Na afloop van de Tweede Wereldoorlog waren alle joden in Europa, zoals Presser in Ondergang opmerkte, in zekere zin overlevenden.1 De massamoord noopte hen tot een heroverweging van de positie van de jood in de moderne wereld. De succesvolle integratie in Europa na de juridische gelijkstelling werd in het licht van de moord op tweederde van de Europese joden een uiterst twijfelachtige verworvenheid. De volwaardige maatschappelijke positie had hun geen bescherming geboden tegen het moorddadige nazi-regime. Menigeen trok hieruit de conclusie dat alleen een joodse staat de joden afdoende kon verdedigen. Zo leek de moord op de Europese joden op dramatische wijze de zionistische analyse te bevestigen.
Herzberg, Presser en De Jong stonden als geschiedschrijvers en als overlevenden in tweeërlei opzicht voor een moeilijke taak. Met de rampzalige uitkomst van de vervolging in het geheugen en sedert 1948 het bestaan van de staat Israël als nieuw gegeven in de geschiedenis van de joden, moesten zij de lotgevallen tijdens de oorlogsjaren beschrijven van de joodse bevolkingsgroep waartoe zij zelf en hun naasten behoorden. In dit hoofdstuk komt in de eerste plaats hun beoordeling van de aard en rol van het antisemitisme aan de orde. Vervolgens zal hun behandeling van de positie van het vooroorlogs jodendom in Nederland worden besproken in relatie tot de reacties op de jodenvervolging, zowel in de jaren voor de oorlog als tijdens de bezetting.
In de boeken die direct na de oorlog verschenen, werd het debat over de wijze van reageren van joden op de vervolging dat tijdens de oorlog was begonnen, voortgezet. De vooraanstaande socialistisch-zionist Sam de Wolff stelde in Geschiedenis der joden in Nederland. Laatste bedrijf (1945) dat een openlijke rebellie te verkiezen was geweest boven de mokkende opvolging van de oproepen van de Joodse Raad.
‘De liquidatie van het Nederlands jodendom zou sneller en met meer conflicten zijn gekomen en de meeste Joden [...] zouden niet in de gaskelders van Polen, maar in hun eigen woonplaats zijn
omgebracht. Maar die ondergang zou eervoller en wellicht een zwakke weerspiegeling zijn geweest van den heldhaftigen dood van hun broeders in Warschau en andere steden van Polen.’2
In 1947 voegde hij hier in een artikel in De Vlam aan toe dat er in dat geval nog minder overlevenden zouden zijn geweest. Maar deze prijs aan mensenlevens had hij zonder meer willen betalen voor wat hij als een ‘eervoller’ en heldhaftiger ondergang beschouwde: ‘Ach, hoe verkieslijker ware dit alles geweest! Hoe ondragelijker dikwerf, voor velen onzer de pijnigende gedachte, dat dit niet gekomen is.’3
De Wolff was inderdaad niet de enige die in de Poolse opstandelingen een voorbeeld zag. In het internationale debat over passiviteit en collaboratie, dat vooral sedert het begin van de jaren zestig met wisselende intensiteit wordt gevoerd, speelde een soortgelijke argumentatie een centrale rol. De discussie over joodse collaboratie, die zich toespitste op het optreden van de Joodse Raden, komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. Hier staat centraal hoe de drie Nederlandse geschiedschrijvers het gedrag van de joden in Nederland ten tijde van de vervolging beschreven en analyseerden, en bovendien hoe zij zich verhielden tot het internationale debat hierover.
Elk van de drie Nederlandse historici werd in zijn jeugd geconfronteerd met antisemitisme, door Presser zo treffend gekarakteriseerd als ‘de opduvel aan de onbevangenheid’.4 Hoe zij daarop destijds reageerden spreekt niet direct uit de beschikbare bronnen; hier moet worden volstaan met hun door latere ervaringen gekleurde terugblik op de confrontatie met antisemitische uitingen. Uitgangspunt is dat hun beoordeling in belangrijke mate werd bepaald door hun visie op het jodendom en de joodse geschiedenis. Tegelijkertijd mag niet uit het oog worden verloren dat de terugblik door deze incidenten mede werd bepaald.
De ‘opduvel aan de onbevangenheid’ bleef Herzberg in zijn jonge jaren niet bespaard,5 maar bij de zoon van Russische immigranten stond daar een positief joods nationaal bewustzijn tegenover. De familie en de omgeving waarin hij opgroeide was getekend door de pogroms en gevormd door de Dreyfus-affaire. Door deze achtergrond was Herzberg eigenlijk niet verbaasd op antisemitisme te stuiten en zijn latere com-
mentaar was dan ook sterk relativerend: ‘Het was niet zo kwaad bedoeld, het was alleen symptomatisch.’6 Vergeleken met de positie van de Russische joden, waarvan Herzberg zich niet alleen door de verhalen van zijn ouders en omgeving, maar ook uit eigen waarneming tijdens zijn reis naar Rusland terdege bewust was, moet het antisemitisme in Nederland op hem oneindig veel milder en draaglijker zijn overgekomen.
In zijn geschiedschrijving was Herzberg dan ook betrekkelijk mild over de aard en rol van het antisemitisme in Nederland. De Nederlandse samenleving, schreef hij, was niet vrij van antisemitisme, maar hij maakte met grote nadruk een onderscheid tussen maatschappelijk en politiek antisemitisme, al voegde hij daaraantoe dat het laatste zonder het eerste natuurlijk ondenkbaar was.7 De vervolging van de joden, schreef hij in zijn Kroniek, kwam niet uit Nederlandse verhoudingen voort. Het politieke antisemitisme had naar zijn mening in Nederland geen navolging gevonden. Integendeel, de bezetting had volgens hem de weerzin tegen politiek antisemitisme alleen maar versterkt. ‘Wat de verstandelijke instelling betreft is [...] alles vrijwel in orde, en dat is [...] een enorme prestatie.’8
Door de vervolging, die een kloof tussen vervolgde en niet-vervolgde had doen ontstaan, was echter wel het maatschappelijk antisemitisme toegenomen.9 In november 1945 schreef hij aan vrienden in Palestina dat het antisemitisme ‘zeer verbreid’ was, maar hij meldde tegelijkertijd een ‘zeer sterke tegenstrooming. Ze is intellectualistisch, maar voorshands leidend. Over het algemeen doet men de dingen hier, geloof ik, goed.’10
Ondanks de constatering van toename van het maatschappelijk antisemitisme kwam Herzberg in zijn Kroniek per saldo tot een uitgesproken positief oordeel over Nederland op het punt van het antisemitisme:
‘[...] de grote meerderheid der bevolking [heeft] de Duitse rassen-politiek principieel en practisch afgewezen [...] Het ging om het eigen karakter en daarmede om de handhaving der nationale zelfstandigheid. Het Nederlandse volle heeft - geheel onafhankelijk van zijn gevoelens jegens de Joden, die, zelfs in kringen der illegaliteit, volstrekt niet altijd op sympathie berustten - hen als deel van het nationale geheel beschouwd, of liever gezegd, het nationale geheel vrij willen houden van rassendiscriminatie. Het heeft daarmede aan Adolf Hitler het politieke antwoord gegeven bij uitnemendheid.’11
Presser hield zich voor de oorlog eveneens al bezig met antisemitisme. Toen hem werd gevraagd een bijdrage te schrijven over het antisemitisme als historisch verschijnsel, pakte hij het grondig aan. ‘Op dat artikel heb ik reusachtig gestudeerd en ik heb er iets van gemaakt.’12 Hij raad-pleegde tal van studies, waaronder internationale, over het onderwerp. Uit het resultaat, dat in de bundel Anti-semitisme en Jodendom (1939) werd gepubliceerd, blijkt dat Presser het antisemitisme waarmee de joden in de diaspora werden geconfronteerd, allerminst onderschatte. Hij behandelde het als een ‘wel zeer aparte vorm van xenophobie, al is het alleen maar om de hardnekkigheid, waarmee hij in de geschiedenis overal en ten allen tijde weer terugkomt’.13
Toen hij schreef dat de jood dikwijls al op jonge leeftijd door de confrontatie met anti-joodse uitingen zijn onbevangenheid (‘een van de weinige dingen, die het geluk der jeugd uitmaken’) verliest, moet hij ook aan zichzelf hebben gedacht. Hij besprak de verschillende verklaringen voor het antisemitisme van de moderne tijd dat inmiddels in Duitsland zulke alarmerende vormen had aangenomen. Moest dit worden geïnterpreteerd als regressie of was het antisemitisme van de eigen tijd economisch gedetermineerd ‘en dus ontmaskerbaar als klasse-ideologie?’ Een antwoord van de auteur bleef achterwege, maar optimistisch was Presser in elk geval niet; de vooruitgangsgedachte noemde hij een ‘domme, gevaarlijke illusie’.14
De verschillende reacties van joden op de vijandige houding van de niet-joodse omgeving karakteriseerde hij in dit artikel als ‘vele soorten Joodse hoogmoed’. Deze kwalificatie is een uiting van pessimisme, maar impliceert eveneens kritiek op de joden. Zeer velen aanvaardden volgens hem op dat moment het lijden als inherent aan de morele opdracht van het joodse volk. Daarnaast noemde hij ‘de hoogmoed van het Joodse levensgevoel’ waardoor men denkt ‘ook de verblinden dezer dagen te zullen overleven’. Ook het begrip dat sommigen voor de antisemiet opbrachten, was in zijn ogen een vorm van hoogmoed. De laatste variant was wellicht het meest van toepassing op hemzelf: ‘En er is tenslotte de hoogmoed van de Joodse schroom, die zijn vrienden onder de niet-Joden het liefst zoekt onder hen, die het antisemitisme bestrijden, niet terwille van den Jood, maar ter ere van de geest van redelijkheid en rechtvaardigheid.’15
Maar in Ondergang ontbreekt een beschouwing over de wortels van het antisemitisme en de rol en aard van het antisemitisme in Nederland. In een paragraaf waarin Presser de reacties van niet-joden op de vervol-
ging van de joden bespreekt, is slechts één alinea gewijd aan de houding van niet-joodse Nederlanders jegens joden in de periode voor de oorlog. Hij vat deze als volgt samen:
‘Er had in Nederland altoos een redelijke mate van verdraagzaamheid geheerst; pogroms waren nimmer voorgekomen. De Joden hadden over de symptomen van antisemitisme zonder al te veel moeite kunnen heenzien; openlijke vijandschap was zo zeldzaam, dat zelfs [...] een aantal Joden lid van de nsb had kunnen worden. Velen waren aan de Joden gewend geraakt, er waren er die ze waardeerden, er waren er die ze wantrouwden; tot bepaalde functies, tot bepaalde instellingen haddden ze op grond ener ongeschreven code, geen toegang; de bestaande discriminatie in het algemeen was voor de Joden draaglijk geweest, had voor de niet-Joden weinig betekend. In de jaren vóór 1940 hadden verscheidene niet-Joden in den lande openlijk tegen de Duitse Jodenvervolging hun stem verheven [...].’16
Als geschiedschrijver waagde Presser zich niet aan een uitspraak over de mate waarin het antisemitisme verbreid was, maar beperkte hij zich tot de constatering dat antisemitisme voorkwam naast protesten ertegen. Opvallend is de parallel met zijn artikel uit 1939, waarin hij ook met nadruk en hoopvol degenen had genoemd die het antisemitisme bestreden.
