Abel Jacob Herzberg werd geboren op 17 september 1893 in Amsterdam in een Russisch-joodse emigrantenfamilie. Zijn ouders behoorden tot de bijna drie miljoen joden die in de periode tussen 1882 en 1914 Oost-Europa verlieten. De meesten emigreerden naar de Verenigde Staten, maar de ouders van Herzberg, afkomstig uit Litouwen, kwamen niet verder dan Nederland.
In de verhalen van zijn ouders over het leven in het Russische tsarenrijk stond hun jood-zijn op de voorgrond.1 De turbulente ontwikkelingen in het land van herkomst in het begin van deze eeuw werden in het emigrantengezin op de voet gevolgd.2 Vader Herzberg spande zich in voor zijn lotgenoten die op doorreis naar de Verenigde Staten korte tijd in Nederland verbleven. Jaren achtereen bracht hij dagelijks een aantal uren door in zijn kantoortje in het tehuis voor doortrekkenden aan de Weesperstraat.3
Behalve koopman, eerst in geslepen, later in ruwe diamant4, was vader Herzberg zionist. Het is niet bekend of hij lid was van de in 1899 opgerichte nzb, maar hij was in elk geval in 1907 met zijn vrouw en hun zoon Abel aanwezig op het Achtste Congres van de Zionistische Wereldorganisatie in Den Haag. In Brieven aan mijn kleinzoon (1964) schreef Abel Herzberg over deze gebeurtenis: ‘Daar zag ik op de Zwarte Weg voor het eerst van mijn leven een joodse vlag en ik wist dat wij niet droomden. We moesten alleen veertig jaar wachten, veertig bittere jaren, en dat wisten we niet.’5
Aangezien zijn ouders grote waarde hechtten aan integratie in de Nederlandse samenleving, bezocht Herzberg een openbare lagere school. Toen hij aan de klas werd voorgesteld zongen zijn aanstaande klasgenoten: ‘Een twee drie en de jood in de pot. Fijngestampt en het deksel erop. En toen de jood op tafel kwam, zaten er gebraden korstjes

Abel Herzberg, ca. 1913 (foto J. Merkelbach).
an.’ Later - in 1976 - zou hij deze regels sterk relativerend beoordelen (‘Het was niet zo kwaad bedoeld, het was alleen symptomatisch.’), maar het bijzondere welkom doordrong hem destijds van zijn uitzonderingspositie.6
Op het Stedelijk Gymnasium, het huidige Barlaeus, werd zijn kennismaking met het antisemitisme voortgezet. De vereniging van gymnasiasten accepteerde ‘geen proleten, geen meisjes en geen Joden’.7
Zijn ouders gaven hem een godsdienstige opvoeding. Als kind dacht Abel Herzberg elke ochtend dat de Messias zou komen,8 maar met de voorschriften nam hij het niet zo nauw. Zo nam hij een omgekeerde boterham met ham: ‘de ham beneden, de boterham boven. Dan kon God het niet zien.’9 Zijn grootouders van moederszijde waren chassidische joden, wier leven, dat doortrokken was van joodse mystiek, hij heeft beschreven in Brieven aan mijn kleinzoon. Van zijn grootvader erfde hij zijn belangstelling voor godsdienst; deze was een diepreligieus man.10 Na het eindexamen maakte hij een reis naar Rusland om zijn
grootvader van vaders zijde te bezoeken. Daar maakte de jonge Herzberg kennis met de beslotenheid en armoede van het joodse leven in Oost-Europa, en niet te vergeten met het virulente antisemitisme waarmee de joden daar te kampen hadden.
Herzberg moet in het algemeen erg gevoelig zijn geweest voor het leed in de wereld; naar eigen zeggen leed hij in zijn jonge jaren aan ‘Weltschmerz’.11 Zijn religiositeit werd vanaf zijn adolescentie een overwegend rationele en abstracte aangelegenheid. De Messias was niet gekomen, constateerde hij in een brief aan zijn vriend Victor E. van Vriesland in 1915: ‘Mijn groote geloof is gestorven [...] Ja, onze God is dood.’ Herzberg zou zich gedurende de rest van zijn leven met nadruk als ongelovig beschouwen en presenteren. ‘Ik ben niet religieus in de gangbare betekenis van dat woord. Ik geloof niet dat de Thora uit de hemel is gekomen.’ Maar wel had hij onmiskenbaar zoiets als een religieus besef, dat hij een ethische of zedelijke invulling gaf.12
In 1912 begon Herzberg een studie rechten aan de Universiteit van Amsterdam. Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd hij onder de wapenen geroepen. Met een beroep op zijn Russische nationaliteit had hij zich aan de dienstplicht kunnen onttrekken, maar, gestimuleerd door zijn vader, gaf hij gehoor aan de oproep.13 Gedurende drieënhalf jaar was hij als milicien-kanonnier gelegerd in Purmerend. Zijn geenszins schaarse vrije tijd benutte hij om te studeren.
De Balfourdeclaratie (1917) gaf een impuls aan het zionisme en een nieuwe golf van pogroms na de wapenstilstand in Rusland onderstreepte de noodzaak van de vestiging van een joodse staat. Herzberg, die al in 1912 lid was geworden van de Nederlandse Zionistische Studenten Organisatie (nzso), werd zionistisch activist. Hij bekleedde tal van bestuursfuncties binnen de zionistische beweging, was betrokken bij de oprichting van de Joodse Jeugdfederatie (jjf) en redacteur van het blad van de nzso, Hatikwah.14 In de jjf werkte Herzberg nauw samen met David Cohen. De laatste was voorzitter, terwijl Herzberg optrad als secretaris.15
In 1918 promoveerde hij in de rechtswetenschap aan de Universiteit van Amsterdam. Met een van zijn laatste stellingen bepleitte hij een joodse staat in Palestina: ‘Een publiekrechtelijk gewaarborgde eigen woonplaats in Palestina voor het Joodsche volk, is de eenig mogelijke oplossing van het Joodsche vraagstuk.’16 Na afronding van zijn studie vestigde hij zich als advocaat en procureur in Amsterdam. In 1919 werd hij voorzitter van de afdeling Amsterdam van de nzb en twee jaar later lid van de Bondsraad. In 1922 verruilde hij zijn Russische nationaliteit
voor het Nederlanderschap en een jaar later trouwde hij met Thea Loeb, die hij in de nzso had leren kennen.
In 1930 - Herzberg was toen zevenendertig jaar - werd hij lid van het Hoofdbestuur van de nzb en een jaar later redacteur van De Joodse Wachter, het blad van de nzb. Van 1934 tot 1939 was hij voorzitter van de nzb, in welke functie hij zich ontpopte als een briljant redenaar.17 Ter gelegenheid van Herzbergs zestigste verjaardag haalde Isaak Kisch (1905-1980), Amsterdams jurist en tijdens de bezetting het enige lid van de Joodse Raad dat al ver voor het begin van de deportaties was afgetreden, in De Joodse Wachter herinneringen op aan Herzbergs redevoeringen: ‘[...] hij spreekt, en hij spreekt, tot zelfs bij de laagste intelligentiequotiënten begrip doorbreekt, en ook in de meest afgestompte zielen weer snaren gaan trillen’.18
Op 12 maart 1933 werd Wilhelm Spiegel, echtgenoot van Thea's zuster Emma, door nazi's in Duitsland doodgeschoten. Spiegel was sociaaldemocraat, voorzitter van de gemeenteraad in Kiel en trad op als advocaat van de communisten. Deze moordaanslag maakte Herzberg ‘ontzettend pessimistisch over het leven van de joden’. Hij raakte ervan overtuigd dat er ‘een ongeluk voor de joden’ zou komen.19
Het toneelstuk Vaderland (1934), dat Herzberg kort na de moord op zijn zwager schreef, is zwanger van het naderend onheil. In het stuk wordt een professor in de medicijnen aan een Duitse universiteit die zich heeft afgewend van het jodendom, ernstig bedreigd door het om zich heen grijpend antisemitisme, maar hij weigert het gevaar onder ogen te zien. Een zogeheten ‘Oostjood’, die vertrouwd is met vervolging, doordringt de professor van de noodzaak te vluchten. Voor hij het land heeft kunnen verlaten, wordt hij echter vermoord. Deze moord ontneemt de ‘Oostjood’ zijn laatste illusies: hij vertrekt naar Palestina.20
De Duitse zionistische voorman Kurt Blumenfeld, die Herzberg via het bondswerk had leren kennen en die zich in 1933 in Palestina vestigde, probeerde hem in 1938 - Herzberg was toen vijfenveertig jaar - over te halen eveneens de sprong te wagen: ‘Heb je geen zin, nu met je vrouw, hier naar toe te komen? Jullie zouden hier een hele mooie ontvangst krijgen, misschien in enkele weken meer vriendschap en vertrouwen ondervinden dan in vele jaren daar, waar men vandaan komt en waar men een heel leven lang met de mensen te maken heeft gehad.’21
In het voorjaar van 1939 reisde Herzberg inderdaad naar Palestina voor een verblijf van ruim een maand.22 Daarna moeten de Herzbergs op het
punt hebben gestaan af te reizen, maar volgens Herzberg verhinderde geldgebrek hun vertrek.23 In oktober 1939, kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, hield Herzberg ter gelegenheid van het veertigjarig bestaan van de nzb een rede onder de titel ‘De weg van de Jood’. Met het oog op de vrede die ‘over kortere of langere tijd’ zou worden gesloten, vestigde hij de aandacht op de positie van het joodse volk. Hij beklemtoonde de joodse eigenheid, door velen, joden en niet-joden, ontkend en vergeten, en de noodsituatie van de joden in de diaspora. Assimilatie beschouwde hij als ‘de poging om ten onder te gaan’ die gedoemd was te mislukken.24 Hij zag maar één oplossing voor het joodse vraagstuk: de nationale emancipatie te midden van de volkeren door middel van de oprichting van de jodenstaat.25 Hij besloot zijn redevoering hoopvol:
‘Er gloort iets. Er is nog een oriëntering mogelijk. Er is nog een levenskans, vermoedelijk zelfs een grotere dan ooit in de laatste twintig jaar. Voor het eerst gaan wij een oorlog in, niet alleen als passieve objecten van de historie, maar ook met de zekerheid dat wij als subjecten een eigen nationale rol te vervullen hebben. Er is nog Palestina en het joodse recht daarop. Er is nog een joodse weg.’26
Kort voor of na de capitulatie moet Herzberg hebben geprobeerd met zijn gezin per boot naar Engeland te ontkomen. De precieze toedracht van deze vluchtpoging is onduidelijk, in elk geval vertrokken de Herzbergs niet.27 Herzberg begreep dat zich ‘een nieuwe tijd had aangediend’.28
In de eerste maanden van de Duitse bezetting schreef hij in verschillende uitgaven van de nzb, waaronder De Joodse Wachter, een serie artikelen waarin hij de joodse bevolkingsgroep confronteerde met zijn eigen geschiedenis en godsdienstige cultuur. Puttend uit zijn grote kennis van de joodse geschiedenis bepleitte hij, zonder rechtstreeks te verwijzen naar de actuele situatie, zijn vertrouwde thema: de noodzaak een jood te zijn.
