet inlaten; men houde alleenlijk de hoofdzaken in het oog.’
‘Het zijn kleinigheden!’ Ja, maar kleinigheden, die grote invloed uitoefenen op de opvoeding, de vorming van het karakter, het latere leven, de achting der medeburgers, enz.
Zou men ons niet terecht voor dwazen houden, indien wij datgene, waar zoveel van afhangt, als ‘kleinigheden’ verwaarloosden?
‘Het zijn kleinigheden!’ Wie weet echter niet, dat degene, die het geringe en het gewone behartigt, zowel voor de hemel als voor de aarde grote schatten verzamelt en dat meer lieden te gronde gericht worden
door kleine, schijnbaar onbeduidende, doch onnodige uitgaven, dan door de grote en aanzienlijke, die zij voor gewichtige zaken besteden?
‘Het zijn kleinigheden!’ Goed, maar dan zijn zij ook gemakkelijk te onderhouden. Waarom verzetten sommigen er zich dan zo hardnekkig tegen, terwijl toch iedereen toegeeft en voelt, dat wellevendheid voor de jeugd noodzakelijk is?
‘Het zijn kleinigheden!’ Maar, wanneer men ze veronachtzaamt, geeft men ieder ogenblik aanstoot aan huisgenoten, aan kennissen en vreemden. Niemand gelooft, dat de geest ontwikkeld, het hart deugdzaam is, wanneer men zich uitwendig achteloos en wanordelijk gedraagt.
Wie zou ook geloven, dat iemand in staat is, grote offers te brengen, als hij reeds de kleine ontvlucht!
‘Het zijn kleinigheden!’ Maar van deze zegt de geleerde en deugdzame bisschop Fénélon: ‘Zij keren ieder ogenblik weder, zij verschaffen ons aanhoudend de gelegenheid onze hoogmoed, onze traagheid, onze boze neigingen, onze opvliegendheid en onze weerspannigheid te bestrijden en breken in alles en op alle wijzen onze eigen wil. Als men in zulke zaken getrouw wil zijn, dan laat men de natuur de tijd niet tot herademing: zij moet met al haar boze neigingen sterven.’
Waarom zou de ziel, in haar strijd tegen de hartstochten, nu van ‘deze kleinigheden’ niet gaarne alle nut trekken, dat zij haar kunnen opleveren?
‘Het zijn kleinigheden!’ Voor een grootmoedig mens is nooit iets gering, wat zijn plicht hem gebiedt. Hij vervult alle verplichtingen met dezelfde ijver; niet omdat hij geen onderscheid weet te maken tussen klein en groot, maar omdat hij liefde heeft
voor zijn plicht; omdat hij alles, wat hij behoort te doen, hetzij groot of klein, ook wil doen; omdat in zijn oog alles, wat God behagen kan, altijd groot is. Hij wil zijn gelijk een goed kind, dat, wel verre van zijn vader ook maar in het geringste te willen bedroeven, zich beijvert om zelfs diens minste wensen te voorkomen.
Vooral de jeugd moet de beoefening der wellevendheid als iets groots en verhevens behartigen en niet als iets kleins beschouwen. Ongetwijfeld, de studie is voortreffelijker, omdat zij de geest met die wetenschappen en kennissen verrijkt, welke aan het leven een hogere wijding en een meer verheven richting geven; de deugd is kostbaarder, omdat zij de ziel haar ware schoonheid bezorgt en deze tot meer gelijkvormigheid met God verheft; de vorming van het karakter is gewichtiger, omdat zij zelfstandigheid verleent en een stem biedt in moeilijke ogenblikken; maar de wellevendheid helpt dat alles verwerven; zij leert, hoe dit alles in het uiterlijk optreden te tonen; zij geeft aan die edele gaven haar volmaakte schoonheid. Overigens gelijk een enkele valse toon de heerlijkste melodie kan bederven en een enkele misplaatste penseelstreek een portret al zijn waarde kan ontnemen; zo is ook soms een enkele onwellevende houding, een enkel links optreden, een enkel onwellevend woord genoeg, om op iemands persoonlijkheid bij zeer velen het brandmerk der ongeschiktheid te drukken.
Daarom spoedig aan het werk! De jeugd volge deze voorschriften en raadgevingen iedere dag des levens. Zij make zich aan orde en zindelijkheid, aan een nette houding en goede manieren gewoon. Het moge haar al moeite en strijd kosten; zij moet onderdanig, offervaardig, opmerkzaam en voorkomend wor-
den. Overal, waar zij zich bevindt: op kostschool en in de klas, tehuis en in de kerk, in het openbaar en in de kleine kring der familie, moet zij haar opvoeding trachten te volmaken. Dan zal zij de H. Kerk tot troost, de inrichting, waar zij is opgevoed, tot eer, den ouders tot vreugde en sieraad strekken; dan zal zij met vertrouwen een toekomst vol blijde verwachtingen mogen tegemoet gaan.
* * *
Moge onze Goddelijke Verlosser, het Vleesgeworden Woord, het verheven Toonbeeld van alle volmaaktheid en schoonheid, aan deze bewerking, tot Zijn eer ondernomen, Zijn rijkste zegen schenken en haar rijke vruchten doen voortbrengen.
Hij heeft immers gewild, dat de Katholieken, Zijn leerlingen, als zovele afbeeldingen zouden worden van Zijn heiligheid, en Zijn nederigheid, van Zijn naastenliefde, van Zijn volmaaktheid, die tijdens Zijn sterfelijk leven door haar beminnelijkheid aller harten tot Hem trok.
Moge dit werkje hen daartoe ten minste enigszins behulpzaam zijn; moge het vooral onze Katholieke Nederlandse jeugd er toe brengen, dat Goddelijke Toonbeeld meer nabij te komen: ‘opdat zij volmaakt zij, tot alle goed werk toegerust’ (ut perfectus sit homo Dei, ad omne opus bonum instructus). (II Tim. III, 17).
A.M.D.G.