terug  begin  verderprepost
[p. 11]

1. Inleiding

Het startschot voor het verzamelen van documentatie over het nationaal-socialisme viel in 1933. In hetzelfde jaar waarin Adolf Hitler in Duitsland aan de macht kwam werd in Amsterdam het Jewish Central Information Office opgericht. Initiatiefnemer was de Duitse arabist Alfred Wiener (1885-1964), die voordat hij uitweek naar Nederland secretaris-generaal was van de Zentralverein deutscher Staatsbürger jüdischen Glaubens. Hij benaderde David Cohen (1882-1967), hoogleraar oude geschiedenis en voorzitter van het Comité voor Joodse Vluchtelingen, met het voorstel een informatiebureau in het leven te roepen. Wiener werd de directeur en Cohen voorzitter van deze organisatie. Op 1 februari 1934 begon het kantoor formeel zijn werkzaamheden in de Sarphatistraat, waar de medewerkers hun intrek namen in een hotelkamer. Hiermee was Amsterdam de geboorteplaats van het eerste instituut in Europa dat zich ten doel stelde documentatie te verzamelen over de vervolging van de joden in Wieners vaderland om gedocumenteerd tegen het fascisme te kunnen waarschuwen. De werkzaamheden werden gefinancierd door het Comité voor Joodse Vluchtelingen.1

In verband met de toenemende oorlogsdreiging werd het kantoor, dat inmiddels zeventien medewerkers telde, in 1939 overgebracht naar Londen. Het werd officieel heropend op 1 september 1939, de dag van de Duitse inval in Polen die het begin van de Tweede Wereldoorlog inluidde. De afdeling die zich ging bezighouden met nationaal-socialisme en fascisme werd genoemd naar de eerste directeur en medeoprichter: de Wiener Library. Dankzij contacten met Amerikaanse joodse organisaties wist Wiener zich ook in de oorlogsjaren te verzekeren van een constante toevloed van materiaal, en voorzag hij de Engelse regering van waardevolle informatie over de activiteiten van de nazi's. Het initiatief van Wiener was een voorbode van de doorbraak van de contemporaine geschiedbeoefening als volwaardig genre, die na de Tweede Wereldoorlog zijn beslag zou krijgen.2 Politiek en moreel engagement zou daarin naast wetenschappelijke analyse een belangrijke, zij het niet onomstreden, rol blijven spelen.

[p. 12]


illustratie
Alfred Wiener met vrienden en collega's van de Wiener Library. Van links naar rechts: Susanne en Werner Rosenstock, Ilse Wolff, Alfred Wiener, Eva en Hans Reichmann.

Na de oorlog breidde de bibliotheek haar werkterrein uit tot de gehele hedendaagse geschiedenis, met een accent op zaken als totalitaire bewegingen, racisme en vluchtelingen. De Wiener Library groeide uit tot de grootste verzameling ter wereld van boeken, tijdschriften, kranten en documenten over het nationaal-socialisme en het fascisme. De historicus Walter Laqueur volgde Wiener in 1964 op als directeur van wat nog steeds een particuliere bibliotheek was. In 1974 kwam een overeenkomst tot stand met de Universiteit van Tel Aviv, die de bibliotheek voorlopig uit de rode cijfers hield. Toen in 1980 nog geen geldschieter was gevonden, verhuisde een belangrijk deel van de collectie naar Tel Aviv.3 In Londen bleef een substantieel gedeelte achter als onderdeel van het Institute of Contemporary History, met het gevolg dat twee bibliotheken nu dezelfde naam dragen. Opvallend in de ontstaansgeschiedenis van de Wiener Library is de vrijwel geruisloze en kennelijk vanzelfsprekende integratie van de vervolging en vernietiging van de joden in een ruimer kader.

Het Yidisher Visenshaftlikher Institut (yivo), dat in 1925 in Vilna zijn

[p. 13]

werkzaamheden was begonnen, werd, eveneens in 1939, verplaatst naar New York. Dit instituut kwam voort uit het Oost-Europese jodendom, dat in de decennia voor de oorlog een ware joodse renaissance beleefde. Anders dan in West-Europa leidde het proces van secularisatie en modernisering onder de Oost-Europese joden tot een sterke opleving van joods-nationale gevoelens. Simon Dubnov, de geestelijk vader van het yivo, had kort voor de eeuwwisseling een volksbeweging ontketend voor de documentatie van de joodse geschiedenis in Rusland en Polen. Deze explosie van historische activiteiten viel samen met het ontstaan van seculiere nationale en socialistische bewegingen onder de joden in dit gebied. De betrokkenen beperkten zich veelal tot het vastleggen van de chronologie van gebeurtenissen en ontwikkelingen. Daarnaastwijdde een kleine groep Poolse joden zich aan wetenschappelijke geschiedschrijving. Een van hen was Philip Friedman (1901-1960), die zich vooral bezighield met de moderne geschiedenis van de joden in Polen. Met de vernietiging van zes miljoen Europese joden door de nationaal-socialisten werd ook dit onderdeel van de Oost-Europese joodse cultuur praktisch weggevaagd. Talrijke projecten en plannen zouden nooit worden gerealiseerd.4

Na afloop van de oorlog probeerden overlevenden de draad weer op te pakken. Maar ook tijdens de oorlog hadden vooral in Oost-Europa enkele clandestiene organisaties de vervolging en wreedheden voor het nageslacht vastgelegd. De twee bekendste voorbeelden komen beide uit het getto van Warschau: de groep Oneg Shabbat onder leiding van Emmanuel Ringelblum5 en de dagboeken van Noah Levinson. The Wall (1950), geschreven door John Hersey en gebaseerd op Levinsons dagboekaantekeningen, werd door velen gelezen. Toen de oorlog was beëindigd, ontstond in de voormalige door nazi-Duitsland beheerste en bezette gebieden een netwerk van joodse historische comités die zich ten doel stelden documentatie te verzamelen over de lotgevallen van de joden in het nazi-tijdperk. De verzamelde gegevens waren aanvankelijk vooral bestemd voor de vervolging en berechting van oorlogsmisdadigers. De coördinatie van deze comités was in handen van het Centrale Historische Comité in München dat in 1945 was opgericht door het Centrale Comité van Bevrijde Joden.6