Waar hij reacties van niet-joden op de jodenvervolging tijdens de bezetting bespreekt, stelt hij evenals Herzberg vast dat ook in verzets-kringen jodenhaat voorkwam. Ter illustratie citeert hij uit het artikel ‘Het opgejaagde volk’ (1946) van Anne de Vries, die tijdens de oorlog actief was geweest in de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. ‘[...] wij moesten de Joden niet [...]’, schrijft De Vries, en ‘[...] waren bijna allen [...] anti-semiet.’ Presser parafraseert deze bekentenis van de oud-verzetsman en citeert diens vaststelling dat ‘het Nationaal-Socialisme met succes geappelleerd heeft aan onze zondige hartstochten en voor zijn anti-Joodse propaganda in ons land een rijke voedingsbodem vond’. Maar ook hier duiken onmiddellijk de aarzeling en relativering op. Presser verwees naar de Februaristaking in Amsterdam, de stad die in de ogen van De Vries zo ernstig had gefaald. En op diens constatering dat ‘[...] geen vorm van verzet zo grandioos verloren is als dat tegen de Jodenvervolging’ geeft Presser als commentaar: ‘Kan men hier
wegen, afwegen? En wat moet men dan meetellen, wat niet?’17
Presser ontwaart eveneens, zij het in voorzichtige bewoordingen, sporen van antisemitisme bij hooggeplaatste Nederlandse vertegenwoordigers in het buitenland, met name in Portugal.18 Hij laat echter de mogelijkheid open dat onwil of eenvoudigweg falen de verklaring vormt voor hun houding jegens joden die bezet gebied waren ontvlucht.19 En waar hij de ‘daadloosheid’ van de geallieerden behandelt, schrijft Presser: ‘Er is geen beginnen aan, enig beeld te geven van de niet zelden verregaande Jodenhaat, waar de Jood in de landen onzer bondgenoten geregeld mee geconfronteerd werd; het verschijnsel zou een apart boek vereisen.’20 Verschillende van de genoemde passages duiden erop dat Presser eigenlijk niet goed raad wist met de behandeling van de rol en aard van het antisemitisme. Hij liet de kwestie in het midden, zoals ook zijn verhouding tot het zionisme zijn hele leven onbeslist is gebleven.
Dit blijkt bij uitstek op de plaats waar dit vraagstuk het meest urgent aan de orde was, de epiloog van Ondergang. Presser bespreekt hier de stemming onder niet-joodse Nederlanders tegenover joden na de oorlog. Opnieuw voorziet hij zijn uitlatingen bijna zonder uitzondering van een vraagteken. En opnieuw noemt hij naast uitgesproken antisemitische uitingen de blijken van mededogen en solidariteit, overigens onder toevoeging dat de joden de eerste duidelijker hoorden dan de laatste. Hij citeert in dit verband zijn vriend en collega De Jong, die de vijandigheid jegens de overlevende joden had geïnterpreteerd als een uiting van schuldgevoel: ‘Belastering en medelijden waren complementair. Beide kwamen uit dezelfde situatie voort [...].’21
Voor De Jong zelf was de beoordeling van de relaties tussen joden en niet-joden in Nederland zonder twijfel een moeilijk onderdeel van zijn opdracht. In het eerste deel van Het Koninkrijk (1969) schrijft hij hierover het volgende: ‘[...] de reacties van deze twee bevolkingsgroepen op elkaar liggen in een gevoelsvlak dat op zichzelf al moeilijk exacte benadering toelaat; bovendien ontbreken objectieve gegevens; en tenslotte paste het niet in het algemene Nederlandse cultuurpatroon, van antisemitische gevoelens openlijk blijk te geven.’ Hij karakteriseert in deel 1 het antisemitisme in vooroorlogs Nederland als ‘latent’ en ‘vergeleken met de instelling van niet-Joden in andere landen [...] zeer mild’.22
In dit verband is het relevant te herinneren aan een van de vraaggesprekken met Ischa Meijer (1973), waarin De Jong sprak over de aard van het antisemitisme in Nederland in relatie tot zijn eigen ervaringen.
Hij vertelde over pesterijen die hij en zijn broer hadden ondervonden op de lagere school in gedeeltelijk vergelijkbare bewoordingen als in zijn geschiedschrijving (‘niet gewelddadig, maar wel bestaand, antisemitisme, relatief mild’).23
In een lezing die hij in 1965 in Jeruzalem hield, vermeldde De Jong zelfs expliciet dat veel kinderen op school te lijden hadden van enige anti-joodse vijandigheid; bij het neerschrijven van deze woorden moet De Jong ook, wellicht zelfs in de eerste plaats, aan zijn eigen ervaringen hebben gedacht. Maar hij voegde onmiddellijk een sterk relativerende zinsnede toe, waarin hij de tolerantie en acceptatie beduidend sterker noemde dan anti-joodse uitingen.24 Ook in zijn memoires zou hij later opmerken dat hij voor de oorlog ‘zelf zo weinig van antisemitisme had gemerkt, dat [hij] [...] er geen gewicht aan toekende’.25
In deel 5 begon De Jong, die het ontbreken van enige voorgeschiedenis in het werk van zijn collega Presser een gemis vond, mede om die reden zijn relaas over de jodenvervolging met een beschouwing over de voorgeschiedenis van de vervolging en de wortels van het antisemitisme in Europa en Nederland. Hij ging bijna duizend jaar terug tot de eerste pogroms ten tijde van de eerste kruistocht (1096).26 Na een uiteenzetting over het ontstaan van de joodse gemeenschappen in Nederland komt hij tot een relatief positieve beoordeling van het leven van de joden in de Republiek der Verenigde Nederlanden. Maar hij voegt eraantoe dat het ‘hatelijke beeld van de minderwaardige, eigenlijk duivelse Jood [...], zij het in verzwakte vorm, in het bewustzijn van menigeen [bleef] hangen’.27
In de moderne tijd aangeland herinnert De Jong eraan dat de juridische gelijkstelling destijds door de joden met gemengde gevoelens was begroet. Emancipatie betekende immers behalve gelijke rechten tegelijkertijd een bedreiging van de joodse identiteit en zelfs van het voortbestaan van het joodse volk. Voorts stelt De Jong, onder verwijzing naar het toen nog driedelig Histoire de l'Antisémitisme (1955-1968) van Léon Poliakov, dat de gelijkberechtiging van de joden (1796) het Europese jodendom in een positie bracht ‘potentieel gevaarlijker dan die welke het tevoren ingenomen had’. Met de invoering van de formele gelijkheid voor de wet konden de joden zich vrij bewegen in de maatschappij. Het antisemitisme veranderde hierdoor van karakter. De joden werden nu niet meer alleen als minderwaardig, maar ook als gevaarlijk en zelfs schadelijk beschouwd.28
Na het antisemitisme in het eerste deel van Het Koninkrijk ‘latent’ en
‘relatief mild’ te hebben genoemd, voelde De Jong zich genoodzaakt de term ‘antisemitisme’ nader toe te lichten. Deze was immers
‘als gevolg van de nationaal-socialistische massamoord op het Europese Jodendom een zwaar beladen term geworden; het gebruik dat wij er hier van maken, mag niet tot misverstand leiden. Wat wij het zeer milde, latente antisemitisme genoemd hebben, is mijlenver verwijderd van de instelling van diegenen die tot de Endlösung der Judenfrage opdracht gaven - mijlenver: maar die Endlösung vormde toch óók het eindpunt van een weg waarvan dat zeer milde, latente antisemitisme ongeweten het beginpunt was.’29
Na kritiek uit de begeleidingscommissie erkende De Jong dat dit ‘iets te beknopt’ was geformuleerd, maar in de definitieve tekst bleef de oorspronkelijke formulering gehandhaafd.30
Over de rol en de aard van het antisemitisme in Nederland vonden meer aanvaringen plaats met de begeleidingscommissie. In het manuscript van deel 5 stelde De Jong aanvankelijk dat ‘de antisemitische gevoelens sterker waren en dieper lagen dan men uit de uitlatingen alleen zou kunnen afleiden’. P.W. Klein was niet overtuigd en wees De Jong op het impressionistische karakter van zijn gegevens. Kennelijk gevoelig voor de kritiek zwakte De Jong zijn constatering enigszins af: ‘De antisemitische gevoelens konden dus sterker zijn en dieper liggen dan men uit de uitlatingen alléén zou afleiden.’31 Een vergelijkbare botsing deed zich voor naar aanleiding van het manuscript van deel 7. Hierin schreef De Jong dat ‘de meeste Nederlanders de Joden als een minderheidsgroep beschouwden, aan wie ze geen solidariteit verschuldigd waren: ze waren “maar Joden”’. ‘Hoe weet u dat?’ vroeg riod-medewerker P.J. van Leeuwen. ‘Weet u wat in de harten leeft “bij velen”?’ Hoewel De Jong zijn formulering verdedigde, werden de joden in de definitieve versie een minderheidsgroep ‘met wie lang niet ieder zich ook maar enigermate identificeerde’. De woorden ‘ze waren “maar Joden”’ kwamen geheel te vervallen.32
Ook over de door De Jong beweerde toename van het antisemitisme tijdens de bezettingsjaren werd in de begeleidingsgroep gediscussieerd. Sommigen vonden dat het antisemitisme juist was afgenomen. ‘Ondanks de onzekerheid ten aanzien van de representativiteit’ van de artikelen uit illegale bladen die De Jong in dit verband had geciteerd, hield
hij voet bij stuk.33 Overigens maakte hij in een voetnoot bezwaar tegen de passage van Herzberg in diens Kroniek, waarin deze stelt dat ‘een deel van de latere Jodenhulp’ moest worden geïnterpreteerd als ‘een overgecompenseerd antisemitisme’. De Jong ontkende niet dat dit inderdaad het geval kon zijn geweest, maar de bewering van Herzberg ging hem veel te ver.34
Tenslotte werd de aard van het antisemitisme wederom kritisch besproken naar aanleiding van het manuscript van deel 9, waarin onder andere het antisemitisme in de Nederlandse gemeenschap in ballingschap in Londen werd behandeld. Een van de meelezers vroeg zich af of De Jong op dit punt niet overgevoelig was. De Jong antwoordde zich daar niet van bewust te zijn.
‘De door mij vermelde uitlatingen en feiten staan vast en ik meen dat het onjuist zou zijn, de tekst op die punten te wijzigen. Wanneer ik in hoofdstuk 7 constateer en met tal van stukken weergeef dat de regering op concrete mogelijkheden om Joden te redden niet alert gereageerd heeft, dan dienen de opvattingen over de Joden vermeld te worden teneinde een en ander te verklaren.’35
Deze voorbeelden wijzen erop dat De Jong heeft geworsteld met de waardering van de relatie tussen joden en niet-joden in Nederland voor en tijdens de oorlog. In de eerste plaats was hij niet erg goed thuis in de geschiedenis van de joden.36 Verder was hij zich bewust van het impressionistische karakter van zijn uitlatingen over de rol en de aard van het antisemitisme. ‘Het is moeilijk schrijven over dit alles: antisemitisme was (en is) vaak ongrijpbaar,’ merkte hij op in Het Koninkrijk.37 Maar anders dan Presser wilde hij het hier kennelijk niet bij laten. Onder erkenning van de moeilijkheden formuleerde hij toch conclusies. Het lag niet in De Jongs aard als geschiedschrijver om een kwestie zonder conclusies te presenteren. Bij het gevoelige vraagstuk van de rol en aard van het antisemitisme moet hij des te sterker de noodzaak hebben gevoeld tot een ondubbelzinnige slotsom te geraken. Uit de frequente aanvaringen met de begeleidingsgroep juist over dit thema blijkt dat hij in sterkere mate dan de meeste meelezers geneigd was antisemitische gevoelens te signaleren. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat dit te maken heeft met De Jongs subjectpositie van overlevende. Terwijl hij herhaaldelijk het afstandelijke en overwegend rationele karakter van zijn werk en daarmee zijn professionele identiteit beklemtoonde, lijkt in zijn
behandeling van de relaties tussen joden en niet-joden zijn subjectpositie van overlevende de overhand te hebben gekregen. In het bijzonder zal het na de oorlog verkregen inzicht dat hij destijds - niet alleen in de periode voor, maar ook tijdens de oorlog - het antisemitisme had onderschat een rol hebben gespeeld. In zijn memoires liet hij duidelijk uitkomen dat hij achteraf van mening is dat er bij hem op dit punt in de vooroorlogse periode sprake was geweest van verdringing, die ook in de oorlogsjaren was blijven bestaan.38 De passages in Je Maintiendrai waarin hij de banden tussen joden en niet-joden in Nederland als onverbrekelijk typeerde en de joden met nadruk ‘vaderlanders’ en ‘lands-broeders’ noemde,39 moeten derhalve in dit licht worden begrepen.