‘Een jood te willen zijn, en de noodzaak te gevoelen een jood te moeten zijn, dat is het antwoord op de jodenhaat. Er zal geen ander antwoord overblijven, willen wij leven en de volslagen menselijke ontwrichting willen ontgaan. Als wij de laatste resten willen
redden van waardigheid en eer, dan zullen wij moeten aanvaarden wat velen van ons in tijden van uiterlijk geluk gemeend hebben te kunnen verwerpen: ons zelf.’29
Hij maakte zich overigens geen illusies over het welslagen van de pogingen om een de-assimilatie, een terugkeer naar het jodendom, in gang te zetten onder de joden in Nederland, die in meerderheid sterk geassimileerd waren. ‘Leraren van autoriteit en bekwaamheid zijn er, althans in Nederland, niet of nauwelijks.’30
In zijn artikelen uit die tijd beklemtoonde hij dat het geloof in assimilatie een historische vergissing was, als gevolg waarvan de joden nu ‘met lege handen en lege harten [stonden], hun noodlot niet begrijpend, en zonder de innerlijke krachten om het te verdragen of te verwerken’.31 Assimilanten - hij noemde in dit verband onder anderen Trotski en Heine - die gemeend hadden de mensheid te kunnen dienen en hun jood-zijn te kunnen ontkennen of eenvoudigweg achter zich te laten, leden volgens hem aan een ‘splitsing der persoonlijkheid’.32 Een vereenzelviging van de jood met het jodendom was geboden, waardoor het ‘joods levensgevoel’ een kans zou krijgen. Wat hieronder precies moet worden begrepen, liet zich volgens Hezberg moeilijk omschrijven. Het berust in elk geval niet op kennis, is niet hetzelfde als joodse religiositeit of joodse mystiek, maar is ‘sfeer, niets dan adem, en niet aanwezig voor hem die daarvoor niet ontvankelijk is’. ‘Joods levensgevoel’ was volgens hem vooral aanwezig in Oost-Europa en Palestina.33
In een artikel onder de titel ‘Historiciteit’ trachtte hij zijn joodse lezerspubliek te doordringen van de ‘wetmatigheid in verscheidenheid der verschijnselen’ en legde hun de retorische vraag voor: ‘Bestaat er niet in alles wat wij mede maken [...] een bepaalde onvermijdelijkheid?’34
In augustus 1940 werd Herzberg directeur van het werkdorp Wieringen, waar joodse jongeren, hoofdzakelijk Duitse emigranten, werden opgeleid voor uitzending naar Palestina. In 1941 werd dit dorp door de bezetter in twee etappen ontruimd. Herzberg behoorde tot de eerste groep die eind maart naar Amsterdam werd overgebracht. Daar werd een school voor hen geopend die onder leiding stond van Herzberg.35 Op diens verzoek hield Presser een serie lezingen voor de leerlingen. In een in memoriam dat Herzberg schreef na het overlijden van Presser, memoreerde hij dat de geschiedenisleraar destijds sprak over de oorlog tegen Spanje en over Willem van Oranje, waarmee hij volgens Herzberg
een historische parallel op het oog had. Deze opzet had echter geen succes bij deze leerlingen: ‘Niemand uit onze groep, die toen ook maar enige belangstelling toonde voor een onderwerp waar tegenover ze in geen enkele verhouding stonden. Het was allemaal onzegbaar luguber.’36
In een brief van 10 april 1941 aan een administratief medewerker, die nog in het werkdorp was achtergebleven, toonde hij zich pessimistisch over de situatie van de joden: ‘Met het optimisme zijn we altijd dadenloos gebleven, met het optimisme hebben we Palestina niet opgebouwd en alle situaties verloren [...]. Optimisme is honderdmaal een ander woord voor nalatigheid, zelfbedrog, niet voorbereid zijn.’37
In juni werden 61 van de ruim 200 in Amsterdam verblijvende leerlingen bij een razzia gearresteerd. Zij werden vrijwel allen samen met circa 240 lotgenoten via kamp Schoorl naar Mauthausen overgebracht. Niet een van hen heeft het overleefd. Cohen en Gertrud van Tijn van de Joodse Raad hadden de namen en adressen van de voormalige werkdorpinwoners aan Lages, chef van de Sicherheitspolizei, verstrekt, die de voorzitter van de Joodse Raad voorhield dat de jongeren naar het werkdorp zouden worden teruggebracht.38
In Amsterdam werd Herzberg redacteur van Het Joodsche Weekblad. Uitgave van den Joodschen Raad voor Amsterdam, gewijd aan joodse cultuur, godsdienst en geschiedenis.39 Dit blad verscheen vanaf 11 april 1941 onder verantwoordelijkheid van de voorzitters A. Asscher en prof. dr. D. Cohen. Alle overige joodse bladen waren verboden. Na een conflict met Cohen, die naar zijn mening te fors ingreep in zijn artikelen, trad Herzberg in juni 1941 uit de redactie. Waarschijnlijk uit solidariteit met zijn toenmalige collega's laat hij in zijn Kroniek in het midden welke redacteur zich terugtrok, maar vermeldt slechts dat een van de vijf redacteuren het spoedig voor gezien hield.40
De Herzbergs verhuisden naar Blaricum. In ditzelfde dorp vond Herzberg ook een onderduikadres, maar hij besloot al snel dat hij hiervoor niet geschikt was. Hij kon het niet verdragen ‘daar op een kamer te zitten bij vreemde mensen die je ook nog in gevaar brengt’.41 In maart 1943 werd het gezin Herzberg door de Duitsers geïnterneerd in het prominentenkamp Barneveld (De Biezen).42 Op grond van zijn verdiensten voor Nederland was Herzberg op de lijst Frederiks-Van Dam geplaatst, die de betreffende joden zou vrijwaren voor deportatie.43 Herzberg had deel uitgemaakt van een staatscommissie die een nieuwe drankwet moest voorbereiden; zijn commentaar op de nieuwe drankwet, dat in 1932 was gepubliceerd, was een standaardwerk geworden.44
Desalniettemin werden het echtpaar Herzberg en de overige ‘Barnevelders’ eind september naar Westerbork overgebracht. De kinderen wisten op het nippertje te ontvluchten en doken onder.45 In augustus was aan Herzberg en zijn vrouw op grond van zijn verdiensten voor de zionistische beweging een felbegeerd emigratiecertificaat toegewezen.46 Dit betekende automatisch een plaats op de lijst van uitwisseling. Op 21 november moesten de Barnevelders kiezen tussen de Barneveld-Sperre of het Palestina-certificaat. In het laatste geval zouden zij naar Bergen-Belsen worden getransporteerd, vanwaar - dit alles volgens de Duitsers - de kans bestond op uitlevering naar Palestina. Herzberg en zijn vrouw hoorden tot de vijftien personen, die de in het vooruitzicht gestelde kans op uitwisseling naar Palestina niet wilden missen en om die reden kozen voor het Palestina-certificaat.
In januari 1944 werden zij naar Bergen-Belsen overgebracht.47 Daar werden zij in het Sternlager ondergebracht en nam Herzberg als procureur-generaal zitting in de rechtbank die de gevangenen in het leven hadden geroepen in een poging een minimum aan orde te bewaren.48 Eind april ontvingen de Herzbergs en tweehonderdzeventig anderen bericht dat zij binnenkort zouden vertrekken. Een maand later werden vijftig personen, onder wie Herzberg en zijn echtgenote, om onbekende redenen van de uitwisselingslijst geschrapt.49 Voor Herzberg betekende dit een absoluut dieptepunt. In 1967 noemde hij het
‘de grootste teleurstelling die ik ook in mijn leven gehad heb. En ik kan er nóg niet overheen komen. Daarvoor had je nou je hele leven lang gewerkt. Ik ben toen erg veranderd en kreeg het gevoel van: het gebeurt toch niet meer, je bereikt het nooit. Verschrikkelijk teneergeslagen. Anders had ik nu in Israël gezeten.’50
In augustus 1944 begon hij een dagboek bij te houden dat in 1950 zou worden gepubliceerd.
Op 9 april 1945 werden Herzberg en zijn echtgenote samen met de overige nog in leven zijnde gevangenen in Bergen-Belsen in een trein gezet die een zwerftocht door Duitsland begon.51 Op 1 mei 1945 werden de ‘passagiers’ van deze trein bij Tröbitz, tussen Leipzig en Dresden, door het Rode Leger bevrijd. Daar verbleef het echtpaar twee maanden onder Russische bezetting, tijdens welke periode een vlektyfusepidemie tal van mensen alsnog het leven kostte.52 Ook Herzberg werd ernstig ziek; de vlektyfus werd hem bijna fataal.
Op 30 juni 1945 keerden de Herzbergs terug in Amsterdam, waar zij tijdelijk gastvrijheid vonden bij vrienden. Herzberg hervatte zijn advocatenpraktijk, maar sloeg ook aan het schrijven. Zijn jongste dochter, Judith, schreef over de naoorlogse periode het volgende: ‘Zo werden we een herenigde familie, die van geluk mocht spreken, maar dat deden we niet; mijn vader sprak over niets anders dan over de oorlog en, aan de positieve kant, over Palestina en het zionisme.’53 Ook Herzbergs twee zusters, Lies en Frieda, overleefden de oorlog. De oudste, Lies, werd om onbekende redenen uit Westerbork vrijgelaten en dook onder. Frieda keerde terug uit Bergen-Belsen.54
De wezenlijke vraag die volgens Herzberg bewust of onbewust aan een ieder knaagde was:
‘Hoe zullen wij het gebeurde verwerken? Hoe kunnen wij dit volslagen liederlijke bankroet der mensheid dat wij hebben meegemaakt, verantwoorden? Hoe kunnen wij, en hoe kunnen de geslachten die na ons komen, verder denken, voelen, liefhebben, werken, kortom leven, nu de beschaving gebleken is te kunnen vergaan en de mensen hebben getoond tot een horde teugelloze roofdieren te kunnen worden? Is dit hun aard? Zijn liefde, recht, geloof, schoonheid en wijsheid schijn? De vraag, in een paar woorden, niet naar de schuld maar naar de oorzaak, niet naar de misdaad maar naar haar bron.’55
Overtuigd dat er iets in de mens moest veranderen, schreef hij aangespoord door zijn vriend en toenmalige compagnon Rients Dijkstra, tevens mede-eigenaar van De Groene Amsterdammer,56 voor dit weekblad zeven opstellen over Bergen-Belsen. Het eerste verscheen al op 9 september 1945 in het blad dat al voor de oorlog Herzbergs medewerking had gezocht. In 1946 werden deze gebundeld uitgegeven onder de titel Amor Fati, die hij in de ondertitel vertaalde als ‘de aanhankelijkheid aan het levenslot’.57 Met zijn essays richtte Herzberg zich bewust tot een algemeen, niet-joods publiek.58 In het voorwoord van de bundel formuleerde hij zijn motivatie, die hem de rest van zijn leven niet meer zou verlaten: ‘Als de kennis omtrent het gebeurde bij zou dragen tot het inzicht in datgene, waartoe de mens in staat is en waartoe hij, als men niet oppast, kan worden gebracht, dan ware er al veel gewonnen.’59 Universele vragen naar de aard van de mens kregen na en door de oorlog in zijn denken en geschriften een sterker accent. Hij drong niet zozeer
aan op verzoening, als wel op onderzoek in een poging de gebeurtenissen te begrijpen. Wat velen trof in Amor Fati was dat hij zich niet opstelde als een verbitterd slachtoffer, maar zocht naar de fundamentele waarden van recht en liefde.
Herzberg bleef zionist, maar het georganiseerd zionistisch activisme leek voor hem definitief tot het verleden te behoren. Alleen Israël had de toekomst te dragen, vond hij. ‘Kletsen over Palestina en niet gaan is onredelijk geworden,’ schreef hij in november 1945 aan vrienden in Palestina.60 Kort daarvoor had hij bij de Jewish Agency geïnformeerd of hij en zijn gezin in aanmerking konden komen voor een immigratie-certificaat. In september 1945 was hem echter meegedeeld dat er op dat moment geen certificaten beschikbaar waren.61 De twee oudste kinderen van de Herzbergs - Abraham en Esther - lieten zich niet weerhouden en vertrokken in het voorjaar van 1946 via Zuid-Frankrijk richting Palestina, waar zij na internering door de Engelsen in een kamp op Cyprus pas in december 1946 aankwamen.62 Abel Herzberg - hij was inmiddels de vijftig gepasseerd - aarzelde. Het lijkt alsof zijn werk een belangrijke factor was die hem weerhield van emigratie. In een interview (1983) zei hij hierover:
‘Voor de oorlog, na de oorlog, steeds heb ik geprobeerd om voorgoed naar Israël te gaan. Maar het is me niet gelukt. Ik ben vijfenzeventig jaar van mijn leven advocaat geweest. Nou, wat is een advocaat? Hij weet alles, maar hij kan niks. Wat kun je als Nederlands jurist in Israël doen? Toch niks? Ik heb telkens geprobeerd een baantje te krijgen, maar dat lukte niet. En om er te gaan rentenieren, daar heb je geld voor nodig - en dat had ik ook niet. In 1939 stonden we al gepakt en gezakt, maar ik kon de tienduizend gulden niet bij elkaar brengen, die ik nodig had om me in Israël te vestigen.’63
Na al deze verklaringen die uitsluitend betrekking hebben op de materiële moeilijkheden verbonden aan emigratie, opperde hij echter onverwacht een reden die in een andere richting wijst. Hij veronderstelde dat zijn non-conformistische natuur hem wellicht van een vertrek naar Palestina en later Israël had weerhouden. In de joodse staat was in zijn ogen niet veel ruimte voor afwijkende standpunten.64
Aan de situatie in het naoorlogs Nederland kan het niet gelegen hebben, want hierover was hij uitgesproken somber gestemd. In een brief
aan zijn vriend Blumenfeld in Palestina noemde hij de situatie van de Nederlandse joden ‘heel miserabel’. In geestelijk opzicht - hij doelde met nadruk niet op de materiële problemen - was er volgens hem sprake van een ‘getto van het slechte soort’.