Friedman, die de oorlogsjaren had weten te overleven in zijn geboortestad Lwów, was vanaf de oprichting betrokken bij deze comités. Hij werd het hoofd van het Centraal Joods Historisch Comité in Polen, aanvankelijk gevestigd in Lublin en vervolgens in Lodz, dat belast werd

[p. 14]

met het verzamelen van gegevens over oorlogsmisdaden door de nazi's. In 1947 verhuisde het comité van Lodz naar Warschau, waar het zijn activiteiten voortzette onder de naam Joods Historisch Instituut in Polen.7

Na te zijn opgetreden als getuige bij de processen in Neurenberg wijdde Friedman zich twee jaar aan onderwijs aan ‘Displaced Persons’ die in kampen in Duitsland waren ondergebracht. En passant wist hij ook nog tijd te vinden om het Centre de Documentation Juive Contemporaine (cdjc), dat in 1943 in Grenoble clandestien was opgericht door Isaac Schneersohn en na de oorlog naar Parijs werd overgebracht, te helpen bij de opbouw van zijn collectie.

Friedman, die wel de vader van de joodse ‘holocaust-literatuur’ wordt genoemd, sprak in een van zijn artikelen over de activiteiten van de historische comités van een ‘outburst of emotionalism that has had no precedent in our literature’. Gedurende de eerste jaren na de oorlog waren de amateur-historici volgens hem niet in staat hun gevoelens te beheersen en hun herinneringen aan de verschrikkingen te onderdrukken. De sterk emotioneel geladen geschriften van de overlevenden-historici streken Friedman kennelijk tegen de professionele haren in. Het vastleggen van de ramp die het joodse volle in Europa had getroffen in het tijdvak 1933-1945, moest naar zijn mening zo afstandelijk en feitelijk mogelijk geschieden.8

Als gevolg van de uittocht van de joden uit de dp-kampen werden de meeste joodse historische comités ontbonden. De belangrijkste bestemmingen voor deze joden waren de Verenigde Staten en Palestina/Israël. Met de opname van de immigranten werden de Verenigde Staten en Israël de belangrijkste centra voor de bestudering van wat in Israël de Shoah en in de Verenigde Staten de Holocaust zou gaan heten.

Friedman en Isaiah Trunk behoorden tot degenen die zich evenals de stroom joodse emigranten van rond de eeuwwisseling aan de overzijde van de Atlantische Oceaan vestigden. Friedman vond professioneel onderdak bij Columbia University, maar bleef een eenling in de academische wereld. Hij ondervond aanvankelijk, ook van de belangrijkste joodse organisaties, weinig steun voor zijn onderzoek naar de Holocaust. De oprichting van Yad Vashem in Jeruzalem (1953) en van de Conference on Jewish Material Claims against Germany zouden uitkomst bieden. Trunk (1905-1981) maakte in de jaren dertig deel uit van de groep historici rondom het yivo. Na de oorlog werd hij direct actief in het Centraal Joods Historisch Comité in Polen. In 1953 vertrok hij naar de Ver-

[p. 15]

enigde Staten, in de voetsporen van het yivo, dat al in 1939 naar New York was verplaatst. Hij werd een van de bekendste historici van het instituut.9

In Israël werd een snelle ontplooiing van het onderzoek naar de recente geschiedenis bemoeilijkt door het conflict met de Arabische wereld en de opvang van de massa-immigratie. Pas in 1953 kreeg Yad Vashem, dat in embryonale vorm in 1942 was opgericht, officiële status. De Knesset, het Israëlische parlement, droeg Yad Vashem een tweeledige taak op: documentatie van de vernietiging van de joden en hun verzet daartegen en tegelijkertijd de herdenking van de ‘martelaren’ en ‘helden’ van de vernietiging.10

Dat deze tweeledige opdracht vanuit zuiver geschiedwetenschappelijk oogpunt problematisch was, realiseerden sommigen zich al voor deze formeel werd verleend. I.L. Seeligmann (1907-1982), die vanaf 1946 conservator was van de Bibliotheca Rosenthaliana en in januari 1950 naar Israël emigreerde, nam kort na zijn vertrek, in september 1950, als Israëlische afgevaardigde deel aan de conferentie World War ii in the West, die onder auspiciën van het Nederlandse Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam werd gehouden. Enigszins verontschuldigend beklemtoonde hij dat in de Israëlische historiografie nationale sentimenten een grote rol speelden en hij vroeg de conferentiegangers om begrip hiervoor.11

De staf van Yad Vashem bestond de eerste jaren uitsluitend uit overlevenden, die de vervolging aan den lijve hadden ondervonden en in meerderheid amateur-historici waren. Alle medewerkers waren geworteld in de Oost-Europese joodse historiografische traditie.12 Yad Vashem richtte zich aanvankelijk vooral op het verzamelen en uitgeven van bronnen voor de geschiedschrijving van de vervolging en vernietiging van de joden. Daarnaast werd vrijwel vanaf het begin onder de titel ‘Metropolises of Israel’ gewerkt aan een serie uitgaven over de grote joodse centra in Centraal- en Oost-Europa, die door de nazi's van de aardbodem waren weggevaagd.13 In 1960 zou Yad Vashem besluiten over alle joodse gemeenten in het gedurende de Tweede Wereldoorlog door Duitsland beheerste gebied encyclopedieën uit te brengen. De serie kreeg de titel Pinkas Hakehilloth, notulenboeken van de grotendeels verdwenen joodse gemeenschappen. De besturen van de joodse gemeenten hadden sinds jaar en dag dergelijke boeken bijgehouden. In 1985 verscheen in Jeruzalem het deel over Nederland. De Nederlandse editie van Pinkas werd in 1992 gepubliceerd.14

[p. 16]

Op het Europese continent bleven drie onderzoeksinstituten bestaan die in joodse kring waren opgericht met het oog op de documentatie en geschiedschrijving van de jodenvervolging: de Wiener Library in Londen, het cdjc in Parijs en in Warschau het Historisch Instituut, dat een directe voortzetting was van de joodse historische comités.