Over de naoorlogse periode merkt De Jong in deel 12 op dat ‘het antisemitisme dat tijdens de bezetting versterkt was, [...] zich nog enige tijd in bevrijd Nederland hier en daar duidelijk [bleef] manifesteren’. Deze opmerking is opgenomen in een passage over het gebrek aan speciale voorzieningen voor de overlevende joden in Nederland. Dit was het gevolg van de beleidslijn van de regering dat de overheid geen verschil diende te maken tussen joden en niet-joden. Hoewel De Jong dit niet met zoveel woorden stelt, kan deze zinsnede op deze plaats alleen maar betekenen dat De Jong dit beleid zonder meer beschouwde als een uiting van antisemitisme.40
Al met al heeft zich in het denken van De Jong over het antisemitisme in Nederland een ingrijpende verandering voltrokken. Terwijl hij voor en ook tijdens de oorlog geneigd was in deze kwestie een tamelijk relativerend standpunt in te nemen, signaleerde hij in zijn geschiedwerk antisemitisme ook in geval van twijfel. De massamoord op de joden had De Jong aanzienlijk gevoeliger gemaakt voor anti-joodse uitingen. In elk geval was hij vastbesloten deze nooit meer te onderschatten.
In het verlengde van hun beoordeling van de aard en rol van het antisemitisme bespraken de geschiedschrijvers hoe de joden in Nederland hadden gereageerd op de vervolging. Om te beginnen bleef de opkomst van het nationaal-socialisme in Duitsland ook voor de joden in Nederland niet zonder gevolgen. Het meest zichtbare gevolg was de komst van vluchtelingen, die zich in meerderheid in Amsterdam vestigden. Voor de zionist Herzberg, die van huis uit vertrouwd was met het vluchtelin-
genwerk41, was dit een nieuwe episode in een lange geschiedenis van vervolging. ‘Er werd weer eens gejaagd in de wereld en die Duitse Joden herinnerden aan het offer, dat de Nederlandse Joden konden worden,’ schreef hij later in Kroniek.42 Mede hierdoor heerste er volgens hem sedert 1929 en zeker sinds 1933 angst onder de joden.43
Herzberg was door zijn achtergrond - en niet te vergeten door de moord op zijn zwager in Duitsland in 193344 - sterker dan de meeste joden in Nederland doordrongen van de potentiële gevaren. In Brieven aan mijn grootvader (1983) schreef hij dat hij ‘geestelijk op de vervolging [was] voorbereid’. ‘De massale moord heb ik niet voorzien, maar voor het overige heeft de ellende mij niet verrast. Jouw wederwaardigheden en die van je kinderen en hun hele familie hebben in mij doorgewerkt.’45
Als bestuurslid van de nzb had hij geprobeerd de joden in Nederland te doordringen van de noodzaak van de joodse staat, waarin de joden verlost zouden zijn van hun minderheidspositie. Maar hij had er - in elk geval achteraf - wel degelijk begrip voor dat zijn publiek de boodschap destijds niet wilde horen, of liever gezegd geen gevolg gaf aan de waarschuwende woorden die hij tot hen richtte. In 1975 zei hij in een vraaggesprek: ‘Als de joden het in de wereld zo hadden gehad als de joden in Nederland, dan was er van zijn leven geen zionisme ontstaan.’46
De meesten onder hen, schrijft hij in Kroniek, ‘deden wat alle mensen doen, ze wisten heel goed wat er dreigde en sloten de ogen’. Enkelen die het zich konden permitteren vluchtten naar de Verenigde Staten; hiermee kozen zij volgens Herzberg ‘het eeuwige noodlot van [...] [hun] volk’. De tegenstrijdige combinatie van het werkwoord ‘kiezen’ met ‘noodlot’ moet waarschijnlijk begrepen worden als een poging van Herzberg wederom de wetmatigheid te beklemtonen die in zijn visie de geschiedenis van de joden kenmerkt, terwijl veruit de meeste joden in Nederland zich hier niet van bewust waren en in de veronderstelling verkeerden in relatieve vrijheid een keuze te maken. Anderen vertrokken naar Palestina - voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonden er, schrijft Herzberg, vijftienhonderd uit Nederland afkomstige joden in Palestina.47 Volgens recente cijfers waren er weliswaar tot 1940 ongeveer zestienhonderd Nederlanders op aliya gegaan, maar een deel van hen keerde na enige tijd weer terug of reisde vanuit Palestina door naar andere bestemmingen. Mede door sterfgevallen woonden in 1940 niet meer dan circa duizend Nederlandse joden in het Britse mandaatgebied.48 Uit de hierboven geciteerde opmerking (de joden in Nederland ‘deden wat alle mensen doen’) blijkt dat Herzberg het algemeen mense-
lijke, universele karakter benadrukte van het reactiepatroon van de joden op de dreiging uit het oosten. In zijn toelichting werkte hij dit nog nader uit: ‘Mensen verhuizen [...] zo gauw niet. Ook zij die wonen aan de voet van een vulkaan, breken hun have en goed pas op, als de lava over hun drempel komt. Tot die tijd zitten zij, bidden en hopen.’49 Dit is de plaats eraan te herinneren dat Herzberg met zijn gezin in 1939 vergeefs had geprobeerd naar Palestina te vertrekken.50
Presser besteedde in Ondergang slechts minimale aandacht aan de vooroorlogse situatie van de joden in het kader van zijn behandeling van het verzet van joden. In een kenschets van de joodse bevolkingsgroep onderstreept hij de heterogeniteit en verdeeldheid in vrijwel alle opzichten, als gevolg waarvan een solide operatiebasis voor joodse verzetsstrijders, die in de eerste plaats als joden wilden opereren, ontbrak. Het kerkgenootschap typeerde hij als ‘een zuiver burgerlijke instelling van liberale kleur, boven een massa, van wier noden ze bitter weinig begreep, fel gekant tegen elk massaal, revolutionair verzet, conformistisch, conservatief’. Hierdoor hadden de joden als groep geen enkel orgaan waaruit illegale organisaties en haar leiders konden voortkomen, toen zij werden geconfronteerd met de vervolging door de Duitse bezetter. Uit het manuscript van Ondergang blijkt dat Presser zich hier baseerde op het artikel van De Wolff uit 1947, waarin deze had uiteengezet waarom de voorwaarden voor gewapend verzet van joden in Nederland niet vervuld waren.51
Voorts maakt hij in een paragraaf over de lotgevallen van de Duitse joden tijdens de bezetting enkele opmerkingen over de houding van Nederlandse joden jegens deze groep. Er was, stelt hij, nauwelijks sprake van solidariteit. Vooral voor zionisten maakt hij een uitzondering. En hij vervolgt met een verontschuldigend beroep op zijn bronnen: ‘Het moet worden uitgesproken, omdat de documenten er nu eenmaal zijn: niet weinige Nederlandse Joden wantrouwden, haatten hen zelfs op een wijze, die maar al te zeer herinnert aan het hen zelf bedreigende antisemitisme.’52 Het is duidelijk dat Presser, die altijd een grote waardering had gekoesterd voor de Duitse cultuur en naar eigen zeggen in die jaren absoluut geen ‘anti-gevoelens’ jegens de Duits-joodse vluchtelingen had, deze constatering uiterst pijnlijk vond.53
Ten slotte had Presser zich in zijn artikel over antisemitisme (1939) nogal kritisch getoond over de manier waarop joden reageerden op actuele uitingen van antisemitisme. Hij behandelde de verschillende typen
van reacties, die hij echter alle onder de noemer hoogmoed bracht. Hoewel hij de achtergrond verder onbesproken liet, maakte hij impliciet wel duidelijk dat hij de houding van joden niet van realisme, laat staan van weerbaarheid vond getuigen.54
De Jong behoorde althans tot eind jaren dertig tot de meerderheid van de Nederlandse joden die zich door zionisten als Herzberg niet liet overtuigen van de noodzaak van een vereenzelviging met het joodse levenslot en derhalve met het streven naar de stichting van een joodse staat. De Jong beschouwde het antisemitisme in de jaren voor de oorlog niet als een serieus probleem. In zijn memoires merkt hij echter op dat op dit punt bij hem sprake was geweest van verdringing. Dit verklaart wellicht waarom hij in Het Koninkrijk een dubbelzinnig antwoord geeft op de door hemzelf opgeworpen vraag of de joden zich veilig voelden in Nederland. Terwijl Herzberg in zijn Kroniek ronduit spreekt van angst onder de joden, kiest De Jong in Het Koninkrijk op dit punt een veel aarzelender formulering in de vorm van een retorische vraag: ‘Moeten wij niet [...] constateren dat elementen van onzekerheid steeds in de psyche van het Nederlandse Jodendom aanwezig geweest waren?’ In verschillende verschijnselen zag De Jong ‘elementen van excessief reageren, met op de achtergrond: instabiliteit, onzekerheid, angst - geen concrete angst, maar een vage, verre echo als het ware van de vervolgingen waarvan de voorouders eeuwenlang het slachtoffer geweest waren’.55
De Jong maakte in zijn beoordeling van de psychische gesteldheid van joden - die van hemzelf niet uitgezonderd - onderscheid tussen twee niveaus. Aan de oppervlakte constateerde hij rust en een gevoel van veiligheid, maar in diepere lagen meende hij - achteraf - angst en onzekerheid te ontwaren. Later zou hij vaststellen dat de joden in Nederland zich veilig waanden en zo het slachtoffer werden van hun eigen verleden.56
In zijn aanloop naar de behandeling van de nationaal-socialistische vervolging van de joden schreef De Jong dat het in het Europese jodendom, ‘eeuwig bedreigd, eeuwig machteloos, traditie geworden was, haast een instinct, op onderdrukking en vervolging hoofdzakelijk passief te reageren’. Ondanks het relatief tolerante klimaat in Nederland was volgens De Jong deze ‘algemeen passieve reactiewijze van de Joden der Europese diaspora ook in het Nederlandse Jodendom blijven leven’. Hoewel hij hier, noch in de fiches die ten grondslag hebben gelegen aan het eerste deel van Het Koninkrijk, naar het werk van zijn Amerikaanse collega Hilberg verwijst, vertoont deze karakterisering van de mentaliteit van
het vooroorlogse jodendom een duidelijke overeenkomst met die van Hilberg in The Destruction of the European Jews (1961). Temeer daar De Jong voor dit deel als geheel regelmatig uit Hilbergs studie heeft geput, moet hij ook zijn typering van de vooroorlogse joodse mentaliteit aan dezelfde studie hebben ontleend. In de toelichting die De Jong op genoemde constatering gaf, zijn verschillende elementen te herkennen uit Hilbergs hoofdstuk over het gedrag van de vervolgden. De Jong schreef:
‘men boog het hoofd, liet het geweld over zich heen gaan, ruimde de scherven op, begroef de doden, leefde verder. Soms zocht men steun bij autoriteiten, klampte hen aan, vleide hen, kocht hen om [...]. Daadwerkelijk verzet was men als zinloos, ja als schadelijk gaan beschouwen [...]. Men meende met gematigd, “tactisch” optreden meer te kunnen bereiken en er waren talrijke situaties waarin men dat [...] inderdaad deed. Dan hadden enkelingen het leven verloren, maar kon de gemeenschap voortbestaan.’57
Hier moet worden volstaan met enkele van de meest treffende overeenkomsten met de bedoelde passage uit Hilbergs studie.