‘Die übriggebliebenen Zionisten, darunter die Poale Zionisten, sind nicht zum aushalten. Van einer Borniertheit, Bürgerlichkeit, Beschränktheit, dasz sich Gott erbarme. Moralisch hat die jüdische Situation auszerordentlich gelitten. Das Niveau ist unterirdisch. Der “Joodsche Raad” (Asscher und David Cohen) hat dem Ansehen der Juden stark geschädigt. Das nachkriegische Judentum hat es nicht verstanden sich irgendwie Ansehen zu erwerben. Es ist alles ganz banal, ganz kleinlich. Ich habe darum vor allem versucht irgendwelches anders zu bringen.’65
Herzberg was teleurgesteld over het uitblijven van een in zijn ogen waardige geestelijke reactie van joodse zijde op de ramp die het joodse volk had getroffen66 en in de nzb kwam hij in botsing met de nieuwe generatie leiders, die hem te radicaal was. In 1946 en 1947 vond het bestuur Herzberg tegenover zich in discussies over de deling van Palestina in een joods en een Palestijns deel. Het delingsplan, dat in 1947 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aanvaard, werd door het nzb-bestuur afgewezen. Herzberg bleef lid van de nzb en ook lid van de Bondsraad tot 1958, zij het met een korte onderbreking. Maar gezien het ontbreken van zijn naam in verslagen van vergaderingen was het met zijn inbreng en invloed gedaan.67 In de jaren vijftig werd hij lid van het Genootschap voor De Joodse Wetenschap, maar in 1960 was het lidmaatschap al weer beëindigd.68 Uit de hierboven geciteerde passage spreekt een poging om door zijn geschriften het geschonden aanzien van de joden enigszins te herstellen. Hij probeerde vooral niet-joden enige toegang te verschaffen tot het joodse gedachten- en gevoelsleven.69
Deze pogingen werden door de meerderheid van de joden, althans door de georganiseerde joodse gemeenschap, niet gewaardeerd. Herzbergs Amor Fati, Tweestromenland en Kroniek der Jodenvervolging werden in De Joodse Wachter genegeerd. In een brief aan Jaap Meijer (1912-1993), redacteur van het blad van de nzb, die de oud-bondsvoorzitter kennelijk had verzocht om een bijdrage, beklaagde Herzberg zich over het gebrek aan belangstelling voor zijn geschriften van de zijde van de

Abel Herzberg op het Museumplein in Amsterdam, 14 mei 1948. Ter gelegenheid van de uitroeping van de staat Israël vond in het nabijgelegen Concertgebouw een plechtige viering plaats. De toestroom was zo groot dat meer dan duizend belangstellenden de stichting van de joodse staat buiten moesten vieren.
zionistische beweging. Hij stelde vast dat de nzb hem en enkele anderen in de ban had gedaan en wees op grond hiervan Meijers verzoek van de hand.70
Kort na de oprichting van de staat Israël onderzocht hij ter plaatse de mogelijkheden zich in het Beloofde Land te vestigen. Hij kreeg een baan aangeboden op het ministerie van Handel en Industrie, dat onder leiding stond van Fritz Bernstein, evenals Herzberg oud-voorzitter van de nzb (1930-1934) en auteur van Der Antisemitismus als Gruppenerscheinung (1926). In 1936 was hij naar Palestina vertrokken, waar hij in 1948 een van de ondertekenaars was van de onafhankelijkheidsverklaring en Israëls eerste minister van Handel en Industrie werd.71 Herzberg zou worden belast met de transfer van Nederlands geld. Dat de plannen deze keer serieus waren, blijkt onder meer uit de opmerking in een brief aan zijn vrouw dat hij ‘in elk geval eerst nog terug [komt]’. Maar in dezelfde brief uitte hij ook twijfel en ambivalente gevoelens. Want - in weerwil
van de bevlogen reisrapportages die hij in 1948 en 1949 voor De Groene schreef- viel het land hem bitter tegen:
‘Het is hier heel eigenlijk niet zoo erg leuk. Het is veel beter in Holland [...]. Het is hier stijlloos, bekrompen, klein, kleingeestig, leelijk, leelijk, leegte. Met enige esthetische behoefte, heb je 't gevoel of je telkens een klap op je gezicht krijgt. 't Is hier een rotzooi. [...] Tel Aviv is helemaal geen stad. 't Is een vuilnisbelt, waar men een paar zakken joden op heeft uitgestort [...]. Maar de kinderen zijn hier en de kleinkinderen worden hier geboren.’72
De onderhandelingen over de genoemde betrekking verliepen niet naar wens en bovendien sprak het werk de inmiddels zesenvijftigjarige advocaat niet aan. Hij had nog een ijzer in het vuur, deze keer bij het ministerie van Justitie, maar hij voelde de behoefte de knoop door te hakken. Op 14 februari 1949 schreef hij aan zijn vrouw: ‘Als 't nu aan justitie niet lukt, dan probeer ik 't niet meer en weet ik tenminste definitief waar ik aan toe ben. Want zoo heen en weer dubiteren, tusschen ja en neen, dat gaat niet langer. Dat is onmogelijk.’73 Waarschijnlijk mislukte zijn laatste poging om een bevredigende aanstelling te verwerven. De Herzbergs bleven in ieder geval in Amsterdam.
Inmiddels was hij door de redactie van Onderdrukking en Verzet gevraagd een bijdrage te leveren over de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog. Uit mededelingen van oud-redactiesecretaris, J. Meulenbelt, valt op te maken dat Herzberg destijds in correspondentie met de redactie aan de orde heeft gesteld of hij gezien zijn betrokkenheid bij de strafzaak tegen de oud-voorzitters van de Joodse Raad - Herzberg trad op als raadsman, aanvankelijk alleen van Asscher maar later ook van Cohen - in Onderdrukking en Verzet wel over hetzelfde instituut kon schrijven. Volgens Meulenbelt was dit gegeven voor de redactie ‘geen probleem’.74
Kroniek der Jodenvervolging verscheen in 1950 in deel iii van het verzamelwerk, hetzelfde jaar waarin zijn Tweestromenland. Dagboek uit Bergen-Belsen in de boekhandel lag. Hij publiceerde zijn dagboekaantekeningen, die eerst in De Groene Amsterdammer werden afgedrukt - het hele bevrijdingsnummer van 1950 was eraan gewijd - ‘uit eerbied voor hen, die niet uit de kampen zijn weergekeerd’. Hij maakte gewag van een ‘ereplicht’ vooral ‘jegens diegenen onder de doden, die het in de diepste ellende hebben verstaan, hun leven op het hoogste peil te hand-
haven, dat de mens kan bereiken’.75
Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging behoort nationaal en internationaal tot de vroegste geschiedschrijving over de vervolging en vernietiging van de joden. In een aangrijpende stijl geeft Herzberg een overzicht van de lotgevallen van de joden in Nederland tijdens de oorlogsjaren.
Het joodse culturele en geestelijke leven, waaraan de auteur ook zelf naar vermogen tijdens de bezetting had getracht bij te dragen, kreeg in deze studie een prominente plaats. In dit verband verdedigde Herzberg de oprichting van de Joodse Raad, zoals hij ook als raadsman van Asscher en later ook van Cohen was opgetreden, toen de oud-voorzitters in 1947 door de Nederlandse justitie werden vervolgd. Ondanks het enorme aantal slachtoffers was volgens Herzberg het jodendom niet verslagen. Hij was het dan ook niet eens met de titel van Wieleks boek: De oorlog die Hitler won. ‘Voor het trekken van conclusies,’ schreef hij, ‘is het niet genoeg, alleen de doden te tellen.’76
De ontwikkelingen in Palestina en later Israël, waar sinds 1946 twee van zijn drie kinderen woonden, volgde hij op de voet. Met hun dochter en zoon voerden de Herzbergs een levendige correspondentie en zij bezochten het land regelmatig. Herzberg was een onvermoeibaar verdediger van de legitimiteit van de staat Israël en een scherp criticus van anti-joodse uitingen of onbegrip ten aanzien van de joodse identiteit of het joods-nationale streven.
In 1961 reisde hij voor de Volkskrant naar Jeruzalem, vanwaar hij in een vijftigtal brieven verslag deed van het proces tegen Adolf Eichmann. Herinneringen aan het proces en beschouwingen daarover achteraf werden een jaar later gepubliceerd onder de titel Eichmann in Jeruzalem. Hij beschreef hoe hij Eichmann terugzag in de rechtszaal - hij had hem eerder ontmoet in Bergen-Belsen:
‘Hij genoot de roep, een der grootste moordenaars te zijn uit de historie. Maar ziet zulk een man er zo uit? Een miezerig klein mannetje was er binnengebracht, die - zou men zo zeggen - berecht werd, omdat hij een op afbetaling gekochte fiets verduisterd had, of misschien zijn buurman ter wille van een paar honderd gulden had gechanteerd. Heeft deze kleine stiekemerd miljoenen mensen op zijn geweten? Zijn we voor deze kleurloze, een beetje groezelige en kaal wordende kleinburger van een jaar of vijftig, allemaal hierheen gekomen?’77
Hij betreurde dat de openbare aanklager er niet op had gewezen dat Eichmann en de zijnen met de vernietiging van het joodse volk niet zozeer dachten aan fysieke verschijning, ‘maar in de eerste plaats een historisch-geestelijk begrip, een idee [...]’.78 Ook had de procureur-generaal volgens Herzberg niet begrepen dat het eigenlijk niet om Eichmann ging, maar om het geheel en de plaats van de enkeling daarin. Eichmann kon ‘niet anders worden begrepen dan als sociaal verschijnsel’.79 ‘Eichmann is een mens, en naar ik ernstig vrees, nog een gewoon mens ook. Hij woont overal in de wereld temidden van ons. Hij is een soortgenoot.’80
Terwijl de bedreiging van het voortbestaan van de joodse staat in 1967 (Zesdaagse Oorlog) vele joden in de diaspora plotseling confronteerde met hun verbondenheid met het joodse volk, was deze bij Herzberg een vanzelfsprekendheid. In de zomer van 1967 deed hij in de Volkskrant verslag van een reis door Israël en de veroverde gebieden. Hij beklemtoonde de historische verknochtheid der joden aan Palestina en legde de achtergrond van het conflict in het Midden-Oosten nog eens uit. Het patriottisme van de joden werd in het algemeen slecht begrepen, schreef hij, omdat het ‘een op zich zelf staand verschijnsel [is], waarvoor geen analoog of parallel verschijnsel bestaat. Vandaar dat het, met name in West-Europa, met zijn vergevorderde assimilatie der joden, zo vaak niet, of ternauwernood begrepen wordt.’81
Enkele jaren na de zege van het Israëlische leger in de Zesdaagse Oorlog begon Herzberg zich zorgen te maken over de ontwikkelingen in de joodse staat. Ter gelegenheid van de vijfentwintigjarige viering van bevrijdingsdag hekelde hij in Levend Joods Geloof, het blad van de Liberaal Joodse Gemeente, de orthodoxe én liberale geestelijke leiders niet alleen vanwege hun opstelling ten aanzien van de mogelijke gratiëring van de Drie van Breda, maar ook vanwege hun kritiekloze solidariteit met Israël. Herzberg kon het gevoel niet van zich afzetten dat de idealen die de grondslag vormden van de zionistische beweging, werden vervangen ‘door een wel buitengewoon misplaatst en buitengewoon onvruchtbaar machtsbewustzijn’. Hij betreurde het ontbreken van enig begrip voor de Arabische positie en ontwaarde ‘een volstrekt eenzijdig, zelfzuchtig, egocentrisch eigenbelang’.82
De coalitieregering van Menahem Begin, die na de verkiezingen van 1977 werd gevormd, boezemde Herzberg regelrechte afkeer in. In het Nieuw Israelietisch Weekblad noemde hij de verkiezing van Begin ‘een van de grootste blunders die het joodse volk in zijn aan blunders be-
paald niet arme historie ooit heeft begaan’.83 De regering Begin beoogde volgens hem
‘de voor de joodse toekomst onmisbare democratie om te zetten in een steriele, impotente en intolerante theocratie en de staat die de vrije geestelijke ontwikkeling van de joodse mens waarborgen moet, in het kunstmatige keurslijf te persen van een getto, met als leidend beginsel alles te verstikken wat niet buigt voor het rabbinaat [...]. Is dat zionisme of een degeneratie daarvan?’84
In 1986 waarschuwde hij in de Nieuwsbrief van het Centrum voor Informatie en Documentatie Israël voor een dreigende splitsing van het joodse volk in Israël als gevolg van het fanatisme van orthodoxe zijde. Dit laatste was volgens hem in strijd met de politieke doelstelling van het zionisme, die dreigde te worden vervangen door ‘godsdienstplicht’.85
Toen in 1978 zijn kleinzoon sneuvelde tijdens een actie van het Israëlische leger in Libanon, nam hij deze tragische gebeurtenis als aanleiding voor een genuanceerde beschouwing over de reactie van joden op de vervolging door de nationaal-socialisten. Hij bracht een eresaluut aan de vrije joodse soldaat, die nieuwe verschijning in de joodse geschiedenis.
‘En als hij valt, zoals Jehoshuah is gevallen, zullen de tranen, die om hem worden vergoten, wel bitter zijn, maar de herinnering aan hem zal ons sterken en de dankbaarheid, die wij hem schuldig zijn voor het offer dat hij gebracht heeft, zal niet wijken. Wij en alle geslachten na ons zullen in lengte van dagen herdenken, wat ons volk geleden, gehoopt en mede door hem bereikt heeft.