Initiatieven tot wereldwijde coördinatie en samenwerking, waarin Friedman in de periode 1945-1950 een belangrijke rol speelde, liepen op niets uit. Het enige tastbare resultaat van verschillende internationale conferenties, achtereenvolgens in Jeruzalem (1947), Parijs (1947), New York (1949) en Amsterdam (1950), was een bibliografisch samenwerkingsproject tussen het yivo en Yad Vashem, waaraan Friedman tot zijn overlijden in 1960 leiding gaf.

 

In Nederland, België en Frankrijk waren geen vergelijkbare comités van de grond gekomen. De historische comités elders in Europa waren veelal in de dp-kampen ontstaan, waar grote concentraties van overlevende en ontheemde joden waren ondergebracht. Zij wilden of konden niet terugkeren naar hun vroegere woonplaatsen en in afwachting van emigratie probeerden zij opnieuw een begin van een gemeenschappelijk bestaan op te bouwen. Op Nederlands, Belgisch en Frans grondgebied waren geen dp-kampen gevestigd. De joden die na de bevrijding in Nederland weer opdoken of terugkeerden uit het oosten waren gepreoccupeerd met de wederopbouw van hun bestaan. Anders dan de meerderheid van hun Oost-Europese lotgenoten zagen zij emigratie niet als de enige uitweg. Maar ook het ontbreken van een geprononceerd joodsnationale oriëntatie speelde ongetwijfeld een rol. Hoewel onder de joden in Nederland voor de oorlog sprake was geweest van een toenemend joods bewustzijn, was het zionisme een beweging met slechts een beperkte aanhang gebleven.15

Wel waren er in Nederland individuele joden die vrijwel onmiddellijk naar de pen grepen. Hun werk is doortrokken van de woede en verbijstering over deportatie en moord. H. Wielek, pseudoniem van Willy Kweksilber, voltooide het werk van twee journalisten die tijdens de Duitse bezetting waren begonnen aan een eerste gedocumenteerde geschiedenis van de jodenvervolging. Beiden werden door de nazi's gedeporteerd en om het leven gebracht (De oorlog die Hitler won [1947]). De socialistisch-zionistische voorman, S. de Wolff, die door uitwisseling vanuit Bergen-Belsen Palestina had weten te bereiken, schreef daar Geschiedenis der Joden in Nederland. Laatste bedrijf (1945). Tenslotte publi-

[p. 17]

ceerde de industrieel S. van den Bergh Deportaties. Westerbork Theresienstadt Auschwitz Gleiwitz (z.j.).

Daarnaast werd kort na de bevrijding het initiatief genomen tot uitgave van het verzamelwerk Onderdrukking en Verzet. Nederland in Oorlogstijd. De redactie benaderde Abel Herzberg, die voor de oorlog van 1934 tot 1939 voorzitter van de Nederlandse Zionistenbond (nzb) was geweest, met het verzoek een bijdrage te leveren over de jodenvervolging. Herzberg behoorde tot de Nederlandse joden die in de zomer van 1945 terugkeerden uit Bergen-Belsen. Zijn Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945, die in 1950 verscheen in het derde deel van Onderdrukking en Verzet, behoort internationaal gezien tot de vroegste literatuur over de vervolging en vernietiging van de joden.

In datzelfde jaar kreeg de historicus Jacques Presser van het Directorium van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie de opdracht een monografie te schrijven over de jodenvervolging in Nederland. Presser had de Duitse bezetting overleefd in de onderduik, maar zijn vrouw was, toen zij zich buitenshuis waagde, opgepakt en naar Sobibor verdwenen. De opdracht aan Presser zou vijftien jaar later uitmonden in de tweedelige studie Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945. In 1955 vroeg de toenmalige minister van Onderwijs en Wetenschappen, J.M.L.Th. Cals, de historicus en directeur van het riod, Loe de Jong, de Nederlandse oorlogsgeschiedenis te schrijven. De jong had in mei 1940 met zijn vrouw weten te ontkomen naar Engeland, waar hij afgesneden van zijn familie in bezet gebied gedurende de oorlogsjaren werkzaam was geweest voor Radio Oranje, het radioprogramma van de Nederlandse regering in ballingschap. Verspreid over dertien delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog die tussen 1969 en 1988 verschenen, vormen de passages over de jodenvervolging tezamen in feite een monografie over dit onderwerp.

Daarmee neemt Nederland in internationaal perspectief een bijzondere plaats in. De oprichting van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1945 en de opdrachten aan Herzberg, Presser en De Jong hebben ertoe geleid dat in een relatief vroeg stadium de meest voor de hand liggende vragen en benaderingen aan de orde werden gesteld.

In België werd een direct naoorlogs initiatief tot oprichting van een vergelijkbaar instituut niet gerealiseerd. Pas door de klimaatsverandering in de jaren zestig en de opleving van de belangstelling voor de oorlog, zou in 1968 het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog worden opgericht.16 Het onderzoek naar

[p. 18]

de lotgevallen van de joden staat in België nog in de kinderschoenen. De eerste serieuze studie werd pas in de jaren tachtig gepubliceerd door Maxime Steinberg, leraar geschiedenis in Brussel en zelf als kind aan de greep van de nazi's ontkomen. Tussen 1983 en 1986 publiceerde hij zijn driedelige L'étoile et le fusil.