‘[...] they had learned that they could avert danger and survive destruction by placating and appeasing their enemies. [...] Armed resistance in the face of overwhelming force could end only in disaster. [...] After surveying the damage, the survivors had alwaysproclaimed in affirmation of their strategy the triumphant slogan, “The Jewish people lives”. [...] This experience was so ingrained in the Jewish consciousness as to achieve the force of law.’58
Overigens vergat De Jong niet te vermelden dat de Nederlandse joden geen ervaring hadden met pogroms of vergelijkbaar gewelddadig optreden jegens hen. Desalniettemin was hij van mening dat deze passieve reactiewijze ook kenmerkend was voor de joden in Nederland. En degenen voor wie deze typering niet gold, vooral socialisten en communisten, waren nauwelijks vertegenwoordigd in de organen van de joodse gemeenschap. Deze werden, schrijft hij, gedomineerd door ‘liberale en andere burgerlijke figuren die [...] jegens die overheid eerder een opvallende, soms aan serviliteit grenzende aanhankelijkheid aan de dag legden’. Hij interpreteerde dit versterkt aanhankelijkheidsbetoon als een uiting van angst en onzekerheid.59


Deze uiteenzetting vormt de inleiding op De Jongs behandeling van het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen, dat op 21 maart 1933 werd opgericht, en het daaronder ressorterende vluchtelingencomité, dat zich bezig ging houden met de opvang van joodse vluchtelingen uit Duitsland. David Cohen was secretaris van het eerste - Abraham Asscher trad op als voorzitter - en voorzitter van het tweede. Cohen en Asscher zouden tezamen tijdens de Duitse bezetting leiding geven aan de Joodse Raad.60
De Jong introduceert Cohen als een exponent van de hierboven omschreven mentaliteit. De professor in de oude geschiedenis werd door De Jong neergezet als een gezagsgetrouwe man, ‘blij met elke kruimel die van de tafel dier gerespecteerde overheid viel’.61 Uit het eerste deel van De Jongs memoires, Herinneringen i (1993), bleek eens temeer dat De Jong weinig op had met Cohen. Terugblikkend op zijn studietijd merkte De Jong op dat diens colleges oude geschiedenis ‘tamelijk vervelend’ waren, maar ook dat zijn handdruk ‘zo slap als een vaatdoek’ was.62 Waarschijnlijk was dit in joodse kringen een symbool geworden van de veronderstelde karakterzwakte van Cohen. S. van den Bergh had in Deportaties (z.j.) eveneens melding gemaakt van ‘een slap afscheidshandje’ van Cohen in Theresienstadt, toen hij in september 1944 op het punt stond naar Auschwitz te worden overgebracht.63 De op zichzelf onbeduidende opmerking van De Jong wordt hier vermeld, omdat zij een variatie is op een thema dat in zijn werk een cruciale rol speelt. De Jong is na de oorlog, en zeker na 1967, een angstige en onzekere houding gaan beschouwen als inherent aan het joodse leven in de diaspora voor de oorlog.
Achteraf interpreteerde hij zijn eigen reactie op antisemitische pesterijen in zijn jeugd ook in het licht van deze analyse. De angst die hem en zijn tweelingbroer ervan had weerhouden zich fysiek te verdedigen, bracht hij terugblikkend in verband met het jood-zijn.64 Met de nadruk die De Jong legde op de weerloosheid en gevoelens van onzekerheid onder de joden in Nederland sloot hij zich in feite aan bij een zionistische analyse van joods leven in de verstrooiing.
De Jong wees in zijn paragraaf over de vooroorlogse joodse comités herhaaldelijk vooruit naar de latere Joodse Raad, waarin dezelfde personen de belangrijkste functies zouden bekleden. Deze had evenals het vluchtelingencomité oorspronkelijk een uitsluitend lokale functie, maar ging feitelijk een landelijke rol spelen. In zijn beleid, merkt hij op, identificeerde het comité zich in verregaande mate met de Nederlandse rege-
ring. Dit betekende dat het niet bemiddelde voor communisten en dat het werkloze Duitse joden als economische vluchtelingen beschouwde en hen naar Duitsland terugstuurde of verdere emigratie bevorderde. De Jong constateerde: ‘Het Vluchtelingencomité selecteerde. Het selecteerde, wel te verstaan, onder de “armlastigen”.’65
Hij spreekt geen expliciet oordeel uit over dit beleid en brengt in zijn beschrijving begrip op voor de spanningen waaraan de leden van het comité onderhevig waren, maar impliciet is de afkeuring voelbaar. Deze komt aan de oppervlakte, wanneer hij de aandacht vestigt op de wijze waarop Raphaël Henri Eitje, die samen met Cohen en Gertrud van Tijn-Cohn het comité vormde, zich in een brief aan de voorzitter uitliet over de vluchtelingen. Eitje duidde hen hierin aan als ‘materiaal’ en De Jong herinnert de lezer aan de term ‘expediëren’ die in eerder geciteerde correspondentie werd gebruikt voor het doorzenden van Duitse joden.66 De Jongs sympathie lijkt onmiskenbaar uit te gaan naar de vluchtelingen uit nazi-Duitsland.
Onder erkenning van de verschillen ontwaart De Jong een duidelijke parallel tussen beleid en taak van het vluchtelingencomité en die van de latere Joodse Raad. Hij stelde vast dat de overgang van het Vluchtelingencomité naar de Joodse Raad voor de drie leidinggevende functionarissen ‘een gradueel, niet een principeel karakter [had] en dat juist zij in het apparaat van de Joodse Raad hoge posities gingen bekleden [...] lag voor de hand’.67
Wat de houding van Nederlandse joden tegenover de Duits-joodse vluchtelingen betreft sluit De Jong zich aan bij Herzberg, die in zijn Kroniek de negatieve gevoelens had geïnterpreteerd als vrees voor een toename van het antisemitisme. Hij tekent alleen bezwaar aan tegen de concluderende opmerking van Herzberg: ‘Geen wonder dat men ze haatte.’ De Jong vindt dit te ver gaan en houdt het op ‘afkeer’.68 Het is opmerkelijk dat hij hier wel de moeite neemt zich van Herzberg te distantiëren, maar Pressers opmerkingen op dit punt niet van commentaar voorziet. Deze had in Ondergang, zij het minder generaliserend, zelfs ronduit van antisemitisme gesproken.69
Herzberg, die in Kroniek de vooroorlogse joodse comités onbesproken had gelaten, uitte in een brief aan De Jong zijn grote waardering voor de wijze waarop hij deze in het eerste deel van Het Koninkrijk had behandeld. Hij stak zijn afkeer van hun functioneren niet onder stoelen of banken: ze waren volgens hem ‘door de oprichters typisch opgezet op die arrogante en filantropische basis en zich onttrekkend aan alle
controle en critiek’. Maar anders dan De Jong achtte hij hiervoor niet zozeer de bestuurders, maar veeleer de joodse bevolkingsgroep als geheel verantwoordelijk.70
Uit Herzbergs talloze artikelen blijkt dat hij in het algemeen nogal kritisch was gestemd ten aanzien van de vooroorlogse joodse mentaliteit. Naar zijn mening had men zich overgegeven aan de illusie van de vooruitgang. Zo hadden joden zich steeds meer afgewend van hun volk en hun historie ‘zonder te merken dat zij zich afwendden van zichzelf’. De Jong liet een appreciatie achterwege, maar constateerde in deel 5 hetzelfde: ‘De meeste Nederlandse Joden hadden in en door hun assimilatie de band met het Joodse geloof en met de Joodse geschiedenis verloren.’71 Alvorens over te gaan tot de lotgevallen van de joden tijdens de Duitse bezetting vatte hij zijn analyse van de positie van het vooroorlogse Nederlandse jodendom nog eens kernachtig samen. Anders dan Herzberg beklemtoont hij de scherpe onderlinge tegenstellingen, maar voor het overige vertoont zijn conclusie sterke overeenkomsten met Herzbergs visie: de joodse bevolkingsgroep was ‘geografisch verspreid, psychologisch sterker geïsoleerd dan zij meende, verstoken van een samenbindende ideologie, verstoken ook van algemeen aanvaarde leidersfiguren, en door dat alles niet alleen weinig weerbaar maar ook in hoge mate kwetsbaar’.72
Met de Duitse inval op 10 mei 1940 en de spoedig daaropvolgende capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten begon de Duitse bezetting die in het bijzonder voor de joden een ramp van ongekende omvang zou worden. Anders dan velen hadden verwacht of althans gehoopt, bleef de jodenvervolging niet beperkt tot nazi-Duitsland. Opeenvolgende anti-joodse maatregelen dreven de joden in een isolement, waarna in de zomer van 1942 de deportaties begonnen. In de afzondering bloeide het joods culturele leven sterker dan ooit tevoren. Herzberg besteedde hieraan de nodige aandacht in zijn geschiedschrijving.73 In zijn ogen betekende dit de noodzakelijke terugkeer naar het jodendom, waartoe de joden voor de oorlog niet te bewegen waren geweest.
In het denken van Herzberg over de jodenvervolging stond een geestelijke mobilisatie van joden centraal, waarvoor hij zich ook zelf veel moeite had getroost. Zij moesten volgens hem ‘terugkeren naar hun
originaliteit’ en ‘geëmancipeerde, vrijwillige vijanden’74 van Hitler en de zijnen worden. Met de volgende zinsneden kwam hij meteen terzake: ‘Had dit alles maar zijn uitdrukking kunnen vinden in een feitelijk en gewapend verzet! Natuurlijk heeft iedereen daaraan in theorie de voorkeur gegeven.’ Hiermee komt hij meteen tot de kern van het beladen vraagstuk van passiviteit of verzet en maakt tegelijkertijd duidelijk dat het laatste nu eenmaal niet tot de mogelijkheden behoorde. In het vervolg legt hij uit dat de voorwaarden voor een enigszins gecoördineerd en gestructureerd gewapend verzet van joden niet vervuld waren.
‘Er moet een strategische basis bestaan. Zij ontbrak. Men moet over wapens beschikken. Zij waren er niet. Ook kan men niet vechten met grijsaards en besjes, kinderen, zieken, invaliden, geestelijk misdeelden enz., die allen, allen zonder onderscheid, ook waren aangevallen. Daarenboven was er toch gevochten zowel in de Jodenbuurt als in Amsterdam-Zuid, en dit had immers al tot een verschrikkelijke débâcle geleid.’75
Hij wijst beschuldigingen van fysieke passiviteit aan het adres van joden van de hand en beklemtoont dat hun gedrag niet met dezelfde maatstaven mag worden gemeten als dat van overige Nederlanders. Hun politieke situatie was immers volkomen anders. Ook een vergelijking met hun lotgenoten in het getto van Warschau, die in opstand waren gekomen, achtte hij niet op zijn plaats. De opmerking van De Wolff, die de opstandelingen in de Poolse getto's aan de Nederlandse joden ten voorbeeld had gesteld, kwalificeerde Herzberg als een ‘melodramatische verzuchting’.