Zij zullen kaddisj zeggen en weten dat hij niet voor niets gevallen is.’86
Zijn toenemende kritiek op de ontwikkelingen in Israël werd hem in de joodse gemeenschap in Nederland veelal niet in dank afgenomen. Maar hij was al veel langer, eigenlijk al sinds de direct naoorlogse periode, een omstreden figuur, die zich door zijn standpunten veelal buiten de joodse consensus plaatste. In 1952, toen het doodvonnis van Willy Lages, tijdens de bezetting Aussenstelleleiter der Sicherheitspolizei und sd in Amsterdam en tevens formeel chef van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, werd omgezet in levenslange gevangenisstraf, liet Herz-
berg zich daarover positief uit. Na zeven jaar kon het doodvonnis volgens hem eenvoudigweg niet meer worden voltrokken. ‘Niet dus om Willy Lages, maar ter willen van onszelf kreeg hij genade.’87
Herzberg mengde zich ook in het debat over de mogelijke vrijlating van de resterende Drie van Breda - de gevangenschap van Lages werd in 1966 afgebroken wegens ernstige ziekte. Dit debat bereikte een climax in 1972, toen het kabinet-Biesheuvel in de persoon van minister van Justitie, A.A.M. van Agt, een nieuwe poging deed tot gratiëring van de Duitse oorlogsmisdadigers. Herzberg sloot zich aan bij de opvattingen van verlichte strafrechtdeskundigen, waarmee hij opnieuw een standpunt innam dat diametraal tegengesteld was aan dat van de meeste joden. Een gevangenisstraf van meer dan vijfentwintig jaar was geen recht meer, vond hij, maar wreedheid en daarom te veroordelen. In de strafrechtpleging is het van belang, onderstreepte hij, ‘onze eigen beginselen [te] volgen’ en ‘wat wreedheid betreft niet in concurrentie met de nationaal-socialisten [...] [te] treden’.88 Over de opstelling van de meeste joden, die in zijn ogen werd gekenmerkt door haat en vergelding, was hij teleurgesteld. Hij viel de orthodoxe en liberale leiders scherp aan vanwege hun standpunt in deze zaak. ‘En zo zijn wij met vereende krachten de hoofdschuldigen geworden aan het iedere beschaving tartende schandaal van de gevangenen van Breda.’89
De deelname van de nzb aan de actie tegen vrijlating van de Drie van Breda gaf Herzberg aanleiding zijn lidmaatschap na zestig jaar op te zeggen. Aan argumenten had hij geen gebrek. Hij meende dat de bond zich buiten de discussie had moeten houden, aangezien met de mogelijke vrijlating geen enkel zionistisch belang was gemoeid. Bovendien had hij zich buitengewoon gestoord aan de interventie terzake van de kant van de Israëlische regering. In zijn brief noemde hij eveneens zijn afwijzing van enkele op het laatste congres van de wereldorganisatie genomen besluiten volgens welke mensen als Herzberg niet langer gerechtigd waren zich ‘zionisten’ te noemen. Ten slotte had hij ernstige bezwaren tegen de toenemende intolerantie van orthodox joodse zijde in Israël.90
In een hierop volgende briefwisseling met het bondsbestuur vatte de oud-voorzitter een en ander nog eens kernachtig samen:
‘Kortom, de deelname van de n.z.b. aan de in de laatste maanden aan de dag getreden joodse opwinding is zozeer in strijd met alles wat van deze organisatie, krachtens haar wezen en haar doel mocht worden verwacht, getuigt zozeer van een gebrek aan geeste-
lijke bezinning en politiek inzicht en is zozeer verstoken van iedere leiding, dat daarin voor mij geen plaats meer is.’91
Hij liet niet na op te merken dat hij de zionistische zaak op eigen wijze wilde blijven dienen. Welbeschouwd deed hij enigszins afbreuk aan zijn opzegging door zijn brief te openen met de opmerking dat hij naarmate hij ouder werd steeds sterker de behoefte was gaan voelen zich ‘van iedere organisatorische binding met de daaraan verbonden discipline vrij te maken’.92 Zo geformuleerd ging het Herzberg dus niet primair om de standpunten van de nzb, maar om een drang naar ongebondenheid.
Met zijn afkeer van haat en vergelding trad hij eigenlijk in de voetsporen van zijn religieuze grootouders. De weerloosheid nam in de gedachtenwereld van chassidische joden als zijn grootvader een centrale plaats in. Via hem had Herzberg dit milieu leren kennen, dat hij in Brieven aan mijn kleinzoon liefdevol heeft beschreven. Tijdens de oorlog had hij de volslagen weerloosheid op mystieke wijze beleefd en leren waarderen. Na de oorlog kreeg naast het politieke het geestelijk principe in zijn denken en geschriften een steeds duidelijker accent.
In joodse kringen werd en bleef Herzberg - niet altijd tot zijn ongenoegen - na de oorlog een omstreden figuur en een outsider. De waardering voor zijn standpunten in niet-joodse kring was dikwijls omgekeerd evenredig aan die in de joodse gemeenschap. In de loop van zijn leven werden hem verschillende prijzen toegekend, waaronder in 1972 de prestigieuze P.C. Hooftprijs.
Met Presser en De Jong onderhield Herzberg niet meer dan een zakelijke relatie. Op Ondergang van Presser, dat in 1965 verscheen, reageerde hij in een bespreking in de Volkskrant met gemengde gevoelens. Hij had vooral waardering voor de anekdotische gedeelten, omdat zij dwongen tot ‘overpeinzingen over de oorsprong en de betekenis van goed en kwaad’. Maar hij vond het jammer dat Presser zich had beperkt tot de feiten en niet aan een begin van een antwoord op de waarom-vraag was toegekomen: ‘Ik wil enkel vaststellen dat een geschiedenis der jodenvervolging, alle feitelijke exactheid ten spijt, ondoorzichtig blijft als dikke mist, wanneer naast de constatering van het gebeurde niet tenminste een poging wordt gedaan om de geestelijke achtergronden daarvan door te lichten.’93 De titel van Pressers tweedelige studie had hem al meteen het ergste doen vrezen. Herzberg beklemtoonde opnieuw dat in Auschwitz een poging was gedaan eeuwige dingen te vergassen en niet alleen sterfelijke mensen. ‘Niet voor het eerst en niet voor het eerst vergeefs.
En om die dingen gaat het opnieuw. Zij zijn niet ondergegaan. Zij herleven.’94
Met De nacht der Girondijnen (1957) had Presser echter bij Herzberg een gevoelige snaar geraakt. Het motto van het boekje ‘Homo homini homo’ was Herzberg uit het hart gegrepen. De ontwikkeling van de hoofdpersoon tot een mens die de wederzijdse verantwoordelijkheid en liefde tot uitgangspunt van zijn handelen maakt, sloot nauw aan bij Herzbergs denken over de mogelijkheden van de mens tot wederkerigheid en broederschap.95
Na Pressers overlijden schreef Herzberg aan De Jong over diens ‘jammerlijke historische vergissing ten aanzien van het jodendom’, maar voegde daaraan toe dat Presser en mensen als hij hem juist om die reden lief waren.96
Maar ook met De Jong waren de betrekkingen niet bijzonder warm. Herzberg kende De Jong uit de tijd dat hij werkte aan zijn Kroniek der Jodenvervolging, waarvoor hij tot ergernis van De Jong slechts sporadisch gebruik had gemaakt van de collectie van het riod. Hierdoor vond De Jong de Kroniek ‘uit een oogpunt van algemene geschiedschrijving niet voldoende’, maar ‘als persoonlijk getuigenis van iemand die de Jodenvervolgingen beleefd en doordacht had [...] daarentegen voortreffelijk’.97 Na deze kortstondige periode van intensief contact bleef de verhouding beperkt tot wederzijds beleefde briefjes bij bijzondere gelegenheden. Herzberg had een wezenlijk andere visie dan De Jong op tal van thema's uit de geschiedschrijving van de jodenvervolging.
Dit verhinderde De Jong niet hem als autoriteit op het gebied van de joodse geschiedenis te benaderen en hem exemplaren van de regelmatig verschijnende delen van zijn Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog toe te zenden. Op zijn beurt heeft Herzberg zich zeer gestoord aan de rol van openbare aanklager die De Jong vooral in de affaire-Aantjes zocht. De Jong bleef echter onverstoorbaar Herzberg de opeenvolgende delen van zijn levenswerk sturen. In 1987 bedankte Herzberg hem hiervoor en maakte bovendien een verzoenend gebaar: ‘Ik voeg hieraan toe te hopen dat er geen wanklank is blijven hangen om dat wat ik mij eens geoorloofd heb over Aantjes te publiceren. Indien dit wel het geval is, zou ik dat betreuren en moet ik beroep doen op Uw clementie.’ De Jong antwoordde zich hiervan niets te kunnen herinneren en zich het ‘in elk geval [niet te hebben] aangetrokken [...]’.98
Toen hij werkte aan zijn Kroniek der Jodenvervolging kwam Herzberg in contact met zijn Franse collega en medepionier op het gebied van de

Abel Herzberg, in 1982 (foto Bert Nienhuis).
geschiedschrijving van de jodenvervolging, Léon Poliakov. Diens werk en dat van zijn collega's Joseph Billig en Georges Wellers heeft hij bestudeerd en gebruikt voor zijn geschiedschrijving. Ook bracht hij enige tijd door in het in Parijs gevestigde Centre de Documentation Juive Contemporaine, waaraan de drie Franse historici allen waren verbonden. Met name met Poliakov, die evenals hij jurist was en bovendien afkomstig uit Rusland, ontstond een vriendschappelijke relatie. Verder stond Herzberg in contact met de Wiener Library in Londen die onder leiding stond van Alfred Wiener.99
Hoewel hij zich nooit in Israël heeft gevestigd, bleef Herzberg zich onverkort als zionist beschouwen. Het eigenlijke zionistisch ideaal, zei hij in 1986, houdt immers niet in dat alle joden, zelfs niet de meeste joden, in Israël moeten wonen. Essentieel is dat er in de joodse staat een joodse meerderheid wordt gecreëerd. ‘Je hoeft toch ook niet in Nederland te wonen om Nederlander te zijn.’100 Dit neemt niet weg dat hij vond dat hij was tekortgeschoten door niet naar Israël te emigreren, op aliya te gaan in de zionistische terminologie. Hij weet dit aan het feit dat
hij geen passende werkkring had kunnen vinden ‘zodat er niets anders overbleef dan de poging zich in de Golah nuttiger voor Israël te maken dan in Israël zelf’.101
Herzberg, die zichzelf beschouwde als een non-conformist, omdat hij zo'n moeite had zich te ‘vereenzelvigen met een partij, met een bepaalde gemeenschap’,102 wilde toch het liefst begraven worden in de kibboets waar zijn dochter woonde en waar hij samen met zijn vrouw regelmatig had gelogeerd. Als deze voorkeur op financiële bezwaren zou stuiten, was een teraardebestelling in Nederland bij de Liberaal Joodse Gemeente tweede keus, maar beslist niet bij de orthodoxe gemeente. In 1974 gaf hij te kennen tegen crematie ‘geen principieel bezwaar’ te hebben103 en de Herzbergs werden lid van de Vereniging voor Crematie avvl. Aan zijn vriend Huub Oosterhuis legde Herzberg uit, dat zij tot deze beslissing waren gekomen uit solidariteit met de slachtoffers van de nationaal-socialisten, die ook geen graf hadden gekregen.104 Tien jaar later kwamen zij alsnog op deze beslissing terug en verzochten de vereniging hun lidmaatschap ongedaan te maken. Tegen crematie, schreven zij, bestonden ‘om religieuze, sociale en persoonlijke en gedeeltelijk ook familiaire redenen [...] onoverwinnelijke bezwaren’.105
Herzberg overleed op 19 mei 1989 op vijfennegentigjarige leeftijd en werd op 22 mei begraven op Gan Hasjalom, de Liberaal Joodse Begraafplaats in Hoofddorp.106
Jacob Presser werd geboren op 24 februari 1899 aan het Waterlooplein midden in de Amsterdamse jodenhoek als telg van wat hij zelf een ‘schilderachtige Joodse familie’ noemde.1 Zijn vader was zoals zovele Amsterdamse joden werkzaam in de diamantnijverheid. In 1903 verhuisde het gezin naar Antwerpen, omdat de vooruitzichten in de diamantbranche daar beter waren dan in Amsterdam. Jacob werd voortaan Jacques genoemd. Vier jaar later keerden de Pressers terug naar Amsterdam, waar Pressers vader met het in Antwerpen verdiende geld zich vestigde als zelfstandig diamantbewerker. Zij betrokken een woning in de Transvaalbuurt, de overloop van de oude jodenbuurt. Het socialisme van Henri Polak, de ‘rebbe van de diamantbewerkers’, had grote aanhang in de nieuwe Amsterdamse jodenbuurt, en maakte op Pressers
vader, die uitgesproken anti-orthodox was, en op de jonge Presser diepe indruk.2
Presser was een goede leerling, die van huis uit sterk werd gestimuleerd te studeren. In 1911 ging hij naar de Derde Vijfjarige hbs, die vanwege het strenge regime vooral weerzin in hem opriep.3 Toen de directeur weigerde Presser vrij te geven op de zaterdag waarop hij barmitzwa (kerkelijk meerderjarig - ck) zou worden, zeiden zijn ouders; ‘Dat is een antisemiet.’ Presser was daarvan echter niet overtuigd. ‘Want hij was natuurlijk helemaal niet daarom een antisemiet, maar dat was de oplossing voor mijn ouders, de spanning tussen joden en niet-joden.’4
Veel harder kwamen echter de woorden aan van een klasgenoot met wie hij vriendschap wilde sluiten en die toen hij iets wilde afspreken zei: ‘Nee, ik mag niet, want jij bent een jood!’ In 1969, kort voor zijn overlijden, zei Presser tegen Philo Bregstein hierover het volgende:
‘De confrontatie van elk joods kind in een niet-joodse omgeving met het feit dat hij een jood is en de anderen geen joden, is onvermijdelijk en kan bijna nooit anders dan, enigermate, soms héél pijnlijk zijn. In elk geval is dat eeuwig en altijd de opduvel aan de onbevangenheid. [...] Deze twee gebeurtenissen hebben mij niet voor het eerst geconfronteerd met het jood-zijn, want dat wist ik wel. [...] Maar de confrontatie met de spanning, de groepsspanning is toen voor het eerst gebeurd. En ja, zoiets gaat nooit verloren, dat weet je nog als je zo en zo oud bent. Daar is niet aan te ontkomen en dat blijft zo.’5