In Frankrijk werd in 1951 het Comité d'Histoire de la Deuxième Guerre Mondiale in het leven geroepen. Dit werd in 1978 omgevormd tot het Institut d'Histoire du Temps Présent.17 Maar vanuit het cdjc werden in Frankrijk al kort na de oorlog de eerste werken over de jodenvervolging binnen de Franse grenzen gepubliceerd, waaronder veel bronnenuitgaven.18 De publicaties van de pioniers bleven in Frankrijk buiten de leringen rondom het cdjc echter vrijwel onopgemerkt. Eerst in het begin van de jaren tachtig slaagde het duo Robert Paxton en Michael Marrus, respectievelijk Amerikaans en Canadees historicus, er in de aandacht van het publiek te trekken voor het lot van de joden in Frankrijk met hun Vichy et les Juifs (1981). Afgezien van de pioniers van het cdjc, weigerden Franse historici decennialang joden te beschouwen als een groep met een eigen geschiedenis, aangezien dit zou neerkomen op het isoleren van de joden uit de Franse natie. Overigens wilde ook de overgrote meerderheid van de joden in Frankrijk, het land van de emancipatie, niets liever dan wederom als Franse staatsburgers met het joodse geloof te worden beschouwd. Een andere verklaring kan zijn dat de Franse academische geschiedbeoefening na de oorlog werd gedomineerd door de Annales-school. Deze was vooral geïnteresseerd in processen en trends op de lange termijn, de longue durée, en niet zozeer op de ‘evenementiële’ politieke geschiedenis.19 Volgens de Australische historicus R.J.B. Bosworth kunnen oorzaak en gevolg echter ook worden omgekeerd. Wellicht is het gebrek aan belangstelling van Franse intellectuelen ook te beschouwen als een symptoom van de verdringing van het Franse oorlogsverleden.20

Terwijl het onderzoek naar de jodenvervolging elders in West-Europa en de Verenigde Staten een kwestie van particulier joods initiatief bleef, beschouwde het Nederlandse Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, een staatsinstelling, het onderzoek naar de lotgevallen van de joden tijdens de Duitse bezetting van meet af aan als een onderdeel van zijn taak. Deze uitzonderlijke situatie was in belangrijke mate te danken aan de inzet van de chef, later directeur, van het instituut, Loe de Jong. In Nederland kwam geen joods historisch comité tot stand, maar traden joden in dienst van het Amsterdamse instituut. Behalve Loe de Jong

[p. 19]

behoorden Ben Sijes (1908-1981) en Dolf Cohen (1913) tot de medewerkers van het eerste uur.

 

Tot in de jaren zestig waren de overzichtsstudies naar de massamoord op de Europese joden op de vingers van één hand te tellen. De auteurs waren bijna allen van origine geen historici. In het Verenigd Koninkrijk schreef de schilder en schrijver Gerald R. Reitlinger (1900-1978), puttend uit de collectie van de Wiener Library, een studie die in 1953 verscheen onder de titel The Final Solution. The Attempt to Exterminate the Jews of Europe 1939-1945. Twee jaar eerder was in Parijs Bréviaire de la haine verschenen van Léon Poliakov (1910-1997), die verbonden was aan het cdjc. Poliakov was jurist, maar hield zich sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog bezig met de geschiedschrijving van het antisemitisme en de jodenvervolging. De verschijning van de boeken van Poliakov en Reitlinger onderstreepte het belang van de in Parijs en Londen gevestigde onderzoeksinstituten. Beide auteurs hadden overigens eveneens dankbaar gebruikgemaakt van de collectie en expertise van het riod.

Des te opmerkelijker is daarom de omvangrijke studie The Destruction of the European Jews (1961), die de politicoloog Raul Hilberg (1926) in de Verenigde Staten zonder noemenswaardige institutionele inbedding of ondersteuning publiceerde. Als joodse vluchteling kwam Hilberg echter in aanmerking voor een stipendium van een joodse organisatie, die met Duitse Wiedergutmachungsgelden projecten in het kader van de joodse culturele wederopbouw ondersteunde.21 Op advies van zijn promotor Friedman stuurde hij - in 1958 - zijn manuscript naar Yad Vashem in Jeruzalem. Deze instelling stond destijds onder leiding van Jozeph Michman, van huis uit classicus, die in 1957 Nederland had verlaten om zich permanent in Israël te vestigen. Hij weigerde het manuscript uit te geven. In de eerste plaats vond hij een onoverkomelijk bezwaar dat Hilbergs studie vooral op Duitse bronnen was gebaseerd. Bovendien kon de staf van Yad Vashem zich niet vinden in zijn analyse van het vraagstuk van de reacties van joden op de nazi-vervolging. Hilberg reageerde geschokt op de afwijzing van zijn manuscript in Jeruzalem. In zijn memoires The Politics of Memory. The Journey of a Holocaust Historian (1996) benadrukt hij dat hij zijn boek vooral voor joden had geschreven.22

De motivering van Michman weerspiegelt de opvattingen die Friedman omstreeks dezelfde tijd ventileerde over het gewenste perspectief bij de bestudering van de nationaal-socialistische moord op de joden.

[p. 20]

In een lezing die hij in 1957 in Jeruzalem hield, pleitte hij voor een ‘judeocentrische’ - in tegenstelling tot ‘nazicentrische’ - geschiedschrijving van deze traumatische episode uit de joodse geschiedenis. Joden dienen in de historiografie niet alleen als slachtoffers te figureren van de vervolging door de nazi's, maar ook en vooral als dragers van een gemeenschappelijk bestaan. De geschiedschrijving die inmiddels beschikbaar was voldeed niet aan dit uitgangspunt en werd door Friedman in twee categorieën ingedeeld. Aan de ene kant hadden historici volgens hem hun toevlucht genomen tot de zogeheten Leidensgeschichte, waarin joden als slachtoffers van de wreedheden van de nazi's worden beschouwd. Sedert de emancipatie van de Europese joden werd deze benadering in de joodse historiografie als achterhaald beschouwd. Daartegenover stonden publicaties waarin juist het verzet van joden centraal stond. De auteurs van deze laatste categorie waren meestal actief geweest in de strijd tegen de nationaal-socialisten of zij waren lid van joodse jongerenorganisaties. De ‘verzetsschool’ viel uiteen in een nationalistische en een communistische stroming. De zionisten, orthodoxe joden en bundisten (aanhangers van de socialistische Allgemeiner Jiddischer Arbeiter Bund) beklemtoonden de eenheid en samenwerking van het joodse volk en joodse organisaties in de strijd tegen de nazi's, terwijl de communisten juist de tegenstellingen centraal stelden. In de visie van de laatsten hadden de bourgeoisie en de Joodse Raden het gewone volk verraden.23