‘Zonder ook maar in de verste verte afbreuk te willen doen aan de betekenis van hetgeen in Warschau gebeurd is, zij er aan herinnerd, dat alle voorwaarden, die in Nederland voor een opstand ontbraken, dáár waren vervuld. In de laatste faze der vervolging kon een overgebleven groep van in een enkele wijk bijeengedrongen Joden, in hoofdzaak bestaande uit weerbare arbeiders en arbeidsters, na uiterst zorgvuldige voorbereiding, geruggesteund en bewapend door belangrijke groepen partisanen, en geleid door vastberaden mannen en vrouwen dáár een verzet ontketenen, dat hier in de eerste jaren van de bezetting, zelfs nog in 1943, ten enenmale uitgesloten was.’
En hij herinnert eraan dat ook de opstand in Warschau bij voorbaat een verloren zaak was. Dat door de historische revolte de eer werd gered, had in de ogen van Herzberg wel degelijk betekenis, maar hij achtte dit niet voldoende. Ondanks de verschillen rechtvaardigden beide geschiedenissen maar één conclusie: ‘Warschau en Amsterdam, beide op hun manier, bewijzen dat Joodse weerbaarheid zonder eigen vaderland een innerlijke tegenstrijdigheid vormt.’76
Nadat hij de lezer heeft trachten te doordringen van de wanhopige situatie waarin joden zich bevonden en deze tot kern van zijn analyse heeft gemaakt, werpt hij onverwacht alsnog de vraag op of er ‘geen plaats was voor werkelijk verzet, ook zonder een eigenlijke opstand, voor een schaduworganisatie, of een organisatie naast de Joodse Raad, die zich al dan niet in samenwerking met de algemene illegaliteit, belastte met al dat ondergrondse werk, dat tallozen het leven redden kon?’77
Deze enigszins verrassende wending dient als overgang naar het optreden van de Palestina-pioniers, chaloetsiem, tijdens de bezetting. De groep van vooral Duitse jongeren die in Nederland een beroepsopleiding volgden ter voorbereiding op hun vertrek naar Palestina, vormde een dergelijke organisatie, die zich volgens Herzberg voorbeeldig had gedragen. Het werkdorp in de Wieringermeer, waarvan Herzberg zelf vanaf augustus 1940 tot de ontruiming in maart 1941 directeur van was geweest, was een van de zes organisaties die zich met de opleiding van deze joodse jongeren bezighield. De pioniers bouwden een illegale organisatie op, die contacten legde met andere Nederlandse en later ook Belgische en Franse soortgelijke organisaties. Al met al slaagde de groep er in 361 van haar 821 leden te redden, waaronder ook de 121 zijn meegeteld die na afloop van de oorlog uit de kampen terugkeerden. Deze cijfers, concludeert Herzberg, onderstrepen ‘de beslissende betekenis van het bezitten van een ideologie en een politiek ideaal’.78
Impliciet bestempelde Herzberg hiermee de afwijzing van het zionisme door de meerderheid van de Nederlandse joden als een tragische vergissing. Maar met deze conclusie ondergraaft hij tegelijkertijd zijn daaraan voorafgaande argumentatie, waarin hij het vrijwel ontbreken van verzet had verklaard als inherent aan de situatie. Hij moest recht doen aan sterk uiteenlopende gedragingen en wilde het joodse volk in bescherming nemen tegen gemakzuchtige verwijten, terwijl hij tegelijkertijd de bewezen geachte verdienste van het zionisme niet onvermeld wilde laten.
Ook na publicatie van Kroniek zou Herzberg zich met het vraagstuk
blijven bezighouden. In 1961 kwam de kwestie internationaal in de belangstelling naar aanleiding van het Eichmann-proces in Jeruzalem. Herzberg woonde de terechtzitting bij als correspondent van de Volkskrant, die de auteur van Amor Fati onmiddellijk nadat Eichmann in Argentinië in de kraag was gegrepen moet hebben gecontracteerd.79 Dat blijkt tenminste uit Bericht aan de rattenkoning van Harry Mulisch (1966), die daarin schrijft dat hij zich nog diezelfde dag bij de hoofdredacteur van dezelfde krant had vervoegd. Hij kreeg echter te horen dat de Volkskrant al was voorzien. Mulisch zou uiteindelijk voor Elseviers Weekblad naar Jeruzalem afreizen.80
Daar stelde de openbare aanklager de getuigen telkens weer de vraag: Waarom hebt u zich niet verzet? Herzberg herhaalde in de Volkskrant zijn hierboven weergegeven argumentatie en benadrukte dat de omstandigheden van destijds geen normale waren. Derhalve, concludeerde hij, is ‘de grootste voorzichtigheid bij de beoordeling van het gedrag van slachtoffers tijdens een catastrofe [...] niet groot genoeg’. Toch, vervolgde hij, was er misschien een ‘ervaringsregel [...] die enige invloed uitgeoefend heeft’. Hij doelde op de weerloosheid tegen de pogroms in Oost-Europa, die in het bewustzijn van joden had geleefd. Ondanks alle voorbehoud kende Herzberg daaraan ‘in de voorstellingswereld van grote massa's [...] een beslissende uitwerking’ toe. Van een groot deel der joden, schreef hij, had zich ‘iets als een verlamming’ meester gemaakt. Hij besloot zijn artikel met een vermelding van de opstand in het getto van Warschau en opstanden in vele andere getto's. Deze revolte, schreef Herzberg ‘heeft een geheel nieuwe noot toegevoegd aan de beoordeling van het gebeurde’.81
Ruim tien jaar na verschijning van Kroniek der Jodenvervolging heeft zich in Herzbergs denken over het gedrag van de joden tijdens de oorlogsjaren een verschuiving voltrokken. Terwijl hij dit in Kroniek vooral uit de omstandigheden verklaarde, wees hij nu op de geestesgesteldheid van de joden, waarvoor hij een historische verklaring in het geding bracht. In het verlengde hiervan lijkt zijn waardering voor de opstand in het getto van Warschau, die een breuk betekende met de weerloosheid, aanzienlijk toegenomen.
Enkele dagen later speculeerde hij in een volgend artikel over een mogelijke opstand van de joden in Amsterdam. Deze had volgens hem kunnen uitbreken wanneer er sprake zou zijn geweest van een concentratie van de joden in een getto. Ook deze speculatie moet in het licht van de verschuiving in Herzbergs denken worden gezien.82 Herzberg
was kennelijk sterker dan voorheen onder de indruk geraakt van de opstand in Warschau als de belichaming van de nieuwe joodse weerbaarheid en wilde graag geloven dat iets vergelijkbaars zich ook onder de joden in Amsterdam had kunnen voordoen. De overeenkomst tussen de veelgeciteerde en controversiële passage van Hilbergs boek, waarin hij ook over een ‘verlamming’ spreekt onder joden als reactie op de bedreigende situatie, en Herzbergs artikel uit 1961 is opmerkelijk. Hoewel Hilbergs boek nog niet was verschenen op het moment dat Herzberg de betreffende bijdrage schreef, is het mogelijk dat hij in Jeruzalem juist van dit onderdeel uit Hilbergs boek reeds had vernomen. Yad Vashem, in de persoon van Michman, had het manuscript onder meer vanwege deze passage geweigerd uit te geven.83
Toch valt uit Herzbergs Eichmann in Jeruzalem, een bewerking van zijn verslaggeving van het proces, op te maken dat Herzberg per saldo wellicht meer door geestelijke dan door fysieke weerbaarheid werd gefascineerd. Hij had duidelijk affiniteit met de weerloosheid die, tot levensregel geworden, de mens ‘de hoogste waardigheid [kan] verlenen’.84 Hij bestreed dat dit neerkwam op lafheid en eerloosheid.
In 1963 mengde hij zich opnieuw in het debat in een essay getiteld ‘De weerlozen’, waarin hij de toestand behandelt waarin hijzelf en zijn medegevangenen in Bergen-Belsen hadden verkeerd. Deze keer stelde hij onomwonden dat verzet ‘niet essentieel [was] in de joodse positie, en het wordt ook niet essentieel als men alle verboden gedragingen waaraan men zich schuldig maakte, zoals de onderduik, als “verzet” gaat beschouwen.’ De schroom om dit te bekennen ‘omdat men vreest dat het in eigen ogen beschamend en in die van anderen vernederend is’ wijst hij beslist van de hand.85 Hij maakte duidelijk het gedrag van de grote meerderheid der vervolgden niet in termen van lafheid te beschouwen, maar van weerloosheid. Bovendien ontstond in de toestand van weerloosheid, aldus Herzberg, de mogelijkheid tot een mystieke en denkbeeldige ontmoeting met lotgenoten, waaruit een nieuwe weerbaarheid werd geboren. Concreet doelde hij hiermee op de geboorte van de joodse staat, die in deze visie het resultaat is van een geestelijk proces.86
De weerloosheid - en de aanvaarding daarvan als levenshouding - was geen nieuw verschijnsel in de joodse geschiedenis. In de gedachtenwereld van chassidische joden nam dit een centrale plaats in. Via zijn grootvader kende Herzberg dit milieu, dat hij in Brieven aan mijn kleinzoon liefdevol heeft beschreven.
‘Wanneer mensen als mijn grootvader geweest is, werden aangevallen, waren zij weerloos. Dat siert hen. Als zij in staat waren geweld met geweld te keren, dan zouden zij niet zijn, die zij waren. De weerloosheid was hun beginsel en daarmee hebben zij zich verdedigd.
Dat is geen lijdelijkheid en nog minder lafheid. Alleen zij die zich de moed alleen voor kunnen stellen in zijn ruwe handtastelijkheid, noemen dit zo.’87
In Brieven aan mijn kleinzoon presenteert de auteur zich als insider en buitenstaander tegelijk van het milieu en de opvattingen die hij weergeeft.88 Zijn liefde voor de wereld van zijn grootvader is evident, maar toch neemt Herzberg als medium tussen zijn grootvader en zijn kleinzoon een standpunt in buiten die gemeenschap. Hij wil begrip kweken voor een wereld die niet alleen de niet-joden in Nederland maar ook de joden - en dus ook zijn eigen kleinzoon - vreemd, archaïsch en zelfs exotisch voorkomt, maar hij laat in het midden hoe hij zichzelf tot die gemeenschap verhoudt. Voor de duur van het boekje verplaatst hij zich in de chassidische gedachtenwereld, maar tegelijkertijd maakt hij de lezer duidelijk dat hij er zelf geen onderdeel van uitmaakt. Hij stelt zich op het gezichtspunt van de antropoloog die tijdelijk zijn intrek neemt in het dorp dat zijn ouders voor zijn geboorte hebben verlaten, en die niet van plan is zich daar blijvend te vestigen. Hij kent de wereld daarbuiten en zal daar ook weer naar terugkeren.