Toen hij niet werd bevorderd naar de vierde klas van de hbs en de leraren de Pressers aanraadden hun zoon van school te halen, gaven zijn ouders hem toch een tweede kans. Hij deed het derde jaar over aan de Openbare Handelsschool aan het Raamplein.6 Daar bloeide Presser op en haalde hij in 1917 als een van de vijf besten de eindstreep. Beslissend waren de lessen Nederlands van dr. Arie Zijderveld, die de jonge Presser inwijdde in de literatuur. Uit deze jaren stamt ook zijn liefde voor het werk van Heinrich Heine, die zijn lievelingsdichter werd.7
De Eerste Wereldoorlog greep de jonge Presser sterk aan - met name het uiteenvallen van de Internationale - en maakte hem tot een overtuigd antimilitarist.8 De Russische Revolutie won hem voor het marxisme.9
Na de hbs wilde Presser studeren, maar zijn vader zag voor hem een
toekomst weggelegd ‘in de handel’. De zoon dolf het onderspit (‘ik zal te slap zijn geweest’10) en werd jongste bediende op een effectenkantoor aan de Keizersgracht.11 Hij vond het er vreselijk. Na elf maanden stapte hij over naar de Amsterdamsche Bank, waar hij spoedig chef van een afdeling werd. Hoewel de sfeer en de inhoud van het werk hem daar beter bevielen dan bij zijn eerste werkgever, voelde hij zich toch ‘doodgewoon ongelukkig’.12 Zijn vroegere leraar Zijderveld kwam te hulp. Diens aanbod om te bemiddelen voor een particuliere studiebeurs, eerder beslist afgeslagen door vader Presser, was nog steeds van kracht. Vader Presser zwichtte uiteindelijk - met tegenzin - voor het sterke verlangen van zijn zoon.13
In de zomer van 1919 begon Presser te werken voor het staatsexamen gymnasium-a bij dr. Marcus Boas, de vader van Henriëtte Boas. Hij slaagde en in 1920 ging hij aan de Universiteit van Amsterdam Nederlands studeren met geschiedenis als bijvak.14
Daar kreeg zijn belangstelling voor geschiedenis al snel de overhand en ontwikkelde hij een bijzondere voorliefde voor de Renaissance. Hij nam geen deel aan het studentenleven: ‘Ik was geen student, ik studeerde.’ Hij werd volledig geabsorbeerd door zijn studie en zijn betrokkenheid bij de ontwikkelingen in de wereld verdween naar de achtergrond.15
Tijdens zijn eerste reis naar Duitsland ontdekte Presser Theodor Lessings Geschichte als Sinngebung des Sinnlosen. ‘Dat boek heeft me jarenlang eenvoudig beziggehouden, hetzij om het ermee eens te zijn, hetzij om er tegenop te schreeuwen. De gedachte dat geschiedenis niets anders is dan een proces dat op zichzelf zinloos is, een zin onderschuiven. O, dat was voor mij een flits!’16
Hij slaagde cum laude voor zijn doctoraalexamen en schreef een dissertatie getiteld Das Buch ‘De Tribus Impostoribus’ (1926). Deze behelsde een speurtocht naar een boek waarin de drie grote godsdienststichters Mozes, Jezus en Mohammed bedriegers zouden zijn genoemd. Tussen de tiende en de achttiende eeuw hadden maar liefst vijftig schrijvers het auteurschap van dit boek opgeëist, maar Presser kwam tot de slotsom dat zij geen van allen de auteur waren van het bedoelde boek. ‘Nein, Das Buch von den drei Betrügern hat niemals existiert,’ besloot Presser zijn proefschrift, dat hij in het Duits schreef en dat evenals zijn doctoraalexamen met het predikaat cum laude werd bekroond.17
Na zijn promotie werd Presser leraar Nederlands aan het pas opgerichte Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het leerlingenbestand van het neutrale Vossius bestond voor eenderde uit leerlingen van joodse
afkomst.18 Loe de Jong en zijn tweelingbroer Sally behoorden tot Pressers eerste leerlingen. Hij werd een geliefd docent, die zijn geestdrift voor kunst en cultuur op de gymnasiasten wist over te dragen.
In de eerste jaren van zijn leraarschap schreef hij het artikel ‘Anatole France en de geschiedenis’.19 Deze schrijver heeft Presser wat betreft zijn levens- en wereldbeschouwing sterk beïnvloed.
‘Hij heeft een vorm weten te geven aan wat in mij leeft aan zin voor relativering, voor scepsis, voor twijfel - aan mezelf in de eerste plaats en aan veel andere dingen. Via Anatole France ben ik, geloof ik, in belangrijke mate geworden tot de agnosticus die ik in de loop van de jaren hoe langer hoe meer in mezelf heb verwezenlijkt [...] Een paar elementen van hem zijn in al mijn geschrijf terecht gekomen [...]. De voornaamste elementen zijn ironie en medelijden bij de beschouwing van al het menselijke, het menselijk bedrijf en de menselijke existentie.’20
Verder schreef hij boekbesprekingen en werkte hij mee aan schoolboeken.
Rond 1930 leerde Presser Jan Romein kennen, met wiens vrij-marxistische ideeën Presser zich verwant voelde.21 Romein vroeg hem docent te worden aan het Instituut voor Historische Leergangen, een mo-opleiding die onder leiding van Romein stond. Via Romein kwam Presser in een links georiënteerd milieu te verkeren.22 Mede naar aanleiding van zijn artikel over Anatole France werd hij bovendien gevraagd toe te treden tot Unitas Multiplex, een gezelschap van vrienden afkomstig uit verschillende takken van wetenschap, onder voorzitterschap van de filosoof Henk Pos. De bijeenkomsten van Unitas en de vriendschap met Romein hebben een enorm stimulerende invloed gehad op Pressers wetenschappelijke en politieke ontwikkeling. In zijn eerste lezing voor het gezelschap, over het thema ‘objectiviteit’, confronteerde hij de historie en de legende van Napoleon met elkaar.23
Door het geven van cursussen in de hedendaagse geschiedenis aan de Amsterdamse Volksuniversiteit ontwikkelde Presser in de jaren dertig ook zijn belangstelling voor de contemporaine geschiedenis.
Hij was sterk op Duitsland georiënteerd - dat hij zijn dissertatie in het Duits had geschreven was daar een uiting van. Hij maakte voettochten door het romantische Duitsland, het Duitsland van de Rijn.
‘Ik was zo doordrenkt, curieus genoeg, van romantiek, van die wonderlijke gevoelswereld geladen met allerlei sagen en mythen, verhalen van feeën en elfen. Ik zou nu achteraf zeggen dat ik waarschijnlijk een beetje gek, getikt of oversentimenteel zal zijn geweest. Maar goed, dat is nu eenmaal de waarheid. Ik kwam graag in Duitsland.’24
In 1932 was hij er voor het laatst, in Keulen. Het was hem duidelijk dat de situatie daar ‘door en door verziekt’ was en hij brak zijn verblijf voortijdig af. De machtsovername van Hitler, een jaar later, schokte hem diep. Hij beschouwde het als ‘een barbarisering’ en ‘een overwinning van de afgrond’.25
De dramatische ontwikkelingen in zijn geliefde Duitsland, dat ten prooi was gevallen aan het nationaal-socialisme, benaderde hij althans professioneel sterk relativerend. Voor de Volksuniversiteit hield hij een lezing waarin hij zijn toehoorders begrip probeerde bij te brengen voor de bronnen waaruit het kwaad in Duitsland voortsproot. In zijn drang tot relativering ging hij zo ver dat een aantal bezoekers bij de leiding een klacht indiende over Pressers vermeende partijdigheid voor Hitler.26
In 1936 trad Presser in het huwelijk met een oud-leerlinge, Deborah Appel. Zij stimuleerde hem om van zijn Napoleon-studie een boek te maken.27 Kort voor het uitbreken van de oorlog was Napoleon. Historie en legende nagenoeg gereed, maar het boek zou pas in 1946 worden gepubliceerd.
Hoewel zeker niet uitsluitend of overwegend, had Presser vrij veel joodse relaties en contacten, onder wie bijvoorbeeld professor David Cohen, voor wie hij een groot respect koesterde. Ook met vele van zijn joodse oud-leerlingen onderhield hij contact. Met Loe de Jong was hij voor de oorlog naar eigen zeggen ‘al bijzonder bevriend’. Maar het georganiseerde vooroorlogse joodse leven sprak hem niet aan.28 Voor het Genootschap voor de Joodse Wetenschap, opgericht in 1919, maakte hij kennelijk een uitzondering. Vanaf 1928 tot zijn overlijden in 1970 komt zijn naam op de ledenlijst voor.29
In 1939 schreef Presser een bijdrage voor de bundel Anti-semitisme en Jodendom, die door Pos werd samengesteld. Hij behandelde hierin het antisemitisme als een aparte vorm van xenofobie30 en presenteerde een historisch overzicht van het antisemitisme tijdens de diaspora.
‘Reeds den jonge Jood kost zijn Jood-zijn dikwijls een van de wei-
nige dingen, die het geluk der jeugd uitmaken: zijn onbevangenheid; hoe moeilijk is het later niet, te genezen van een minderwaardigheidscomplex, dat niet alleen in hem individueel, maar in zijn hele groep schijnt te wortelen!’31
Over de emancipatie van de joden met de Franse Revolutie toonde hij zich in dit artikel buitengewoon sceptisch en relativerend. De gelijkberechtiging was immers veel meer uit Prinzipienreiterei voortgekomen dan uit het besef dat de joden zo lang onrecht was aangedaan.32
In de jaren dertig trachtten activisten Presser over te halen lid te worden van de zionistische beweging, maar de pogingen hem te overtuigen van de noodzaak van de joods-nationale aspiraties bleven zonder succes. Een belangrijke reden voor Pressers weigering was het veiligheidsaspect. Een joodse staat in een vijandige omgeving leek hem een te groot risico. Kort voor zijn overlijden heeft hij eraan herinnerd dat ook Theodor Herzl juist op dit punt twijfels had, maar bij hem had de bezetenheid het van de twijfel gewonnen. Die bezetenheid miste Presser. Bovendien had hij als agnosticus onoverkomelijke moeite het zionisme te omhelzen. Hij was naar eigen zeggen echter niet zozeer antizionist, maar veeleer niet-zionist. Met vele socialistisch-zionisten voelde hij zich overigens sterk verbonden.33
Naar aanleiding van zijn artikel voor de bundel van Pos vonden sommigen van zijn vrienden dat hij eigenlijk zionist behoorde te zijn. Wie zijn ‘Antisemitisme als historisch verschijnsel’ leest, is geneigd het met hen eens te zijn. Het zou een volkomen begrijpelijke, misschien zelfs wel logische conclusie zijn geweest. Maar het lag eenvoudigweg niet in zijn aard, die zo sterk neigde naar relativering en scepsis, zich te binden.34
Wel hebben de kritiek en de bijdragen van de andere auteurs hem destijds - in 1939 - ‘in veel opzichten de ogen geopend’. Het viel Presser op dat de artikelen van zijn medeauteurs, allen niet-joden, met veel grotere distantie waren geschreven.35
Hoewel hij dus geen zionist werd, ontwaakte in hem gedurende die jaren wel een ‘sterker gevoel [...] voor de buitengewoon gevaarlijke positie van de joden in Westeuropa’. In de buurt waar hij woonde, Amsterdam-Zuid, waren veel Duits-joodse vluchtelingen komen wonen, tegenover wie hij in tegenstelling tot menig ander geen gevoelens van ergernis koesterde.36
Door de Duitse inval in mei 1940 voelde Presser zich ‘zwaar getroffen
en gekrenkt, als de kapotte mens van de Westeuropese beschaving, humanist of vrijdenker, of hoe je het noemen wilt, man van bepaalde normen en waarden.’ Op de veertiende mei probeerden Presser en zijn vrouw de haven van IJmuiden te bereiken om vandaar naar Engeland te ontkomen, maar zoals zovele anderen moesten ze onverrichter zake naar huis terugkeren.37
Presser geloofde dat het ‘voorgoed mis zou zijn’ en handelde daarnaar: op 15 mei, de dag van de ondertekening van de capitulatie, deden hij en zijn vrouw een poging tot zelfmoord. Hij heeft altijd ontkend dat het besef dat hij als jood gevaar liep bij zijn beslissing een rol heeft gespeeld.38
Niettemin kreeg Pressers jood-zijn vanaf dat moment steeds meer betekenis, of hij het wilde of niet. De realiteit van de Duitse bezetting creëerde een onderscheid dat in de kringen waarin Presser verkeerde nauwelijks relevant was geweest. Zoals Jan en Annie Romein ooit opmerkten, was het daarvoor van evenveel belang geweest of vrienden joden dan wel Friezen, Groningers of Limburgers waren.39
Vanwege zijn jood-zijn werd Presser op 28 november 1940 met onmiddellijke ingang ontslagen als leraar aan het Vossius. Meer nog dan het ontslag schokte hem de naam van degene die de ontslagbrief had ondertekend. Dat hij deze man kende als iemand met een reputatie van rechtschapenheid noemde hij ‘een richtinggevende opdonder voor een heel groot stuk van de oorlogsjaren. Ik kon het niet anders dan met mijn joodse situatie in betrekking brengen: het besef dat je in het geheel van de belangen die op het spel stonden, een stukje kleingeld betekende dat kon worden uitgegeven.’40
Slechts luttele dagen later kwam de directeur van Elsevier bij Presser langs met het verzoek een boek te schrijven over de Tachtigjarige Oorlog. Deze studie zou hem tijdens het eerste jaar van de Duitse bezetting volop bezighouden. Op het titelblad ging Presser schuil achter de naam van de historicus B.W. Schaper, die hij had aanbevolen als zijn vervanger aan het Vossius.41
Na de zomer van 1941 werd Presser gevraagd geschiedenis te doceren aan het zojuist opgerichte Joods Lyceum, en Elsevier kwam met het voorstel voor een boek over hetzij Rusland hetzij Amerika. Presser koos voor Amerika, evenals de Tachtigjarige Oorlog een hem tot dat moment volkomen onbekend terrein (Amerika. Van kolonie tot wereldmacht (1949)).