In Israël werd deze paradigmatische tweedeling tot een twee-eenheid gesmeed in het begrippenpaar ‘catastrophe’ en ‘resistance’. Een messiaans geïnspireerde variatie op dit tweepolig interpretatiekader is het paar ‘catastrophe’ en ‘redemption’ (verlossing), waarbij het laatste begrip verwijst naar de oprichting van de staat Israël. Volgens deze interpretatie wordt het herstel van de nationale soevereiniteit van het joodse volk beschouwd als het gevolg van een goddelijk ingrijpen en als een bevestiging van de bijzondere relatie van het joodse volk met God. De studie van Hilberg paste niet binnen een van beide kaders en werd derhalve niet in het Hebreeuws vertaald. Hannah Arendts omstreden Eichmann in Jerusalem (1963) was in Israël eenzelfde lot beschoren.

De Israëlische journalist Tom Segev stelde onlangs in zijn veelbesproken studie The Seventh Million. The Israelis and the Holocaust (1993) dat de meeste serieuze historiografie van de vervolging en vernietiging van de joden weliswaar door joden, maar niet door Israëli's werd geschre-

[p. 21]

ven. Dit gegeven bracht Amos Elon, een collega van Segev, tot de observatie dat het meer dan een generatie duurde eer in Israël historici op het toneel verschenen die in staat waren om de geschiedenis van de moord op de joden los te maken van hun eigen biografieën.24 Hoewel Elon deze opmerking niet nader uitwerkt, lijkt zij te impliceren dat joodse auteurs buiten Israël hiertoe wél in staat waren.

 

In deze studie staat tegen een internationale achtergrond de geschiedschrijving van de jodenvervolging centraal van de drie Nederlandse auteurs Abel Herzberg, Loe de Jong en Jacques Presser. Evenals hun hierboven genoemde buitenlandse collega's waren zij joden, wier leven door de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog ingrijpend werd beinvloed. Zij behoorden tot de vervolgden en leden als zodanig buitengewoon gevoelige verliezen in hun persoonlijk leven. Herzberg, De Jong en Presser zijn in Nederland veruit de bekendste geschiedschrijvers van de jodenvervolging en worden vrijwel unaniem beschouwd als de drie belangrijkste auteurs over dit hoofdstuk uit de Nederlandse geschiedenis. Het is in de eerste plaats aan hun inzet te danken dat de lotgevallen van de joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog relatief vroeg werden geboekstaafd.

Uitgangspunt van deze studie is dat er een verband bestaat tussen de ervaringen tijdens de oorlogsjaren van deze historici en hun geschiedverhaal. Deze relatie is niet gemakkelijk te analyseren of te onderzoeken, laat staan met zekerheid vast te stellen. Subjectieve elementen en waardeoordelen zijn in de geschiedschrijving nu eenmaal meestal niet als zodanig gemarkeerd. Ook in het geschiedkundig werk van De Jong en Presser is dit niet het geval. Zij maken de lezer geen deelgenoot van de dialoog die zich tijdens het schrijven moet hebben afgespeeld. Van het drietal is Herzberg degene die op verschillende plaatsen in zijn verhaal openlijk wikt en weegt alvorens zijn oordeel uit te spreken.

Wel hebben zij allen eigen ervaringen verwerkt in hun geschiedverhaal, hetgeen in internationaal perspectief uitzonderlijk is. De meeste historici van de jodenvervolging - dit geldt ook voor de ‘tweede generatie’ - brachten hun persoonlijke geschiedenis en/of die van hun familie tijdens de oorlogsjaren onder in het voorwoord of wijdden er een autobiografisch werk aan. Door het voorwoord te gebruiken voor een mededeling over hun persoonlijke relatie tot hun onderwerp, wekkeen zij de indruk dat het eigenlijke geschiedverhaal is gevrijwaard van de invloed van de eigen geschiedenis. Op het eerste gezicht wijken Herzberg, Pres-

[p. 22]

ser en De Jong in dit opzicht af van hun buitenlandse collega's en tijdgenoten. Door de eigen ervaringen te integreren in het geschiedverhaal herinneren zij de lezer er regelmatig aan dat de schrijver onderdeel uitmaakte van de door hem beschreven gebeurtenissen. Maar bij nadere beschouwing suggereert ook dit procédé dat de auteur in het verdere geschiedverhaal afwezig is. In beide gevallen ontslaat de historicus zich dus van de moeilijke taak in de tekst zelf de relatie tussen de eigen persoon en de gebeurtenissen die hij beschrijft tot onderwerp van analyse te maken.