Met alle waardering en bewondering voor het vergeestelijkte leven van mensen als zijn grootvader, ijverde Herzberg in die buitenwereld, in casu Nederland, sinds zijn volwassenwording voor een joodse staat, die hij beschouwde als een voorlopig eindpunt in de joodse geschiedenis. Hij stond op de drempel van een nieuw tijdvak, dat met de stichting van de staat Israël in 1948 zou worden gemarkeerd. Hij verwelkomde Israël als de overgang van een toestand van lijdzaamheid, waarin de invloed van anderen als onvermijdelijk werd ondergaan, naar een van actieve zelfverdediging en zelfstandigheid.89
Anders dan bij menig zionist het geval was, betekende dit voor Herzberg niet een radicale verwerping van de levenshouding van vrome joden in de diaspora. De vestiging van een joodse staat na tweeduizend jaar ballingschap was weliswaar een omwenteling in de joodse geschiedenis, maar hiermee werd niet een volkomen nieuw element geïntroduceerd. Hij beschouwde de stichting van de staat Israël veeleer als een
herleving van het politiek beginsel dat in de geschiedenis van het joodse volle altijd naast het geestelijk-religieuze heeft bestaan.
Het is vrijwel niet vast te stellen welk principe in zijn visie prioriteit diende te krijgen. Hij leek beide principes evenzeer toegedaan. De nieuwe weerbaarheid die vorm kreeg in de jonge joodse staat, verdedigde hij net zo vurig als de daaraan voorafgaande weerloosheid. Wie zijn werk leest, kan echter niet aan de indruk ontkomen dat de weerloosheid sterker in hem leefde dan de nieuwe weerbaarheid, die hij gezien zijn achtergrond en persoonlijkheid niet volledig kon omhelzen. In dit verband is de mystieke beleving van de volslagen weerloosheid in Bergen-Belsen wellicht een doorslaggevende ervaring geweest.
Maar in het openbaar heeft hij zich nooit gedistantieerd van de nieuwe weerbaarheid. Integendeel, ook toen in 1978 zijn kleinzoon sneuvelde als officier in het Israëlische leger en hij in feite de ultieme consequentie ondervond van een keuze voor het zionisme, wankelde zijn overtuiging althans publiekelijk niet. In een artikel dat hij schreef naar aanleiding van de dood van zijn kleinzoon, plaatste hij deze tragische gebeurtenis in historisch perspectief. Hij beklemtoonde dat door het ontbreken van innerlijke samenhang en een gemeenschappelijk ideaal - met name in Midden- en West-Europa - joodse zelfverdediging tijdens de oorlogsjaren onmogelijk was. Met de oprichting van de joodse staat was dit alles in zijn tegendeel verkeerd. Israël schiep eenheid, verschafte een strategische basis en angst week voor moed. Hij bracht een eresaluut aan ‘de vrije joodse soldaat’ en hij besloot zijn artikel ‘Ter herdenking’ met de woorden: ‘Zij zullen kaddisj zeggen en weten dat hij niet voor niets gevallen is.’90
Presser, die een groot deel van de bezettingsjaren als onderduiker had doorgebracht, benaderde het vraagstuk van passiviteit en/of verzet op volkomen andere wijze dan zijn voorganger Herzberg. Hij ging frontaal in de aanval door twee stellingen te poneren in het Haagse dagblad Het Vaderland.91 Het betreffende artikel werd gepubliceerd op 4 mei 1961, toen in Jeruzalem het Eichmann-proces gaande was. Daar werden getuigen steeds weer geconfronteerd met vragen over de passiviteit van vervolgden, die gemakkelijk konden worden geïnterpreteerd als verwijten. Dit moet Presser, die zich sterk identificeerde met de slachtoffers, hebben gestoord.
Ten eerste stelde hij dat het verzet van joden in Nederland door Duitsers evenzeer was overschat als door niet-joodse Nederlanders onderschat en, ten tweede, dat het verzet van joden in Nederland - in kwantitatieve zin - relatief dat van niet-joden had overtroffen.92 Uit het manuscript van Ondergang, waarin de stellingen terugkeerden, blijkt dat Presser zijn eerste stelling - in aangepaste vorm - ontleende aan een artikel uit 1957 van de vooraanstaande Israëlische historicus Ben-Zion Dinur. Deze sprak daarin niet over Nederlanders, maar over geallieerden.93 Evenals Herzberg in zijn latere artikelen, herinnerde Presser aan de geestelijke weerstand van veel joden, die hij plaatste in het kader van de joodse geschiedenis.94 Wat dit aspect betreft is de overeenkomst met een paragraaf uit een artikel van Friedman uit 1958 over het joods verzet frappant. Pressers opmerking dat ‘van oudsher Joodse heldhaftigheid [...] anders geschakeerd is dan de avondlandse, in welke laatste de heugenis aan militaire prestaties en individuele krachttoeren zoveel sterker doorgewerkt heeft’95 lijkt erg veel op een passage uit het genoemde artikel van zijn Amerikaanse collega: ‘Whereas most other nations have legacies of heroism in which heroism meant physical and military strength, in our case [...] the concept of “heroism” is almost always interwoven with the idea of spiritual courage.’ En de zinsnede waarin Presser verwees naar ‘die orthodoxe joden, in wie het geloof leefde dat “het opzeggen van een paar psalmverzen van meer invloed op de loop der gebeurtenissen was dan het doden van Duitsers”, niet noodzakelijkerwijs direct, maar in het oneindige verloop van wederzijdse betrekkingen tussen de Schepper en zijn geschapenen’96 is zelfs letterlijk te vinden in Friedmans artikel. Deze schreef:
‘The orthodox Jews did not believe that it was possible or even desirable to resist the German criminals in any other way. They believed that the recital of a chapter of the psalms would do more to affect the course of events than the killing of a German - not necessarily immediately but in the infinite course of mutual relations between the Creator and his creatures.’97
Hetzelfde geldt voor de daaropvolgende verwijzing naar de geestelijke weerstand van Gandhi en zijn volgelingen in India.
Hoewel Presser het artikel van zijn Amerikaanse collega niet noemt, heeft hij Friedmans analyse van het vraagstuk zonder meer overgenomen, dat wil zeggen zonder aanpassing aan de Nederlandse situatie. Het
is echter twijfelachtig in hoeverre de door Friedman beschreven overtuiging op de uit Nederland gedeporteerde joden, die in meerderheid sterk geseculariseerd waren, van toepassing kan worden verklaard.
Presser stelde in dit verband de overgang aan de orde die zich in de twintigste eeuw voltrok, van een martyrologisch gerichte conceptie van de joodse geschiedenis naar een waarin het joodse volk ‘zijn helden [heeft] gekregen’. Hij stelde dat deze in verband stond met het opkomende zionisme, waaraan hij op de voor hem zo kenmerkende relativerende wijze toevoegde: ‘Zeker voor wie deze laatste feiten benadert los van hun gangbare en ook wel begrijpelijke dramatisering en romantisering.’ Hij plaatste zijn verhandeling over het verzet (‘de zakelijke, objectieve waardering van het verzet van Joden in Nederland’) met nadruk binnen deze nieuwe historische conceptie. Hij gaf de voorkeur aan de laatste formulering boven ‘Joods verzet’, ‘want of dat als zodanig bestaan heeft, is een vraag welker beantwoording een nogal vergaande semantische doorlichting vereisen zou van zowel “joods” als “verzet”’.98 Het is opmerkelijk dat juist Presser, die zich als agnost afficheerde en altijd een uitgesproken ambivalente houding tegenover het zionisme had ingenomen, zich in zijn analyse van het verzet van joden liet leiden door achtereenvolgens een religieus geïnspireerde en een zionistische visie.
In Ondergang begint Presser zijn behandeling van dit thema met een uiteenzetting over de moeilijkheden die de historicus hier ontmoet.99 Desalniettemin herhaalt hij zijn stellingen uit 1961. Hij wijst verwijten aan het adres van de vervolgden beslist van de hand en stuurt deze regelrecht retour afzender:
‘De Joden lieten zich maar afslachten, heet het soms; ze aanvaardden hun lot met een gelatenheid, die verwondering, ja, ergernis opwekte; het is voor wie dit na de oorlog wenst neer te schrijven uiteraard gemakkelijker, op zo iets te wijzen dan op het historisch tekort van het Nederlandse volk, waarvan zo velen deze Joden aan hun lot hebben overgelaten.’100
Ter verdediging van zijn tweede stelling - dat het verzet van joden in Nederland relatief dat van niet-joden had overtroffen - vestigt hij de aandacht op de Stichting tot verdediging van de Cultureele en Maatschappelijke Rechten der Joden (srj). Deze was ruim een jaar voor de oorlog in Amsterdam opgericht om de joodse jeugd weerbaar te maken
voor de onontkoombaar geachte strijd tegen de nationaal-socialisten en het zelfvertrouwen van de joodse bevolkingsgroep te versterken.101 Voorts herinnert hij aan de weerstand van de bewoners van de Amsterdamse jodenbuurt in februari 1941 en aan het bekende incident in dezelfde maand in ijssalon Koco in de Amsterdamse Van Woustraat en noemt hij de Hollandse Schouwburg, van waaruit joodse kinderen naar de daartegenover gelegen crèche werden gesmokkeld.102
Het verzet van de Palestina-pioniers tijdens de bezetting noemt Presser ‘het ontroerendste hoofdstuk uit de geschiedenis van de toenmalige Joden’. Evenals Herzberg geeft Presser percentages van de geredden uit deze groep, waarop hij commentaar overbodig acht. Op basis van de cijfers is het echter mogelijk te concluderen dat het zionisme dat Presser steeds op rationele gronden had afgewezen, voor deze jongeren letterlijk van vitale betekenis is geweest. Ten slotte stelt hij in het algemeen dat joden vertegenwoordigd waren in elke denkbare vorm van verzet. Hij besluit zijn behandeling van dit thema met de suggestie dat er wellicht een volkomen tegengestelde herinnering aan het gedrag van joden zou zijn ontstaan, indien er een aanzienlijk grotere groep was overgebleven.
‘Misschien zou er, indien er een behoorlijk grote Joodse groep ware overgebleven, een hele folklore om Joodse verzetsdaden zijn ontstaan, van durfals, saboteurs, “brutale bliksems”, kortom, om toch maar het al te vaak gebruikte, al te veel misbruikte woord te bezigen, Joodse helden, die bij niemand behoeven achter te staan, noch in gedrag, noch in aantal.’103
Hiermee suggereerde Presser dat de beschuldiging van fysieke passiviteit direct samenhangt met het grote aantal slachtoffers. Bovendien liet hij op deze wijze de mogelijkheden open van een counterhistory van heldhaftig optreden, die met de slachtoffers verloren is gegaan.