Met het werken hieraan, samen met het lesgeven aan het Joods Ly-

Jacques Presser, 1942.
ceum en aan verschillende particuliere groepjes was zijn leven meer dan gevuld. Achteraf dacht hij dat hij misschien nooit meer in zijn leven zo intens gewerkt heeft als in de oorlogsjaren.42 Het Joods Lyceum was een normale school in abnormale omstandigheden. Presser, die de school ‘bewust als een weldaad’ ervoer, hield in elke klas een klein toespraakje dat naar eigen zeggen neerkwam op het volgende: ‘Kinderen, nu zijn we hier bij elkaar, zé zeggen dat we minderwaardig zijn, maar dan zullen wij laten merken dat we het niet zijn!’43 Als leraar was hij ook hier buitengewoon geliefd. Het lerarenkorps was in politiek opzicht verdeeld in twee kampen: de zionisten en de niet-zionisten. Presser behoorde tot de laatste groep.44 Ook de oorlogsomstandigheden trokken hem niet over de streep.
Met de verplichting de jodenster te dragen die op 29 april 1942 van kracht werd, werden de joden ‘vogelvrij en herkenbaar’. Bij Presser en zijn collega's veroorzaakte deze maatregel ‘geweldige innerlijke conflicten’.45 Het was echter nog maar het begin. Een leerlinge die een oproep
had gekregen zich te melden voor ‘tewerkstelling in Duitsland’, vroeg haar leraren, onder wie Presser, om raad.
‘Dat heeft me ontzettend aangegrepen; dat weet ik heel zeker. Dat onbeschermde kind. Ik ben bij de leraren geweest die - misschien meer te laken dan te prijzen - gezegd hebben: “Niet gaan.” Ik weet nog heel goed hoe ik erbij zat. “Niet gaan.” Dat was natuurlijk de vraag. Je zei het zonder alternatief, want toen ze naar me keek - ik zie haar gezicht nog - ben ik ook een van de leraren geweest die naar beneden heeft gekeken. Ik heb mijn hoofd gebogen, want je kòn haar niets zeggen.’46
Toen steeds meer kinderen wegbleven, consulteerde Presser samen met een aantal collega's David Cohen, een van de twee voorzitters van de Joodse Raad. Zij legden hem, zo vertelde Presser aan Bregstein, hun dilemma voor: ‘Wat moeten wij nu doen? Is het niet noodzakelijk voor ons om te pogen die kinderen en onszelf met alle kracht in veiligheid te brengen?’ Zij realiseerden zich zelf terdege dat dit ‘heel moeilijk’ zou zijn. Cohen antwoordde dat zij - evenals hijzelf en de medewerkers van de Joodse Raad - op hun post moesten blijven. Terugblikkend op dit dramatische moment zei Presser: ‘Wij lieten ons toch in belangrijke mate in slaap sussen. Wij waren zo blij met van allerlei dat misschien nauwelijks betekenis had en waren te gauw optimistisch. We misten eenvoudig de fantasie. We verdiepten ons niet in de gedachte waarom die kinderen weg moesten.’47
In de zomer van 1942 begonnen de razzia's. Presser en zijn vrouw werden twee keer opgepakt; beide keren kwamen zij met de schrik vrij.48 In het najaar werden de eerste joden van huis gehaald. Het greep Presser enorm aan dat er steeds meer kinderen van school verdwenen. Tegenover Philo Bregstein gaf hij het voorbeeld van een klas van achtentwintig kinderen, die toen hij zelf in mei '43 onderdook, was geslonken tot vier. Hij beschreef hoe hij en zijn leerlingen hierover communiceerden: ‘[...] ik kwam de klas binnen, ik miste er weer een. De kinderen antwoordden met gebáren. Er waren twee gebaren, het ene betekende: opgepakt. Het andere betekende: ondergedoken. Daar werd nóóit een woord bij gesproken.’49 In Pressers omgeving begonnen oud-leerlingen er steeds sterker doch voorlopig nog vergeefs op aan te dringen dat de Pressers zouden onderduiken. Verschillende mogelijkheden werden besproken en onderzocht; de Pressers schaften valse persoonsbewijzen aan.50
Op 18 maart 1943 stapte Pressers vrouw - zonder ster en met een primitief vervalst persoonsbewijs - in de trein voor een bezoek aan haar vader en haar stiefmoeder, die op de Veluwe waren ondergedoken. Ze zou daar nooit aankomen. Zij slaagde erin haar familie te laten weten dat ze als ‘strafgeval’ naar Westerbork was overgebracht; haar overlevingskansen achtte zij ‘klein’. Op 23 maart werd zij met 1249 andere Nederlanders naar Sobibor gedeporteerd. Drie dagen later kwam zij daar aan en werd waarschijnlijk onmiddellijk vergast.51
Presser bleef achter met het ‘onontkoombare schuldgevoel dat een overlevende of de overlevende ten enen male moet hebben. Dat gevoel dat je dan al direkt krijgt van: kind, hoe heb ik je kúnnen láten gaan met dát persoonsbewijs. Hoe is godsmógelijk dat ik het heb gedaan, [...] dat ik je niet gezegd heb: je mág er niet mee gaan, niet?’52
Er verstreken nog tien weken eer hij het besluit nam onder te duiken. Na een lezing die hij had gehouden op 16 mei 1943 in het kader van een cursus georganiseerd door het bureau Culturele Zaken van de Joodse Raad, werd hij opgewacht door zijn latere zwager en zijn toekomstige gastheer. Vooral de eerste was opgewonden vanwege de toenemende dreiging en de geruchten van een op handen zijnde razzia. Op 22 mei verliet Presser zijn huis.53 De avond daarvoor waren Joodse Raad-medewerkers begonnen met de nadien veelgekritiseerde selectie van de zevenduizend personen - allen in het bezit van een ‘stempel’ - die een oproep zouden ontvangen zich op 25 mei te melden ‘voor tewerkstelling in Duitsland’. Toen slechts vijfhonderd van de opgeroepenen kwamen opdagen, werd op 26 mei de eerste massale razzia gehouden in het centrum van Amsterdam.54
Tot zijn bevrijding op 17 april 1945 verbleef Presser op vier verschillende adressen. Voor zijn gastgezinnen had hij achteraf niets dan lof. Vier keer ontsprong hij ternauwernood de dans.55 In zijn twee onderduikjaren voltooide hij zijn boek Amerika en schreef tientallen gedichten, die deels nog tijdens de bezetting illegaal en onder pseudoniem werden uitgegeven. Na de oorlog werden zij onder pseudoniem gepubliceerd in de bundel Orpheus en Ahasverus. Verder schreef hij nog de sleutelroman Homo Submersus en begon hij aan een biografie over de Amerikaanse staatsman Thomas Jefferson (1743-1826), die hij bij gebrek aan materiaal niet voltooide. Wel schreef hij een biografie van beperkte omvang over de Engelse textieltechnicus en de eerste grootindustrieel Richard Arkwright (1732-1792).56
Begin juni keerde Presser terug naar Amsterdam, waar hij voorlopig
onderdak vond bij zijn vrienden Jan en Annie Romein. Hij hervatte zijn leraarschap aan het Amsterdamse Vossius Gymnasium. In augustus nam hij zijn intrek bij Bep Bijlsma, een jeugdvriendin afkomstig uit een geassimileerd joods gezin, die al voor de oorlog tot het Lutherse geloof was overgegaan. In 1954 zou hij met haar trouwen. Het was voor beiden het tweede huwelijk: zij had tijdens de oorlog haar echtgenoot verloren.57
In 1946 werd hij benoemd tot lector in de politieke geschiedenis en de didactiek en methodiek der geschiedenis aan de Faculteit der Letteren van de Universiteit van Amsterdam. Bij de oprichting van de politiek-sociale faculteit aan de Universiteit van Amsterdam werd hij ook daar lector. Op 7 november 1947 werd hij samen met J. Suys, S. Kleerekoper en K. Baschwitz voorgedragen voor de post van hoogleraar aan de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen. De gemeenteraad van Amsterdam stemde in met de voordracht, maar de katholieke minister van Onderwijs, Jos.J. Gielen, weigerde de benoeming van Suys, Kleerekoper en Presser te bekrachtigen. Als reden werd opgegeven dat op de voordracht telkens slechts één kandidaat voorkwam voor de verschillende leerstoelen, maar algemeen werd aangenomen dat politieke overwegingen aan de weigering ten grondslag lagen. Vooral in de confessionele pers werd fel tegen de drie kandidaten geageerd vanwege hun communistische sympathieën.
De communistische machtsgreep in Tsjechoslowakije in februari 1948 verscherpte de politieke verhoudingen. Op 18 november 1948 kwam de voordracht opnieuw in de Amsterdamse gemeenteraad aan de orde - in tweede instantie had de faculteit voordrachten ingediend met voor iedere leerstoel twee kandidaten. Presser werd met meerderheid van stemmen tot kandidaat gekozen en op 21 januari 1949 bekrachtigde de nieuwe - eveneens katholieke - minister van Onderwijs, F.J.Th. Rutten, de benoeming van Presser tot buitengewoon hoogleraar aan de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen met de onderwijsopdracht ‘nieuwste geschiedenis, met inbegrip van de economische en sociale geschiedenis sedert omstreeks 1870’.58
Pressers inaugurele rede, waaruit een grote belezenheid spreekt, kan gezien worden als een beginselverklaring van de politiek-sociale faculteit. Presser behandelde hierin de mogelijkheden van wat inmiddels in het algemeen ‘contemporaine geschiedenis’ wordt genoemd. Destijds was deze term echter nog niet algemeen gangbaar en Presser koos voor de aanduiding ‘historia hodierna’. Hij relativeerde de gevolgen van de geringe afstand tot het object van onderzoek, die de beoefening van
eigentijdse geschiedenis in de ogen van menigeen tot een hachelijke, ja onmogelijke onderneming maakte, en beklemtoonde de voordelen. Behalve de overweldigende hoeveelheid materiaal die de contemporain historicus ter beschikking stond, kon deze gebruikmaken van de resultaten van tal van andere wetenschappen. Presser had hoge verwachtingen van de comtemporaine geschiedenis; zij kon kennis opleveren en verspreiden over de crisis die hij in West-Europa ontwaarde ‘teneinde noodlottige of onherstelbare vergissingen af te wenden’. Voorts kon de historicus van de eigen tijd de aandacht vestigen ‘op nauwelijks ontdekte, althans niet alom gewaardeerde krachtbronnen in onze eigen tijd’, die hij helaas niet nader specificeerde. Tenslotte drukte hij zijn gehoor op het hart dat de contemporain historicus er niet voor moest terugdeinzen ‘het oordeel der geschiedenis’ uit te spreken, onder erkenning dat het ‘niet meer dan een interim-oordeel’ kon zijn.59
In 1952 werd Presser gewoon hoogleraar aan de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen om in 1959 zijn vriend Romein op te volgen aan de Faculteit der Letteren als hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis sinds de Middeleeuwen.