De relatie tussen de historicus en het verleden, in dit geval de vervolging en vernietiging van de joden, kan worden onderzocht in termen van ‘overdracht’. Dit uit de psychoanalyse afkomstig begrip staat centraal in de essaybundel van de Amerikaanse ideeënhistoricus Dominick LaCapra. De overdrachtsrelatie blijft in het algemeen onbewust en derhalve onuitgesproken. LaCapra beklemtoont het belang van zelfbewustzijn en zelfreflectie van de historicus en vindt dat de overdrachtsrelatie in de vorm van een dialoog tussen de geschiedschrijver en zijn studie-object in de geschiedschrijving moet worden geïntegreerd. De vorm van de overdracht, schrijft LaCapra, varieert met de subjectpositie van de historicus. Een (familielid van een) overlevende reageert immers anders op dit buitengewoon traumatische verleden dan een (familielid van een) dader.25 De subjectpositie van de historicus in relatie tot de jodenvervolging moet worden aangevuld, ja zelfs betwist door andere rollen, zoals die van kritische lezer en intellectueel. In hoeverre de subjectpositie de geschiedschrijving beïnvloedt is afhankelijk van de wijze waarop de overige samenstellende delen van de identiteit warden ingezet. Alleen wanneer de geschiedschrijver letterlijk bezeten is van het verleden, wordt de subjectpositie een volledige identiteit.26

In deze studie wil ik een poging wagen de relatie tussen de eigen ervaringen van de drie Nederlandse historici en hun geschiedverhaal nader te onderzoeken, anders gezegd de door LaCapra bedoelde dialoog achteraf zoveel mogelijk te reconstrueren. Voor de wijze waarop de eigen ervaringen doorwerken in de keuzes van de geschiedschrijver zijn levensbeschouwelijke factoren, in dit geval de visie op het jodendom en de joodse geschiedenis, cruciaal. Daarom volgen hierna allereerst drie biografische schetsen waarin wat de levensgeschiedenissen betreft de nadruk zal liggen op de joodse achtergrond en joodse identificatie van de drie historici, hun lotgevallen in het tijdvak 1933-1945, hun positie en participatie in de joodse gemeenschap voor, tijdens en na de oorlog.

[p. 23]

Aangezien de professionele identiteit een belangrijke factor is in de constructie van het geschiedverhaal, krijgen de opleiding en vorming van de historici in deze schetsen de nodige aandacht. Voorts komen de institutionele achtergronden van hun geschiedkundig werk aan de orde. Bovendien zal hun naoorlogse publieke optreden worden behandeld, voorzover dit verband houdt met hun werk over de jodenvervolging.

Na deze biografische schetsen volgen twee hoofdstukken waarin enkele kernthema's uit de geschiedschrijving van de vervolging en vernietiging van de joden aan de orde komen tegen de achtergrond van de spanning tussen de eigen ervaringen van de historici en hun professionele keuzes. In hoofdstuk 3 wordt hun behandeling van de samenstelling en positie van het vooroorlogs Nederlands jodendom in relatie tot de reactie op de jodenvervolging besproken, zowel in de jaren voor de oorlog als tijdens de bezetting. Vanzelfsprekend komt hierbij de behandeling van de aard en rol van het antisemitisme aan de orde en, in het verlengde hiervan, de rol van het zionisme onder de Nederlandse joden. Door de beschikbaarheid van tal van zeer diverse bronnen uit verschillende perioden27 is het mogelijk na te gaan of en in welke mate de visie van de drie historici op het joodse leven in de diaspora door de moord op de joden en door de stichting van de staat Israël is veranderd.

Het optreden van de Joodse Raden in de door de Duitsers bezette en beheerste landen is vanaf de vroege jaren zestig vrijwel onafgebroken onderwerp van internationaal debat geweest. Het Eichmann-proces, dat in 1961 in Jeruzalem werd gehouden, en met name Hannah Arendts Eichmann in Jerusalem (1963) gaven het startschot voor een geladen discussie over collaboratie en passiviteit. Hilbergs studie, die enkele jaren tevoren in Jeruzalem zo afwijzend was beoordeeld, kreeg in deze polemiek een centrale plaats. Voorts voorzag The informed heart (1960) van de psychoanalyticus Bruno Bettelheim over de psychische effecten van de vervolging op het individu, de deelnemers aan het debat van munitie.

Het debat, dat in belangrijke mate een interne joodse aangelegenheid was en vooral in Jeruzalem en New York werd gevoerd, vond ook zijn weerklank in Nederland. Twee Nederlandse auteurs waren Arendt voor geweest. Onder de buitenlandse correspondenten die het proces in Jeruzalem bijwoonden, bevonden zich Harry Mulisch en Abel Herzberg. Mulisch schreef daarna De zaak 40/61 (1962) en Herzberg Eichmann in Jeruzalem (1962). Maar het was vooral de publicatie van Pressers Ondergang (1965) die de internationale discussie naar Nederland bracht.

[p. 24]

Hoofdstuk 4 is in zijn geheel gewijd aan de behandeling en beoordeling van het optreden van de Joodse Raad door het Nederlandse drietal, tegen de achtergrond van het internationale debat. De centrale plaats van dit thema in de historiografie van de jodenvervolging rechtvaardigt dit.

In het volgende hoofdstuk staan enkele theoretische aspecten centraal. Nog afgezien van de geringere psychologische afstand tot het verleden, die inherent is aan de contemporaine geschiedbeoefening, plaatst de vervolging en vernietiging van de joden de historicus in verschillende opzichten voor uitzonderlijke problemen. Het betreft hier een buitengewoon complex internationaal historisch verschijnsel dat velen - en niet alleen historici - aanvoelen als een intellectueel, moreel en emotioneel overweldigend onderwerp. Menig onderzoeker heeft na vele jaren, soms vrijwel het gehele arbeidzame leven, aan de bestudering ervan te hebben gewijd, de wezenlijke onbegrijpelijkheid van de massamoord op de joden onderstreept.28 Harry Mulisch formuleerde dit probleem in 1967 kernachtig door de nazi's ‘marsbewoners’ te noemen. ‘De wereld van de nazi's,’ stelde hij, ‘kan niet in enige ontwikkeling ingepast worden, want zij is volstrekt zinloos.’29 Derhalve dringt de vraag zich op of de Nederlandse historici zich hebben gewaagd aan een poging tot verklaring van de massamoord op de joden als historisch verschijnsel. Of hebben zij zich wellicht beperkt tot een reconstructie van de gebeurtenissen?

