‘Ay ay aay!’
Met een langgerekte kreet van pijn ging Sinapo overeind zitten. Zijn handpalmen betastten voorzichtig zijn buikstreek.
‘Ay Tamushi, ay Tamushi,’ riep hij weer, nu God oproepend hem bij te staan in barensnood. Zijn hoofd liet hij daarbij heen en weer rollen van de linker- naar de rechterschouder, terwijl hij trappelend met zijn voeten schopte tegen de kiezelsteentjes op de rotsige rivieroever waar hij zat.
Plotseling verstijfde zijn lichaam.
Moeizaam liet hij zich achterover zakken. Liggend ontspande zijn lichaam zich niet. Integendeel. Met op elkaar geklemde kaken drukte hij het hoofd en de schouders naar beneden, als wilde hij iets uit zijn lichaam, tussen zijn wijd gespreide benen in, persen. Het zweet druppelde langs zijn voorhoofd.
Koeryoa, die bezorgd had staan toekijken, wiste zijn gelaat met een inderhaast in de rivier gedompelde doek. ‘Is het kind er al, Sinapo?’ vroeg hij, toen hij de spanning uit het mannenlichaam zag wegtrekken en Sinapo, schijnbaar uitgeput, bewegingloos bleef liggen.
Sinapo keerde zich op zijn zij.
‘A ha, zonder twijfel. De druk in mijn buik is weg en ik zag een ster uit de hemel vallen. Laten we gaan kijken.’ Met een sprong, die het onmogelijk deed lijken dat hij zonet nog gillend van pijn op de grond had gelegen, kwam hij overeind.
‘Sinapo!’
Een korte, maar krachtig gebouwde figuur trad uit de schaduw van het struikgewas dat hier en daar op de hogere delen van de rivieroever groeide. In het licht van de maan waren de drie blauwzwarte strepen, die op zijn voorhoofd getatoeëerd waren, goed te onderscheiden. Aan zijn oorlellen blonken dikke staafjes goud. Evenals Sinapo en Koeryoa droeg hij een lendendoek, die tot halverwege zijn dij reikte. Om zijn schouders had hij een korte verenmantel geknoopt.
Dat het hier om een man van aanzien ging was duidelijk, maar welke funktie hij bekleedde was pas goed te zien aan het zakje dat op zijn borst hing. Het zakje bevatte heilzame en beschermende stoffen en diende als talisman. Iedere Trio had wel een talisman, maar slechts de piaiman droeg er één van het fijn bewerkte vel van de ocelot.
‘Goedenavond Peyayo,’ groetten Sinapo en Koeryoa de piaiman.
‘Is het jullie niet opgevallen dat de hemel vannacht bijzonder helder is?’
Gedrieën staarden ze naar het firmament, waar miljoenen sterren, glinsterend als het lichtgevende achterlijf van de vuurvlieg, rond het bleekwitte, eeuwig glimlachende gezicht van de volle maan prijkten.
‘A ha,’ knikte Sinapo, ‘het is een prachtige nacht.’
‘Vreemd,’ mompelde Peyayo.
De anderen keken hem vragend aan.
‘Vreemd,’ mompelde de piaiman nogmaals.
Hij deed een paar stappen naar rechts, draaide zijn hoofd ietwat scheef en zette zijn linkerarm in zijn zij. Na enige seconden maakte hij weer een paar stappen, draaide zijn hoofd naar de andere kant en plaatste de rechterarm in de zij.
Koeryoa en Sinapo probeerden, verontrust hun hoofden meedraaiend met die van Peyayo, een dreigende rampspoed uit de sterren te lezen.
De piaiman wees naar boven.
‘Zien jullie die twee sterren daar?’
De mannen tuurden omhoog, langs de opgeheven vinger van Peyayo.
‘Welke bedoel je,’ vroeg Sinapo. ‘Het zijn er zoveel.’
‘Kijk daar, onder de grote Sano.’
De poolster was door haar uitzonderlijke helderheid duidelijk te onderscheiden van de andere hemellichamen. Vlak onder haar glommen vaag twee identieke lichtjes.
‘Dat is niet normaal,’ zei Peyayo.
‘Ik heb die twee sterren nooit eerder gezien.’
‘Hebben zij iets te betekenen,’ vroeg Koeryoa aan de sterrenwichelende piaiman.
Peyayo lachte zachtjes.
‘Ik denk dat we vannacht een verrassing krijgen. Laten we naar het kamp van Sinapo gaan.’
De mannen liepen in de richting van het dorp dat op een steenworp van de rivier was opgezet. De meeste dorpsbewoners waren in diepe rust. Door de opening aan de voorzijde van hun kampjes was de gebogen lijn van hun lichamen in het katoenen weefsel van hun
hangmatten goed zichtbaar. De drie mannen staken de middenplaats over. Ze liepen voorbij de afgesloten vergaderplaats, die deze nacht eenzaam het middelpunt van het dorp aangaf.