Ongeveer tegelijkertijd met zijn omstreden benoeming tot buitengewoon hoogleraar vroeg zijn oud-leerling en vriend De Jong, die inmiddels belast was met de dagelijkse leiding van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, hem of hij de geplande monografie zou willen schrijven over de jodenvervolging in Nederland. In 1948 was besloten een aparte studie te doen verschijnen over de lotgevallen van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, als onderdeel van een drieluik over deportatie en gevangenschap van Nederlanders tijdens de oorlogsjaren. Het eerste deel moest een algemene inleiding bevatten en ook de Nederlandse kampen behandelen. In het tweede deel zouden de gevangenissen en kampen in Duitsland en Midden-Europa aan bod komen, waarbij de joodse gedeporteerden buiten beschouwing zouden worden gelaten. Het derde deel zou in zijn geheel worden gewijd aan de deportatie en vernietiging van de Nederlandse joden.60
In april 1948 sprak het Directorium voor het eerst over een mogelijke auteur voor dit laatste deel. Verschillende leden van dit college zagen voordelen van een niet-joodse auteur. De Jong meende dat deze in elk geval ‘de Joodse sfeer’ diende te kennen en suggereerde Jaap Meijer als kandidaat.61 Deze was geïnteresseerd en begon zich te oriënteren op de collectie van het instituut. Eind 1948 leek de opdracht aan hem in kannen en kruiken. Over de taak van een assistent moesten partijen echter

Jacques Presser (tweede van links) in 1936 met een klas van het Vossiusgymnasium.
nog overeenstemming bereiken. De besprekingen hierover tussen De Jong en Meijer verliepen kennelijk zo stroef dat Meijer in januari 1949 de voorzitter van het Directorium schriftelijk liet weten de opdracht bij nader inzien niet te aanvaarden. Aan De Jong schreef hij een brief op poten, waarin hij hem onder meer ‘onzakelijkheid in zijn mededelingen’ verweet. Bovendien verklaarde hij niet van plan te zijn ‘ooit weer contact met [...] het instituut op te nemen’. De Jong nam de moeite uitvoerig te reageren op zijn verwijt. Klaarblijkelijk had Meijer De Jong tot wanhoop gebracht: ‘[...] je [bent] je blijkbaar niet bewust [...] hoe moeilijk het is, met jou een zakelijk gesprek te voeren [...]’. Voorts blijkt uit deze brief dat Meijer niet wilde toezeggen een aantal dagen per week aan het boek te werken, en een belangrijk deel van het werk aan een assistent wilde overlaten, hetgeen De Jong en het Directorium onverantwoord achtten.62
Na het mislukken van de besprekingen met Meijer wendde De Jong zich niet direct tot Presser, maar polste eerst nog de jurist Kisch. Deze ging echter wegens tijdgebrek niet in op de uitnodiging.63 Even overwoog het Directorium Herzberg te vragen zich nogmaals te buigen over
de vervolging en vernietiging van de joden. Deze had zojuist zijn bijdrage aan Onderdrukking en Verzet over de jodenvervolging voltooid. De Jong meende echter dat hij er weinig voor zou voelen opnieuw over dezelfde materie te schrijven.64 Inmiddels was het Directorium al bijna anderhalf jaar vergeefs op zoek naar een auteur voor de geplande monografie over de lotgevallen van de joden.
Eind 1949 overwon De Jong noodgedwongen zijn aarzelingen - hij wist hoezeer Presser was getroffen door het verlies van zijn vrouw - en stelde voor zijn vroegere leermeester te vragen.65 Het Directorium stemde hiermee in en De Jong benaderde Presser, die onmiddellijk ‘ja’ zei. Jan en Annie Romein noemden zijn aanvaarding van de opdracht treffend ‘een daad van tegenstrijdige solidariteit’, vergelijkbaar met mr. L.E. Visser, die bij de eerste anti-joodse maatregelen zijn hoge hoed opzette en voor het eerst van zijn leven naar de synagoge ging.66
Op 13 januari 1950 ontving Presser officieel de opdracht van het Directorium tot het schrijven van een studie ‘over de lotgevallen der Nederlandse Joden in de tweede wereldoorlog’. De voorzitter van het Directorium liet niet na te vermelden dat dit college het door Presser te schrijven boek ‘als een der voornaamste’ van het instituut beschouwde. In de brief werd vastgelegd dat Presser een boek voor ogen stond van ongeveer vijfhonderd bladzijden, waarvoor hij twee à tweeënhalf jaar dacht nodig te hebben. Het zouden er vijftien worden.67
Presser wist van de voorgeschiedenis van de hem verleende opdracht en liet Meijer schriftelijk weten dat hij deze had aanvaard ‘omdat dit voor mij ontzaglijk veel meer betekent dan het afleveren van een boek; dat besefte ik van het eerste ogenblik af, dat Loe met zijn voorstel kwam [...] Van dat ogenblik af stond voor mij vast, dat ik dit schrijven moest [...]’.68
Ruim een maand nadat hem officieel de opdracht was verleend, ontving Presser een brief uit Jeruzalem van I.L. Seeligmann, inmiddels hoogleraar Tenach (Hebreeuwse Bijbel) aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Na een lange verontschuldigende aanloop legde Seeligmann hem de vraag voor of hij wellicht ook aan de Hebreeuwse Universiteit zou willen werken. Hij onderschatte niet wat Presser in dat geval zou moeten opgeven, maar meende desalniettemin dat ‘alija’ voor hem ‘een bevrijding’ zou betekenen. Uit het openhartige antwoord van Presser van enkele maanden later blijkt dat Seeligmanns suggestie hem voor een existentieel dilemma had geplaatst. Hij noemde de brief ‘een van de belangrijkste, die [...] [hij] ooit had gekregen’. Hij was erdoor gecon-
fronteerd met ‘allerlei vragen, die ik [...] tot nu toe niet altoos even goed onder de ogen heb gezien’. Maar al in de tweede alinea wordt direct duidelijk dat de beslissing negatief is uitgevallen: ‘Ik ben geen Zionist.’ Door de gebeurtenissen tijdens de nationaal-socialistische heerschappij was hij wel gevoeliger geworden voor de problemen verbonden aan het joodse leven in de diaspora. Weggaan uit Nederland, schreef hij, zou hem ‘in een enkel opzicht [...] een bevrijding toeschijnen’, maar twijfels over de mogelijkheden in de joodse staat te kunnen werken weerhielden hem van emigratie.
‘Doorslaggevend blijft echter voor mij dit: ik moet daarginds kunnen produceren, hetzij als leermeester, hetzij als schrijver. Anders heeft mijn overkomst geen zin. Ik heb in beide richtingen hier werkzaam kunnen wezen en ik interpreteer uw suggestie tevens als een waardering van mijn arbeid. Nu zijn de voorwaarden waaronder een bepaalde wetenschapsman of kunstenaar productief is, voor hem zelf meestal een probleem; hij kan hoogstens naar ze gissen. Ik vermoed dat de gespletenheid, welke het typische deel is van de Westeuropese jood, een zeer voorname voorwaarde is voor de speciale productiviteit, die nu eenmaal de mijne is. U hebt willen herinneren aan mijn dichtbundel: tot in zijn titel is die gespletenheid uitgedrukt. Maar ik vraag mij af, of zij niet minstens even sterk aanwezig is in mijn wetenschappelijk werk (en naarmate het geslaagder is in hogere mate!). De proef op het omgekeerde is hier niet neembaar; ik kan niet zeggen, wat ik, ja, òf ik in Israël zou hebben geschreven. U kunt zich voorstellen dat deze vraag mij benauwt, omdat het niet de overplaatsing van de ene naar de andere universiteit betreft, maar een volkomen vernieuwing, waarvoor het woord wedergeboorte mij niet te sterk toeschijnt.’69
Na ruim drie decennia - ten tijde van de briefwisseling met Seeligmann was Presser eenenvijftig jaar - bewuste ervaring met de gespletenheid was hij deze gaan koesteren en beschouwen als een voorwaarde om te kunnen produceren. Opvallend is dat hij in de brief slechts in het algemeen over zijn werk sprak en met geen woord repte over de opdracht die hem in januari officieel was verstrekt. Dit is temeer opvallend daar hij elders heeft opgemerkt dat de opdracht een afsluiting betekende ‘van een ondragelijke periode van vijf jaar na 1945, na de zogenaamde bevrijding’.70
Uit deze woorden kan worden opgemaakt welke beslissende betekenis Presser toekende aan het vooruitzicht aan de studie over de jodenvervolging in Nederland te gaan werken. De opdracht gaf weer richting en inhoud aan zijn leven. Naast het werken aan Ondergang stelde hij in de jaren vijftig een bloemlezing samen van poëzie van zijn lievelingsdichter Heinrich Heine, die hij bovendien van een inleiding voorzag. De jood Heine, schreef hij, beschouwde de emancipatie van de joden als mislukt en zijn doop als de enige uitweg en als een ‘toegangsbewijs tot de Europese cultuur’. Presser beklemtoonde dat Heine zich ‘niet zozeer tot het christendom, als wel tot Europa’ had bekeerd. Hij waardeerde Heine als ‘nonconformist, een rustverstoorder, vernieuwer, opstandige [...], als Jood’ die bovendien hartstochtelijk van Duitsland hield.71 Als individualist was Heine volgens Presser ongeschikt voor welke politieke partij dan ook, ‘teveel relativist, teveel scepticus’.72 Tegen het einde van zijn leven werd Heine ‘weer de Jood [...], die hij [...] altijd gebleven was’. Presser lichtte toe wat hij hiermee bedoelde:
‘Heine is [...] Jood “geworden”, d.w.z. onomwonden, openlijk, in de zin van Sartre “authentiek” Jood, zich nergens meer achter verschuilend of opstellend, zich nergens meer mee verdedigend, nergens meer mee aanvallend dan met dit ene, zijn innerlijke vrijheid verwervend met het opgeven van zinloos geworden vlucht en uitvlucht.’73
Pressers leven overziend, moet hij zich wel sterk verwant hebben gevoeld aan de rusteloze en non-conformistische Heine.
Zijn opmerkingen over Heine zijn niet de enige aanwijzing dat Presser zelf kennelijk evenzeer worstelde met zijn jood-zijn. Op advies van het Directorium wilde hij in 1956 het schrijfproces beginnen met een hoofdstuk over Westerbork, maar na de eerste zin (‘Westerbork, morne plaine’) kon hij niet verder. Toen hij een circulaire in de brievenbus vond waarin een prijsvraag voor een novelle werd uitgeschreven, besloot hij mee te dingen onder de titel De nacht der Girondijnen. De novelle, die hij ‘in een soort trance’74 schreef en die anoniem verscheen, werd bekroond en in 1957 als boekenweekgeschenk in omloop gebracht.
In De nacht der Girondijnen beschrijft Presser hoe de Portugese jood Jacques Suasso Henriques, voor de oorlog geschiedenisleraar, in Westerbork meewerkt aan de selectie en het transport van joden. Door gesprekken met de wijze rebbe Jeremia Hirsch wordt hij zich steeds sterker
bewust van zijn jood-zijn. Wanneer hij ziet dat het hoofd van de ordedienst de rabbijn, die op transport wordt gesteld, mishandelt, vliegt hij zijn superieur aan, hetgeen onvermijdelijk zijn deportatie tot gevolg moet hebben. In de slotzin geeft Dé, de vrouw van een collega-leraar, Jacques zijn eigen voornaam terug: Jacob.
Na het schrijven van deze novelle voelde Presser zich een ‘genezen patiënt’ en kon hij aan zijn studie over de jodenvervolging beginnen. Zijn voornemen was elke dag minstens een bladzijde te produceren. Daar hield hij zich aan, want na 938 dagen lagen er 955 vellen en was het manuscript gereed.75
Het werken aan het boek greep Presser sterk aan. Hij vertoefde gemiddeld twee ochtenden per week op het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. De Jong, die hem altijd sprak voordat hij het gebouw aan de Amsterdamse Herengracht verliet, heeft hem menigmaal ‘doodsbleek’ zijn kamer zien binnenkomen.76 Volgens oud-riod-medewerker A.J. van der Leeuw zouden De Jong en hij wel eens tegen elkaar hebben gezegd dat ze Presser de opdracht eigenlijk niet hadden mogen aandoen.77 Zelf zei Presser over het schrijven van Ondergang: ‘Ik werd gek van dat boek. Ik was er geen uur echt los van. Ik heb bijvoorbeeld jaren lang geen jood kunnen ontmoeten of ik begon er over. Dat was onafwendbaar.’78
Maar De Jong en Sijes waren niet zonder meer tevreden over het manuscript dat Presser hun in 1962 voorlegde. Hun bezwaren richtten zich op vier nogal wezenlijke punten. Om te beginnen vonden zij het ontbreken van enige voorgeschiedenis een gemis. Presser begon zijn relaas met de Duitse inval in mei 1940. De Jong en Sijes drongen aan op een inleiding over in elk geval de jaren 1933-1940. Verder had Presser naar hun mening de jodenvervolging te weinig geschetst als een proces dat van de Duitsers uitging. De derde tekortkoming school volgens hen in de veronachtzaming van het internationale karakter van de vervolging. Zij suggereerden dat Presser hieraan in de epiloog aandacht zou besteden. Tenslotte vonden zij dat hij het lot van de joden na hun deportatie uit Westerbork niet indringend en niet duidelijk genoeg had beschreven. De Jong en Sijes vroegen Presser zijn tekst op de genoemde onderdelen aan te passen, hetgeen neerkwam op een grondige revisie.79 De tweede versie werd vervolgens door De Jong voor publicatie gereedgemaakt. In 1965 werd Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 gepubliceerd.
Ondergang was het resultaat van uitgebreid en oorspronkelijk bron-

Jacques Presser in zijn kamer op het riod, Herengracht 474 te Amsterdam, waar hij Ondergang schreef.
nenonderzoek. Naast de collecties die in het bezit waren van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie - zowel Duitse als Nederlandse archieven - maakte Presser gebruik van talloze egodocumenten, dat wil zeggen allerlei geschriften van autobiografische aard. Presser citeerde veelvuldig uit ooggetuigeverslagen en gesprekken die hij met overlevenden had gevoerd. Hij schatte de laatste op ‘vele honderden’.80 Uiteraard maakte hij ook gebruik van het werk van zijn voorgangers.
Het verhaal dat hij in Ondergang presenteerde over de lotgevallen van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog is sterk verankerd in de door hem bestudeerde bronnen. Presser fungeert in de tekst als bewogen en betrokken verteller en commentator. Hij maakte zich tot woordvoerder van de vermoorde joden. In zijn behandeling van het optreden van de Joodse Raad leidde dit tot een climax in de vorm van een rechtstreekse aanklacht uit naam van de vermoorden tegen dit zo omstreden instituut.