Het aspect van de geestelijke weerstand, dat hij in zijn artikel uit 1961 zoveel gewicht had gegeven, bleef in Ondergang geheel en al achterwege. In Ondergang lijkt hij juist maximale afstand te willen nemen van deze religieus geïnspireerde instelling, wellicht omdat hij meende hiermee de mythe van passiviteit van joden verder te voeden. Slechts op één plaats, in een passage over de Palestina-pioniers, verwijst hij naar het om godsdienstige redenen passief ondergaan van de vervolging. Een kleine groep van de pioniers, schrijft hij, huldigde deze opvatting en Presser beklem-
toont dat de meerderheid van de pioniers een andere instelling had. Het staat er niet met zoveel woorden, maar het is duidelijk dat Pressers sympathie bij de laatste groep ligt.104
Terwijl Herzberg vooral aandrong op begrip voor de passiviteit van de overgrote meerderheid der joden en het vraagstuk herdefinieerde in termen van weerloosheid in plaats van lafheid, was Pressers uitgangspunt het verzet en ging hij met zijn stellingen in tegen wat hij beschouwde als de mythe van de fysieke passiviteit. Zijn apologetische benadering van het vraagstuk van passiviteit en/of verzet, inclusief de speculatieve slotpassage, moet allereerst gezien worden als blijk van solidariteit met de vermoorde joden. Daarnaast ging hij als geschiedschrijver in het algemeen graag in tegen heersende opvattingen en toonde hij zich consequent solidair met de zwakste partij. Een vergelijking met zijn benadering van het vraagstuk van de vermeende passiviteit van slaven in zijn studie Amerika is op dit punt veelzeggend. Hierin bestreed hij de onder geschiedschrijvers wijdverbreide opvatting dat de slaven zich ‘gedwee en onderworpen’ opstelden. Hij beschouwde dit als een mythe en stelde dat het verzet tegen de slavernij zich in allerlei vormen had geopenbaard. Ten slotte veronderstelt hij ook hier dat tal van voorvallen en incidenten die welbeschouwd uitingen van verzet zijn eenvoudigweg niet zijn overgeleverd.105
Het vraagstuk van de passiviteit van slaven zou in de jaren zeventig in de Verenigde Staten een kernthema worden in de ‘new black history’. De herdefiniëring van het verzet van deze groep verliep langs dezelfde lijnen als die van het verzet van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de historiografie was het vrijwel niet voorkomen van gewapende opstand in het algemeen geïnterpreteerd als een blijk van lijdzaamheid van slaven. Een uitzondering was de marxistische historicus Herbert Aptheker, die reeds in de jaren veertig de aandacht vestigde op hun verzet en wiens werk Presser ook benutte voor Amerika. De beoefenaren van de ‘new black history’ introduceerden een aanzienlijk ruimere definitie van verzet, die ook daden als weglopen, spugen in de soep en urineren in de koffie omvatte. Overigens heeft Peter Novick vastgesteld dat in de Verenigde Staten vooral joodse historici in hun geschiedschrijving kozen voor het perspectief van de zwarten. De gedeeltelijke verklaring die hij hiervoor oppert is dat zij veelal links-politiek georiënteerd waren en derhalve geneigd tot identificatie met onderdrukten. Hoewel Presser al in 1949 in de voetsporen van zijn Amerikaanse collega en geestverwant Aptheker trad, kan ook Novicks redenering moeiteloos op Pressers ge-
schiedschrijving van toepassing worden verklaard.106
Afgezien van Pressers solidariteit met de zwakkeren heeft de Leidse historicus I. Schöffer in een historische evaluatie van de Weinreb-affaire een overtuigende psychologische verklaring gesuggereerd voor Pressers behandeling van dit hoofdstuk uit de bezettingsgeschiedenis. Bij het schrijven van Ondergang, schreef Schöffer, werd Presser
‘telkens geconfronteerd met de kwellende vraag hoe het mogelijk was geweest dat zich in de nazi-tijd zo talrijke joden schijnbaar willoos naar de slachtbank hadden laten voeren. Bevestigde dit niet de antisemitische bewering dat “de” joden altijd laf waren? Het kwelde Presser persoonlijk des te meer omdat hij zichzelf verre van heldhaftig vond en hoog opkeek naar al degenen die in bezettingstijd wél gedurfd hadden. Was hij niet, zo beschrijft hij zichzelf ook in Ondergang, schrikachtig en bangig weggedoken toen het gevaar nabij kwam?’107
Het is evident dat Presser zichzelf inderdaad allesbehalve strijdbaar vond. In de gesprekken die hij kort voor zijn overlijden met Bregstein voerde, typeerde hij zichzelf herhaaldelijk als een bange man.108 Dit zou kunnen verklaren waarom Presser als geschiedschrijver in Schöffers woorden ‘haast krampachtig’ zocht naar bewijzen van het tegendeel.109 In een artikel in Maatstaf, dat hij schreef na voltooiing van het manuscript van Ondergang, stipte hij het beladen thema van de joodse zelfhaat aan in relatie tot machteloosheid. Hij stelt hierin dat de joden als collectief in de recente geschiedenis hun kracht en moed hebben bewezen. Joden in de diaspora kunnen volgens hem kracht putten uit joodse verzetsdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog en uit de stichting van de staat Israël.110
Door angst overmand besloot De Jong na de Duitse inval alles in het werk te stellen om naar Engeland te ontkomen. Gedurende de bezettingsjaren verbleef hij aan de overzijde van Het Kanaal. Zoals eerder uiteengezet, vond hij achteraf dat zijn activisme in Londen irrelevant was geweest voor het wezen van de Tweede Wereldoorlog; hij betreurde het dat hij zich niet meer had ingespannen voor de joden in bezet gebied.111
Dit was niet het resultaat van afweer van de gruwelijke waarheid. Hij heeft herhaaldelijk verklaard dat hij in de zomer van 1943 ervan overtuigd was geraakt dat de gedeporteerden in het Oosten de dood wachtte. Maar in zijn geschiedschrijving - zowel in Het Koninkrijk als artikelen - benadrukte hij dikwijls het ongeloof waarmee bijna iedereen, joden en niet-joden, destijds reageerde op berichten over de vernietiging van de joden. Van de onderduikers waren, dacht De Jong, velen overtuigd dat deportatie ‘over het algemeen tot physieke vernietiging zou leiden’. De joden die gedeporteerd werden, vertrouwden er volgens hem echter op dat zij zich in het Oosten staande zouden kunnen houden.112 Dit element van ongeloof stond centraal in zijn inaugurele rede van 1967 en keerde praktisch ongewijzigd terug in de lezingen die hij meer dan twintig jaar later hield aan Harvard University. In zijn oratie verwees hij expliciet naar een paragraaf uit het rapport van zijn tweelingbroer, waaruit onzekerheid spreekt over het lot van de gedeporteerden. Sally de Jong noemde daarin de brieven die bij de Joodse Raad waren binnengekomen, maar voegde eraantoe: ‘[...] wat zeggen duizend brieven op zestigduizend gedeporteerden? Waar zijn de berichten der anderen? Waarom is er hoegenaamd geen nieuws van gedeporteerde kinderen, van ouden, van zieken?’ Hij veronderstelde dat de joden ‘in Auschwitz [waarschijnlijk] in verschillende groepen [worden] gesplitst, in verschillende kampen ondergebracht, met weinig of geen onderlinge communicatie’.113
Afgezien hiervan acht De Jong gewapend verzet tegen de deportaties ‘uitgesloten’. De speculaties van Herzberg over een opstand in Amsterdam, wanneer daar evenals in Warschau een getto was ontstaan, wijst hij van de hand. Anders dan hun lotgenoten in de Poolse hoofdstad wisten de joden in Amsterdam, schrijft De Jong, niet welk lot hun wachtte na deportatie. Bovendien waren in bezet Nederland nauwelijks wapenen en explosieven aanwezig.114
Desalniettemin bestrijdt hij dat de joden zich passief hebben laten wegvoeren. Na het aantal joden te hebben besproken dat onderdook of Nederland ontvluchtte - naar schatting drieduizend illegale emigranten en vijfentwintigduizend onderduikers - concludeert hij: ‘De opvatting dat de Joodse volksgroep als geheel de deportatie passief over zich heen heeft laten gaan, achten wij door die cijfers weerlegd.’115 Hij verwijst hier naar het op grote schaal negeren van oproepen in de eerste fase der deportaties, dat hij eerder heeft behandeld en gekwalificeerd als ‘passief verzet’. Deze analyse van De Jong spoort met die van zijn tweelingbroer
die in zijn rapport deze reacties had behandeld als methoden van verweer.116
In zijn analyse van het vraagstuk van passiviteit of verzet besteedt De Jong veruit de meeste aandacht aan de houding van de joodse leiders. Van die zijde, stelde hij, kwam geen impuls tot verzet.117 Het Joodsche Weekblad, dat onder verantwoordelijkheid van de Joodse Raad verscheen, ademde volgens hem ‘een geest van berusting: Joden moesten, als zo vaak in het verleden, de moed en de kracht opbrengen om hun lot te dragen; verzet zou niet baten’.118 De richtlijnen van de geestelijke voorgangers, schrijft De Jong, waren gelijkluidend. In dit verband citeerde hij uit een brief die Presser na publicatie van Ondergang had ontvangen van ene H.J. van Dam. Deze had in de tweede helft van 1942 de Rotterdamse opperrabbijn A.B.N. Davids een onderduikadres aangeboden dat door de laatste werd afgeslagen. De rabbijn wilde zijn gemeente niet in de steek laten. Volgens Van Dam was van de joodse orthodoxie een ‘verlammende invloed’ uitgegaan: ‘De opvatting dat men zijn lot dient te dragen - een soort Joodse passieve predestinatieleer.’119 De Jong vond deze mededeling van de verder onbekende Van Dam kennelijk belangrijk genoeg om in dit kader te vermelden, hoewel één voorbeeld welbeschouwd te weinig is om tot een algemene uitspraak over de houding van de geestelijke leiders te geraken. Toch was De Jong niet alleen maar negatief over de beslissing van de Rotterdamse rabbijn en wederom bracht hij de voorzitters van de Joodse Raad in het geding. ‘Er was moed voor nodig om onder te duiken; er was óók moed voor nodig om, gelijk Davids deed, een aanbod tot hulp te weigeren en de solidariteit met de leden van de Joodse gemeente te laten prevaleren - een solidariteit die men bij de voormannen van de Joodse Raad pijnlijk miste.’120 Hier had De Jong er wellicht aan moeten herinneren - hij had het al eerder vermeld in deel 5 - dat Cohen op 14 mei 1940 wel had geweigerd naar Engeland te gaan, omdat hij ‘de vluchtelingen niet in de steek [wilde] laten’.121
Wanneer De Jong in deel 7 de laatste fase van de deportaties bespreekt, werkt hij in een paragraaf die hij opent met de vraag ‘Had het anders gekund?’ een scenario uit waarin de Raad naast de hulp aan de vijand illegale activiteiten onderneemt. Wanneer de joodse leiders in juni 1942 geweigerd zouden hebben verdere administratieve medewerking aan de deportaties te verlenen, zou er een crisissituatie zijn ontstaan. Voor De Jong staat het vast dat de deportaties in dat geval ‘op een hardere wijze’ en wellicht zelfs versneld zouden zijn uitgevoerd.
Dit betekent echter niet dat een dergelijke opstelling van de Raad in zijn visie een en ander alleen maar zou hebben verergerd. Hij acht het niet uitgesloten dat het staken der werkzaamheden door de Raad een positief effect zou hebben gehad op de niet-joodse Nederlanders. Zij zouden in dit geval wellicht in grotere getale hulp hebben geboden aan hun vervolgde landgenoten. In De Jongs woorden: ‘De passiviteit in het Joodse milieu heeft in de loop van '41 de passiviteit in het niet-Joodse in de hand gewerkt.’ Hij herhaalt hier niet wat hij in een eerder deel aan deze constatering had toegevoegd, namelijk dat het omgekeerde eveneens het geval was. Afgezien hiervan, stelt De Jong, was het resoluut vasthouden aan beginselen de enige manier om een ‘duidelijke eigen impuls’ te geven aan de gang van zaken.122
Het is frappant dat het rapport ‘De ondergang van het Nederlandsche Jodendom’ van De Jongs broer besluit met een paragraaf die eveneens als titel heeft ‘Had het anders gekund?’. Hierop laat hij ruim een halve pagina tekst volgen, waarin hij uitwerkt wat er gebeurd zou zijn wanneer ‘de Joden’ elke vorm van medewerking hadden geweigerd. Deze ‘georganiseerde passieve weerstand’ zou wellicht niet tot andere resultanten hebben geleid, stelde hij, maar de ondergang die hij toen - in mei 1943 - binnen enkele maanden voorzag zou dan tenminste ‘solidair en zelfbewust’ zijn geweest. Hij voorspelde dat ‘de geschiedenis’ de joodse leiders, zowel de Joodse Raad als de geestelijke voorgangers, zou ‘beschouwen als lafaards en verraders van hun eigen volk’.123 In ietwat diplomatiekere bewoordingen deed zijn broer, de geschiedschrijver, dat inderdaad.