Maar ook in het laatste geval moet de historicus keuzes maken die grote gevolgen hebben voor zijn geschiedverhaal. Een centraal thema in dit hoofdstuk is het probleem van het vinden van een evenwicht tussen de emoties die het onderwerp bij de historicus oproept en de intellectuele afstand die noodzakelijk is om het onderzoek te verrichten. Hoe heeft het Nederlandse drietal dit probleem gehanteerd en ‘opgelost’? Hebben zij zich bij het vastleggen van de verpletterende gebeurtenissen bediend van speciale technieken en stijlmiddelen? Welle genre kozen zij voor het vastleggen van de vervolging en vernietiging van de joden? Deze theoretische vragen zullen in hoofdstuk 5 aan de orde komen.

In het verlengde van bovenstaande aspecten ligt de vraag naar de legitimiteit van morele oordelen in de geschiedschrijving van de jodenvervolging. Sinds de jaren tachtig is onder historici de zogeheten historiserende benadering van het nationaal-socialisme in zwang geraakt. Een wezenlijk bestanddeel van deze nieuwe aanpak is het terugdringen van de morele dimensie in de geschiedschrijving. Onder professionele historici heerst hierover vrijwel consensus, aangezien morele oordelen inzicht in en verklaring van de gebeurtenissen in het verleden in de weg staan.

[p. 25]

Daarentegen beweert de Israëlische historicus Saul Friedländer dat het onmogelijk is ten opzichte van dit historisch verschijnsel een moreel neutraal gezichtspunt in te nemen. Wetenschappelijke distantie ten opzichte van het nazisme is volgens hem ‘een psychologische en epistemologische illusie’.30

Deze uitspraak van Friedländer kan worden geïnterpreteerd als een variatie op een bekend thema, namelijk de problematische aspecten van eigentijdse geschiedschrijving. De geschiedschrijving van de jodenvervolging stelt de discussie over de plaats van waarden in de geschiedschrijving op scherp. In hoofdstuk 5 wordt het werk van de drie Nederlandse historici over de jodenvervolging besproken in het licht van deze discussie, die raakt aan de grondslagen van de contemporaine geschiedbeoefening.

Hoofdstuk 6 staat in het teken van de receptie van het werk van Herzberg, Presser en De Jong. Wie de reacties in de pers naslaat op respectievelijk Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging, Pressers Ondergang en vooral deel 8 van Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog, kan niet anders dan onder de indruk raken van de grote hoeveelheid beschouwingen die zijn gewijd aan het werk van de drie geschiedschrijvers. Met name Ondergang maakte veel los en moet worden beschouwd als een katalysator in het proces van bewustwording van de ramp die de joden in Nederland had getroffen. Frida Vogels geeft in haar autobiografische De harde kern inzicht in de rol die het onderwerp in discussies in haar hoofdzakelijk uit intellectuelen bestaande vriendenkring speelde. Bij haar overheerst de schaamte na lezing van onder andere Ondergang, maar zij geeft - in het eerste deel - eveneens treffende voorbeelden van de curieuze mengeling van solidariteit, schuldgevoel en nauwelijks verholen afkeer en stereotypering van joden.31 Zij ontwikkelde een obsessie met literatuur over de jodenvervolging en beschouwde deze als een mentale voorbereiding op een mogelijk toekomstige vergelijkbare situatie.32 De publieke respons op Pressers studie zal dan ook relatief veel aandacht krijgen, temeer daar deze een zelfstandige rol lijkt te hebben gespeeld in de maatschappelijke woelingen van de jaren zestig.

Dit boek beoogt in de eerste plaats een analyse te bieden van de geschiedschrijving van de jodenvervolging door Herzberg, Presser en De Jong. Wellicht weerspiegelt een aantal uitzonderlijke kenmerken van hun werk de Sonderweg van de joodse gemeenschap in Nederland. In 1923 introduceerde de bibliograaf en historicus Sigmund Seeligmann

[p. 26]

(1873-1940) de term species hollandia judaica.33 Hiermee doelde hij op de hoge mate van aanpassing van Nederlandse joden aan de niet-joodse omgeving. Misschien is het gerechtvaardigd eveneens te spreken van een species hollandia judaica historica. Indirect is deze studie ook te beschouwen als een theoretische bezinning op de praktijk van de contemporaine geschiedschrijving.