De verschijning van Ondergang zou het startsein worden van de Weinreb-affaire, die tot het einde van de jaren zeventig zou voortduren. Friedrich Weinreb was in 1947 door het Haagse Bijzondere Gerechtshof
en in 1948 door de Bijzondere Raad van Cassatie veroordeeld ‘wegens celspionage en verraad [...] en wegens het ten eigen bate misbruik maken van vertrouwen van vervolgde joden in het algemeen’.81 Naar de mening van Presser was deze veroordeling onrechtvaardig: ‘[...] de Jood Weinreb is de zondebok geworden, heeft voor het tekortschieten van talloze niet-Joden geboet’. Hij voegde daar overigens aan toe dat het niet meer was dan een veronderstelling, maar ‘zijn persoonlijke overtuiging’.82
Bij de presentatie van de goedkope editie van Ondergang beloofde Presser nog zich opnieuw in de zaak-Weinreb te zullen verdiepen,83 maar in de jaren daarna heeft hij zich volkomen van de affaire gedistantieerd, naar eigen zeggen uit zelfbehoud: ‘[...] ik breng het eenvoudig psychisch niet op.’ De enige nuancering die hij in 1970, vlak voor zijn dood, wenste aan te brengen was dat Weinreb ‘de zondebok [was] geworden van niet-joden en joden samen’.84 Het Weinreb-rapport van A.J. van der Leeuw en D. Giltay Veth, dat in 1976 werd gepubliceerd, toonde echter overtuigend aan dat Pressers veronderstelling in Ondergang ongegrond was en dat Weinreb destijds terecht was veroordeeld.85
Na de publicatie van Ondergang - Presser was in 1965 zesenzestig jaar - heeft Presser een betrekkelijk teruggetrokken leven geleid. De Jong, die zich verantwoordelijk voelde voor de opdracht aan zijn vroegere leermeester, handelde allerlei zaken die voortvloeiden uit de verschijning van de studie voor hem af, verzorgde de bekorte Engelse vertaling en sprong voor hem in de bres wanneer kritische recensies verschenen. Het schrijven van Ondergang had het uiterste van Presser gevergd. Maar afgezien daarvan was hij wellicht ook eenvoudigweg onvoldoende geïnteresseerd in het debat. Hij was in het algemeen een outsider in de historische wereld. Hij heeft nooit een vergadering bijgewoond van het Historisch Genootschap, bezocht liever geen congressen en zelfs zijn intreerede hield hij met grote tegenzin.86 Deze houding hing ongetwijfeld samen met zijn visie op de geschiedenis als kunst meer dan als wetenschap.
Nog voor verschijning van Ondergang had hij zich echter wel gemengd in het debat over het Eichmann-proces. In De Gids (1962) besprak hij twee boeken over het beruchte proces: De zaak 40/61 van Harry Mulisch en Eichmann in Jeruzalem van Abel Herzberg. Hierin betrok hij de verrassende stelling dat gratieverlening een waardiger erfenis was geweest voor de komende generaties joden dan de doodstraf. Dat gratiëring onmogelijk was, betwijfelde hij met een beroep op de joodse ge-
schiedenis: ‘Was het joodse voortbestaan door al die eeuwen geen onmogelijkheid, de stichting van Israël geen onmogelijkheid, geen [...] wonder?’ De voltrekking van het doodvonnis beschouwde hij als ‘de prijs, lang niet de enige trouwens, betaald voor de overgang uit eeuwenlange abnormaliteit naar hedendaagse normaliteit’.87 Uit deze compacte en enigszins cryptisch geformuleerde opmerking spreken gemengde gevoelens ten aanzien van Israël.
Toch had zich tijdens het werken aan Ondergang een kentering voltrokken in Pressers houding ten aanzien van het jodendom en het zionisme. Bezinning op zijn jood-zijn had geleid tot
‘de zekerheid dat wat er met elke jood dan ook in de hele wereld gebeurt op de een of andere manier jezelf raakt, of je het zou willen of niet. Dat is een feit. Dat heb ik natuurlijk helemaal niet zelf ontdekt, dat is logisch: dat hebben al een hele massa mensen vóór mij gezien, maar het is ook tot mij doorgedrongen.’88
Uit dit citaat blijkt dat hij het jodendom uiteindelijk beschouwde als een onontkoombare Schicksalsgemeinschaft. Daarnaast was hij sterk doordrongen geraakt van de betekenis van de staat Israël als toevluchtsoord: ‘als er toen een staat Israël ware geweest, zouden er dan ook zes miljoen joden zijn vermoord [...]?’89 In een stukje dat hij in 1959 schreef voor Koemie Orie, het orgaan van Poalé Zion (Joods-Socialistisch Verbond - ck), stelde hij dat er na de moord op de Europese joden geen rationele argumenten meer tegen het zionisme kunnen bestaan. Hij verklaarde Israël te beschouwen als een verzekering. De minimum-premie, schreef hij, bestaat uit ‘het opkomen voor Israël, waar en wanneer ook’.90
Maar Presser heeft nooit voet gezet op Israëlische bodem. Toen hem bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam in 1969 een reis naar Israël werd aangeboden, verkoos hij een andere bestemming. Zijn biograaf Nanda van der Zee opperde als verklaring dat het ‘nieuwe, weerbare jodendom [...] hem, die niet weerbaar was, maar als jood diep gekwetst, niet [moet] hebben aangetrokken’.91 Het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat hij eenvoudigweg niet meer over de geestelijke spankracht beschikte om zich over te geven aan een confrontatie met het joodse land. Hij had zich verzoend met zijn gespletenheid, die hij beschouwde als de bron van zijn creativiteit. ‘Die ambivalentie is nu eenmaal mijn wezen.’92
Dit neemt niet weg dat zijn betrokkenheid bij Israël in die jaren, gestimuleerd door de Zesdaagse Oorlog, groter was dan ooit tevoren. Dit bleek eveneens uit de tekst van de rede die hij zou uitspreken bij de nationale herdenking van de bevrijding op 5 mei 1970 in de Laurenskerk te Rotterdam. Hij overleed echter enkele dagen tevoren, op 30 april, aan een maagcarcinoom.93 In de gereedliggende redevoering, die door Pressers stiefzoon werd uitgesproken, besteedde hij aandacht aan de gevaarlijke situatie waarin Israël zich op dat moment bevond en waarschuwde hij voor een tweede genocide in geval van een mogelijke nederlaag.94 Op 4 mei werd hij gecremeerd, hetgeen strijdig is met de voorschriften van de joodse godsdienst.
Louis de Jong werd geboren op 24 april 1914 in een geassimileerd joods gezin in Amsterdam. Volgens de joodse traditie was hij voorbestemd Levie te worden genoemd, naar de grootvader van vaderszijde, maar zijn ouders, ‘een zich aan het Jodendom ontworstelend echtpaar’, noemden hem Louis. Zijn roepnaam werd echter Loe. Zijn tweelingbroer kreeg daarentegen wel de naam van zijn moeders vader: hij werd Sally genoemd.1
De constatering van De Jong later in Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog dat ‘de meeste Nederlandse Joden [...] in en door hun assimilatie de band met het Joodse geloof en de Joodse geschiedenis [hadden] verloren’2 was ook van toepassing op het gezin waarin hij opgroeide. De joodse godsdienst had geen betekenis voor de ouders van De Jong. Rabbijnen deugden niet, volgens vader De Jong. Zij stonden altijd aan de kant van de ondernemers.3 Voor zijn niet-joodse klasgenoten van de lagere school had De Jongs jood-zijn echter wel betekenis.
‘Ik heb het antisemitisme als kind eigenlijk continu ervaren omdat m'n broertje en ik de langste tijd op de lagere school de enige jodenjongetjes waren in de klas. En dan word je daarmee gepest, hè, grappies verteld, Sammie en Moossie en dat soort dingen, en dat geeft dus een zekere, ja, eh, atmosfeer van niet gewelddadig, maar
wel bestaand, antisemitisme, relatief mild, waar je gewoon in leeft, hè, en aan wént, ja, dat dacht ik wel, ja.’4
Dat hij en zijn tweelingbroer zich niet verdedigden tegen deze pesterijen verklaarde hij achteraf uit angst. ‘[...] wij durfden er niet op los te rammen; wat hoogstwaarschijnlijk wel de oplossing was geweest.’5 De Jong beschrijft zichzelf in het eerste deel van zijn memoires als een rusteloze, bange en eenzame jongen, hetgeen hij in verband bracht met zijn jood-zijn.6 Hij ervoer niet alleen zijn jood-zijn, maar ook zijn vaders loopbaan als minderwaardig. Zoals zovelen van het Amsterdams-joodse proletariaat was vader De Jong diamantbewerker en sinaasappelventer geweest. Daarna was hij een melkzaak begonnen in de Diamantbuurt.7
Zijn ouders hechtten veel waarde aan een goede opleiding voor hun kinderen en stuurden de tweeling na de lagere school naar het Vossius-gymnasium. Daar waren de gebroeders De Jong niet langer de enige joodse leerlingen. De klas bestond voor de helft uit joden. Op het gymnasium leerde De Jong Jacques Presser kennen, die Nederlands en geschiedenis doceerde. De Jong bewonderde de kennis van zijn leermeester en leerde de kleine Winkler Prins uit zijn hoofd om hem te kunnen verslaan. Deze anekdote illustreert behalve de leergierigheid ook het ambitieuze en de sterke competitiedrang8 die in De Jongs persoonlijkheid al op jeugdige leeftijd een prominente rol speelden. Tegenover Ischa Meijer interpreteerde De Jong zijn gerichtheid op intellectuele prestaties als een poging de onzekerheid die zijn jood-zijn met zich meebracht, op te heffen.
Hoewel het gezin De Jong evenals de meerderheid van de joden in Nederland sterk geassimileerd was, had het jodendom in sociaal opzicht wel degelijk betekenis. Velen gingen hoofdzakelijk met joden om. De Jong karakteriseerde later het milieu waarin hij voor de oorlog leefde als ‘gettoësk, zonder enige twijfel. De mensen klitten samen - en dat irriteerde me’ en hij benadrukte dat hij zich had losgemaakt van wat hij een ‘sociale abnormaliteit’ noemde.9 Wat zijn politieke overtuiging betreft trad hij echter al op jeugdige leeftijd in de voetsporen van zijn vader. Hij werd lid van de Jeugdbond voor Socialistische Studie.10
In september 1932 begon hij een studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam met sociale geografie als bijvak.11 Als student maakte hij kennis met David Cohen, die oude geschiedenis doceerde en tijdens de Duitse bezetting een van de twee voorzitters van de Joodse Raad
zou worden, en met N.W. Posthumus, hoogleraar economische geschiedenis, die later bij de oprichting en gedurende de eerste jaren van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een vooraanstaande rol zou spelen.12
Direct in het eerste jaar van zijn studententijd werd hij lid van de Amsterdamse afdeling van de Bond van Sociaal-democratische Studentenclubs. Hij raakte in de ban van het historisch materialisme en had veel contact met de socialistische theoreticus en zionist Sam de Wolff (1878-1960). Kort voor zijn afstuderen schreef hij voor De Arbeiderspers een boekje over het marxisme. Hij was echter met het onderwerp nog lang niet klaar en nam zich voor hierover een proefschrift te schrijven.13 In die jaren raakte hij onder meer bevriend met Jaap Meijer, destijds leerling aan het Nederlands Israëlietisch Seminarium, die hem vergeefs probeerde te overtuigen ‘van de zinvolheid van het Joodse orthodoxe leven’.14 Ook pogingen hem te winnen voor het zionisme mislukten. Ondanks de pesterijen op de lagere school beschouwde hij het antisemitisme in die jaren niet als een serieus probleem. Een inleiding van de voorzitter van de zionistische studentenorganisatie (nzso) over het effect van het antisemitisme op de opgroeiende generatie kwam hem ‘overdreven’ voor.15 Afgezien hiervan zullen zijn voortdurende schaamte vanwege zijn jood-zijn en de daaruit voortkomende behoefte zich te distantiëren van het jodendom die hij in zijn memoires beklemtoont, minstens zo belangrijk zijn geweest.16
De Jong trouwde op 6 september 1939 met Liesbeth Cost Budde, een niet-joodse vrouw. Meer dan vijftig jaar later en inmiddels na het overlijden van zijn eerste vrouw samenlevend met een joodse vrouw, constateerde hij dat hij ‘in die tijd meer van niet-Joodse meisjes [...] die er mooi uitzagen dan van Joodse [hield]’.17
De ambitieuze jonge socialist studeerde in 1937 cum laude af. Zijn liefste wens was een aanstelling als wetenschappelijk medewerker op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. Hoewel de directeur en oprichter van dit instituut, N.W. Posthumus, geïnteresseerd was in De Jong, kon hij hem wegens geldgebrek niet aanstellen.
In plaats daarvan werd De Jong vanaf februari 1938 redacteur buitenland van De Groene Amsterdammer. Dit blad bevatte, zoals De Jong terecht zei in een lezing die hij in 1988 hield aan Harvard University, dikwijls waarschuwingen tegen de gevaren van nazi-Duitsland.18 Toch heeft De Jong destijds de kansen op het uitbreken van een oorlog niet erg groot geacht. Op 2 september, de dag na de aanval van Hitler op Polen,