Aan de rand van Warimbomas, zoals het dorp heette, had Sinapo niet zo lang geleden zijn kamp opgezet. De pinabladeren, waarvan hij het tot de grond reikende zadeldak had gemaakt, waren nog niet helemaal droog. Voor de ingang stonden enige vrouwen, die op gedempte toon met elkaar spraken. Toen ze Sinapo zagen, zwegen ze bedrukt. Zonder hem aan te kijken, schoven ze opzij.
Ongerust door hun vreemde reaktie haastte Sinapo, met Koeryoa en Peyayo op de hielen, zich naar binnen.
Zijn vrouw lag in haar hangmat. Op haar borsten lagen twee naakte baby's. Ze waren nog nat van het water waarmee de vroedvrouwen ze na hun geboorte hadden schoongewassen.
Met een beschermend gebaar drukte hun moeder ze tegen zich aan. Sinapo bleef staan. Afwerend hief hij zijn handen omhoog.
- Heeft het lot mij vervloekt? -
Wat had hij verkeerd gedaan? Waarom moesten juist zijn eerstgeborenen een tweeling zijn? Had zijn vrouw hem bedrogen? Waar kwam het tweede kind vandaan? Slechts een kwade geest kon de oorzaak zijn van deze schande. Hij moest de kinderen verdrinken. Hun komst bedreigde zijn welzijn en zijn positie in het dorp.
Hij keerde zich af van zijn vrouw.
Koeryoa voelde medelijden in zich opwellen toen hij de geslagen uitdrukking op het gezicht van zijn vriend las. Hij raakte zijn arm aan in een gebaar van sympathie,
maar Sinapo weerde hem af. Hij moest naar buiten, het bos in, weg van dit wrede schouwspel.
Peyayo hield hem echter tegen.
‘Wacht!’
Hij ging voor Sinapo staan en omvatte zijn gespierde bovenarmen.
‘Ze mogen niet sterven,’ zei hij.
‘Het zijn de twee sterren. We kunnen de tekens des hemels niet negeren. De komst van deze kinderen zou weleens iets bijzonders kunnen aankondigen.’
Twijfel en hoop rezen in het gemoed van Sinapo.
Peyayo legde nadenkend zijn hand op de tatoeage op zijn voorhoofd.
‘De exacte betekenis van hun geboorte is mij nog niet duidelijk, maar als we ze doden, bestempelen we ze bij voorbaat als onheilsboden.’
De ernst in de stem van de piai dwong Sinapo ertoe hem recht in de ogen te kijken.
‘Kan iemand me garanderen dat ze dat inderdaad zijn?’ Niemand antwoordde.
Slechts de wind ritselde door de pinabladeren.
Zonder vrees of afkeer, eerder met ontzag, naderde de geestelijke de hangmat. Voorzichtig keerde hij de pasgeborenen op hun rag. De één was een jongen, de ander een meisje.
Met trillende vingers streelde hun moeder de tere huid van hun mollige babyarmpjes.
Peyayo knoopte zijn talisman los en haalde er een opgerold blad uit, waarin zich het pulver van fijngestampte kusuwépitten bevond.
- Mocht er iets kwaads rondwaren, dan zou deze stof het bezweren. -
De piaiman mengde met enkele druppels water de poeder tot een fel oranje papje. Na zijn vinger in de verf gedoopt te hebben, tekende hij eerst het heilige driestrepenpatroon op het voorhoofd van de jongen en toen op dat van het meisje.
Zachtjes prevelde hij enige rituele spreuken. Toen, luider en duidelijk hoorbaar voor de aanwezigen, ging hij verder op zangerige toon: ‘Dank Tamushi, dank! De stam der Trio's is verrijkt met twee gezonde loten. Eén van het mannelijk geslacht en één van het vrouwelijk geslacht. Dank Tamushi, dank, wij hebben uw tekens gezien en wij zullen ze in acht nemen. Dank Tamushi, dank!’
Nu richtte Peyayo zich rechtstreeks tot de ouders.
‘Jullie kinderen zijn waarlijk een geschenk uit de hemel. Vrees niet voor de toekomst. Wanneer de tijd daar is, zal ik ze onder mijn hoede nemen. Ze zullen worden ingewijd in de geheimen van de piai.’
Zouden de baby's Peyayo begrepen hebben?
Leuk vonden ze het in ieder geval niet, want ze begonnen beiden te krijsen.
Hun moeder draaide ze weer op hun buik en met zachte tikjes op hun billen suste ze hen tot ze in slaap vielen.