1L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog i. Voorspel (Den Haag 1989), 525. Ben Barkow, ‘De Wiener Library in Nederland’, in: Oorlogsdocumentatie '40-'45. Jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie 8 (Zutphen 1997), 221-235. Barkow publiceerde eveneens Alfred Wiener and the Making of the Holocaust Library (Londen 1997).
2Jo Tollebeek, De toga van Fruin. Denken over geschiedenis in Nederland sinds 1860 (Amsterdam 1990), 152.
3De Volkskrant (26 april 1980). Barkow, ‘De Wiener Library in Nederland’, in: Oorlogsdocumentatie '40-'45, 232.
4Philip Friedman, ‘American Jewish Research and Literature on the Holocaust’, in: Idem, Roads to Extinction. Ada June Friedman (ed.) (New York 1980/5740), 525-538, aldaar 527-528.
5Zie voor Ringelblums dagboekaantekeningen Notes from the Warsaw Ghetto. The Journal of Emmanuel Ringelblum. Jacob Sloan (ed.) (New York 1958). Voor een aanvulling zie Joseph Kermish, ‘Emmanuel Ringelblum's Notes hitherto Unpublished’, in: Yad Vashem Studies 7 (1968), 173-183. The Wall verscheen ook in het Nederlands onder de titel De muur (1960).
6Lucy S. Dawidowicz, The Holocaust and the Historians (Cambridge 1981), 126.
7Philip Friedman, ‘European Jewish Research on the Holocaust’, in: Idem, Roads to Extinction, 500-524, aldaar 509-510. Zie ook Abraham Wein, ‘The Jewish Historical Institute in Warsaw’, in: Yad Vashem Studies 8 (Jeruzalem 1970), 203-213 en Justus van de Kamp, De waarheid, vrijwel de hele waarheid, en nog veel meer dan de waarheid. Invloed van het stalinisme op het Joods Historisch Instituut. Doctoraalscriptie Nieuwe Geschiedenis Universiteit van Amsterdam (1994).
8Philip Friedman, ‘Problems of Research on the Holocaust: An Overview’, in: Idem, Roads to Extinction, 554-567, aldaar 559. Zie ook, eveneens van Friedman, ‘Research and Literature on the recent Jewish Tragedy’, in: Jewish Social Studies 12 (1950) 1, 17-26, aldaar 25-26.
9Joseph Kermish, ‘Isaiah Trunk (1905-1981): In Memoriam’, in: Yad Vashem Studies 14 (Jeruzalem 1981), 335-340.
10De Engelstalige Martyrs' and Heroes' Remembrance (Yad Vashem) Law is afgedrukt op het omslag van Yad Vashem News (december 1978).
11I.L. Seeligmann, ‘Research in Israel’, riod, collectie congresverslagen, Amsterdam 1950, doos 1. Voor een verslag van de conferentie zie het verslag van de directeur, L. de Jong, in: Nederland in Oorlogstijd. Orgaan van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie 5 (1950) 3, 11-14.
12Dawidowicz, The Holocaust and the Historians, 127.
13Zie Seeligmann, ‘Research in Israel’, riod, collectie congresverslagen, Amsterdam 1950, doos 1.
14Jozeph Michman, Hartog Beem en Dan Michman, Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Ede/Antwerpen/Amsterdam 1992). De titel van de oorspronkelijke Hebreeuwse editie luidt: Pinkas Hakehillot Holland - entsieklopedja sjel ha-jisjoeviem ha-jehoediejiem le-min hiwwasedam we-ad le-achar sjo'at milchemet ha-olam ha-sjenieja/Pinkas Hakehillot, Encyclopaedia of Jewish Communities, The Netherlands (Jeruzalem 1985). Medio 1997 zijn in totaal zestien delen van de serie Pinkas Hakehilloth verschenen.
15J.C.H. Blom en J.J. Cahen, ‘Joodse Nederlanders, Nederlandse joden en joden in Nederland (1870-1940)’, in: J.C.H. Blom, R.G. Fuks-Mansfeld en I. Schöffer (ed.), Geschiedenis van de joden in Nederland, 247-310. Zie ook J. Michman, ‘The Jewish Essence of Dutch Jewry’, in: Idem (ed.), Dutch Jewish History 2. Proceedings of the Fourth Symposium on the History of the Jews in the Netherlands 7-10 December - Tel-Aviv-Jerusalem, 1986 (Assen 1989), 1-22. Michman vestigt de aandacht op de toenemende binding en solidariteit met het jodendom onder joden in Nederland in de periode voor 1932.
16Willem C.M. Meyers, ‘Het Navorsings- en Studiecentrum voor de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog te Brussel’, in: Oorlogsdocumentatie '40-'45. Jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie 6 (Zutphen 1995), 260-271, aldaar 260-262.
17Henry Rousso, ‘L'Institut d'Histoire du Temps Présent’, in: Oorlogsdocumentatie '40-'45. Jaarboek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie 5 (Zutphen 1994), 203-210, aldaar 203.
18In 1960 had het cdjc in totaal 32 publicaties uitgegeven. Voor een opsomming van de titels zie Joseph Billig, Le Commissariat Général aux Questions Juives 1941-1944 (deel 3) (Parijs 1960). De bekendste zijn: Georges Wellers, De Drancy à Auschwitz (Parijs 1946); David Knout, Contribution à l'histoire de la Résistance Juive en France 1940-1944 (Parijs 1947); Joseph Billig, L'Allemagne et le génocide (Parijs 1950); Léon Poliakov, Bréviaire de la haine. Le IIIe Reich et les Juifs (Parijs 1951).
19Pierre Vidal-Naquet, Les Juifs, la Mémoire et le Présent (Parijs 1992), 228-229.
20R.J.B. Bosworth, Explaining Auschwitz & Hiroshima. History Writing and the Second World War 1945-1990 (Londen 1993), 105-117.
21Raul Hilberg, The Politics of Memory. The Journey of a Holocaust Historian (Chicago 1996), 103.
22Ibidem, 110-111.
23Friedman, ‘Problems of Research on the Holocaust: An Overview’, 559-562.
24Zie Elons recensie van Segevs The Seventh Million in The New York Review of Books (7 oktober 1993).
25Dominick LaCapra, Representing the Holocaust. History, Theory, Trauma (Ithaca 1994), 45-66.
26Ibidem, 10-12.
27Zie het overzicht van de bronnen en literatuur, 356 e.v.
28Saul Friedländer, ‘The “Final Solution”: On the Unease in Historical Interpretation’, in: Idem, Memory, History, and the Extermination of the Jews of Europe (Bloomington 1993), 102-116.
29Harry Mulisch, Bericht aan de rattenkoning (6e druk; Amsterdam 1967), 22.
30Martin Broszat/Saul Friedländer, ‘A Controversy about the Historicization of National Socialism’, in: Yad Vashem Studies 19 (1988), 1-47, aldaar 41.
31Frida Vogels, De harde kern i (Amsterdam 1992), 607.
32Ibidem, 433.
33Sigmund Seeligmann, ‘Die Juden in Holland. Eine Charakteristik’, in: Festskrift i Anledning af Professor David Simonsens 70-aarige Fodelsdag (Kopenhagen 1923), 253-257, aldaar 257. Later heeft Seeligmann ‘hollandia’ gecorrigeerd in ‘hollandica’. Overigens hebben historici inmiddels de mate van aanpassing aan de niet-joodse omgeving gerelativeerd. Zie J. Michman, ‘The Jewish Essence of Dutch Jewry’ en Dan Michman, ‘Migration versus “species hollandia judaica”. The Role of Migration in the Nineteenth and Twentieth Centuries in Preserving Ties between Duth and World Jewry’, in: Studia Rosenthaliana 23 (1989), special issue, 54-76.
prepostterug  begin  verder