Daarnaast was De Jong niet ontvankelijk voor pogingen vanuit Israël het vraagstuk te benaderen door de aandacht te vestigen op de deelname van joden aan de geallieerde legers. Dit bleek toen hij in 1969 via Presser werd benaderd door iemand die om hulp verzocht bij het traceren van joodse soldaten in het Nederlandse leger tijdens de oorlogsjaren. In opdracht van de staat Israël werkte de heer Campagne aan het ‘Nederlandse deel van een groot werk dat in Israël in het Hebreeuws en in het Engels zal worden uitgegeven onder de titel The Jewish Soldier in the Armies of the World’. Aan Presser liet De Jong weten ‘de Israëlische opzet bijzonder dwaas te vinden’ en aan Campagne schreef hij ‘afwijzend’ te staan ‘tegenover het gehele project; [...] de Joden streden in militaire dienst in Nederland mee als Nederlanders en niet als Joden’.124
Evenals zijn beide voorgangers was De Jong lovend over de Palestina-pioniers. Hij beklemtoonde dat zij de enige joodse groep vormden die
als groep een verzetshouding had aangenomen, met hulp van niet-joden.125
Maar De Jong was de enige van de drie geschiedschrijvers die in dit verband de geestelijke weerbaarheid van met name religieuze joden zelfs niet vermeldde. Dit kwam hem op kritiek te staan van Aron Schuster, oud-opperrabbijn van Amsterdam. Deze was van mening dat De Jong in deel 8 te weinig aandacht had besteed aan de beleving van de joodse godsdienst in kampen als Westerbork en Bergen-Belsen. Met name rabbijn Ph. Frank, schreef Schuster, wist in gesprekken met medegevangenen hun ‘een dermate grote kracht [te geven] dat zij heel rustig en vol overgave de dood tegemoet gingen’. In het algemeen waren de orthodoxe joden in beide kampen ‘een voorbeeld [...] voor de anderen met betrekking tot de rustige aanvaarding van hun lot’. Voorts stelde Schuster vast dat Herzberg en Presser over dit aspect in hun boeken niet hadden bericht en hij verklaarde dit uit hun afstand tot het ‘religieuze Jodendom’. Maar hij meende dat De Jong ‘als de officiële geschiedschrijver in opdracht van de Nederlandse regering’ de uitingen van het religieuze leven van de joden in de kampen niet achterwege kon laten.126
De Jong antwoordde Schuster dat hij, gezien het ontbreken van opmerkingen in het werk van Herzberg en Presser over de houding van rabbijnen en opperrabbijnen, ervan was uitgegaan ‘dat er ook niets wezenlijks te berichten viel’. Tegelijkertijd vroeg hij Herzberg - als insider in tweeërlei opzicht - om advies. Hij legde hem de vraag voor of hij van mening was dat deel 8 ‘op dit punt inderdaad een ernstige lacune vertoont’. In zijn antwoord ging Herzberg uitvoerig in op het verwijt van de oud-opperrabbijn aan zijn eigen adres, dat hij ‘hoogst misplaatst en onredelijk vond’. Hij somde passages op waarin hij, zij het als ‘anti-orthodox’, ‘met de diepste intensiteit’ juist aan dit aspect aandacht had besteed. Aangezien De Jongs vraag hiermee niet was beantwoord, formuleerde hij deze in een tweede brief opnieuw en enigszins anders: ‘[...] meent U dat van de rabbijnen in de Joodse kampen inderdaad zulk een inspirerende invloed is uitgegaan dat ik daar expliciet aandacht aan moet besteden?’ Na een voorzichtig ontkennend antwoord van Herzberg besloot De Jong het grootste gedeelte van de brief van Schuster in deel 13, waarin onder andere wijzigingen in de voorgaande twaalf delen werden opgenomen, af te drukken. De lezer moet gissen naar de mening van de historicus over deze brief, want De Jong publiceerde de passage zonder enig commentaar. Desgevraagd verklaarde hij zich niet meer te herinneren wat hij destijds vond van de kritiek van Schuster. Hij
veronderstelde dat hij de gevoelens van reserve van Herzberg destijds deelde, maar deze niet had opgenomen omdat hij zich onvoldoende zeker voelde ten aanzien van deze kwestie. Gezien zijn kritiek op de passieve opstelling van geestelijke voorgangers elders in Het Koninkrijk koesterde hij waarschijnlijk onoverkomelijke bezwaren tegen een positieve weergave van hun rol.127
Terwijl hij in deel 1 had vastgesteld dat joden in Nederland in het algemeen passief reageerden op onderdrukking en vervolging en dit in verband had gebracht met de joodse geschiedenis, bleek hij in de nadere uitwerking in latere delen deze analyse vooral van toepassing te achten op het joodse leiderschap. Wat de joodse groep als geheel betreft bestrijdt hij echter dat deze zich passief zou hebben laten deporteren. Behalve de Palestina-pioniers die zich als groep verzetten, brengt De Jong ook weigeringen om gehoor te geven aan oproepen, vlucht en onderduik onder de noemer verzet. Het niet-reageren op oproepen kwalificeert hij als ‘passief verzet’.
Pas in de jaren zestig ontbrandde het internationale debat over passiviteit (en collaboratie). In de overzichtswerken die eerder waren verschenen, speelde het vraagstuk een betrekkelijk ondergeschikte rol. Reitlinger bood in zijn studie uit 1953 geen analyse van joods gedrag, maar volstond met incidentele opmerkingen als ‘the blind fatalism of the Polish Jew’ en ‘the fatalism and helplessness of the Galician Jew’.128 Poliakov wijdde daarentegen wel een apart hoofdstuk aan het joodse verzet (‘La Résistance Juive’), maar dit heeft vrijwel in zijn geheel betrekking op joden in Polen. Poliakov wees op de machteloosheid van joden in de Oost-Europese getto's en vestigde de aandacht op uitingen van passief verzet. Daarnaast beklemtoonde hij dat vooral zionisten actief waren in joodse verzetsgroepen.129 In de krap drie bladzijden die volgens de titel zijn gewijd aan West-Europa, maar die overwegend de situatie in Frankrijk behandelen, schrijft hij dat daar niet zozeer sprake was van joods verzet maar dat veeleer joden deelnamen aan algemene verzetsorganisaties en daarin naar verhouding waren oververtegenwoordigd. In Nederland, België en Italië, schrijft Poliakov, speelden joden soms in relatief grote aantallen een wezenlijke rol in illegale groepen.130
Het dikwijls buitengewoon emotionele debat begon in Israël. Vooral
jonge Israëli's beschouwden passiviteit als een intrinsieke mentale eigenschap van joden in de diaspora en spraken met minachting over joodse lijdzaamheid tegenover de vervolging door de nazi's. Zij waren de erfgenamen van de jonge zionisten en bundisten in Oost-Europa, die de traditionele waarden en gedragsvoorschriften volgens welke vrome joden hun leven inrichtten, verwierpen en de voorkeur gaven aan een ‘eervolle’ dood boven het zich lijdzaam laten vermoorden.131
Oud-verzetsstrijders die zich na de oorlog in Israël hadden gevestigd, konden het niet verdragen dat joden alleen als slachtoffers van de nationaal-socialisten werden beschouwd. Zij beweerden dat het verzet van joden veel omvangrijker was geweest dan in het algemeen werd aangenomen en daarbij schuwden zij de overdrijving niet.132
De Engelse benaming van Yad Vashem - The Holocaust Martyrs' and Heroes' Remembrance Authority - verwijst impliciet naar het gewapend verzet. Als reactie op de berichten over de massamoord op de joden in Europa werd in september 1942 tijdens een bestuursvergadering van het Joods Nationaal Fonds in Palestina het voorstel gedaan een dergelijk instituut in het leven te roepen. Dit zou zich niet alleen ten doel moeten stellen de slachtoffers, maar ook de deelname van het joodse volk in de geallieerde legers te herdenken. In de uiteindelijke taakstelling van het instituut kreeg het onderzoek naar verzetshandelingen een prominente plaats.133 In het eerste nummer van Yad Vashem Studies stelde historicus Ben-Zion Dinur, die in 1952 als minister van Onderwijs de wet ter oprichting van Yad Vashem aan de Knesset presenteerde en de eerste voorzitter werd van het herdenkingsinstituut (1953-1959),134 dat dit onderzoek ernstig werd bemoeilijkt door de afwezigheid van voldoende bronnenmateriaal. De nationaal-socialisten hadden volgens Dinur het joodse aandeel in het verzet overdreven, terwijl de geallieerden de deelname van joden aan de strijd tegen het nationaal-socialisme juist hadden gebagatelliseerd.135
In de Verenigde Staten hielden de historici Friedman en Trunk zich begin jaren vijftig al met het onderwerp bezig. Hun artikelen, die aanvankelijk alleen in het Jiddisch verschenen, vonden destijds alleen weerklank in joodse kringen.136 Het relevante artikel van Friedman kwam echter in 1958 ook in het Engels beschikbaar.137 Op heldere wijze zette hij hierin de methodologische problemen van het onderzoek naar joods verzet uiteen. Hij drukte de lezer op het hart in vergelijkingen met verzet van andere groepen niet alleen overeenkomsten, maar ook verschillen te betrekken. Zo behandelde hij de betekenis van heldhaftigheid in
de joodse geschiedenis. Traditioneel was dit begrip, stelde hij, nauw verweven met spirituele moed, onder orthodoxe joden bekend als kiddoesj ha-sjem, hetgeen letterlijk betekent ‘heiliging van de naam’ en neerkomt op religieus martelaarschap, en niet zoals bij de meeste andere volkeren met fysiek en militair geweld. De joodse opvatting van heldhaftigheid kwam voort uit de religieuze overtuiging, die overigens niet alleen aan het jodendom is voorbehouden, dat de strijd tussen goed en kwaad elders zal worden beslecht. Derhalve moet passiviteit van joden niet worden gezien als angst of lafheid, maar als iets dat voortvloeit uit religieuze overtuiging. Friedman hanteert een ruime definitie van verzet. In zijn ogen wordt de grens bereikt bij activiteiten die louter uit eigenbelang werden ondernomen.138
Friedman, die een centrale figuur was in de vroege geschiedschrijving van de vervolging en vernietiging van de joden, had de leiding over een bibliografisch samenwerkingsproject tussen het yivo in New York en Yad Vashem. In 1960 verscheen het eerste deel (Guide to Jewish History under Nazi Impact) onder redactie van Robinson en Friedman. De voorzitter van Yad Vashem, Dinur, bracht in het voorwoord uiteenlopende activiteiten onder de noemer ‘verzet’, tot en met het zingen van psalmen onderweg naar de gaskamer. Hoewel hij het adjectief vermeed, zijn de activiteiten die hij noemt eigenlijk zonder uitzondering voorbeelden van passief verzet.139
De vroege geschiedschrijving van de moord op de joden was vooral in handen van joodse geschiedschrijvers afkomstig uit Oost-Europa, dat voor de oorlog het centrum van joods leven in Europa was. Poliakov, Friedman, Dinur en Trunk waren goed onderlegd in de joodse geschiedenis en vestigden in hun verhandelingen over reacties van joden op de vervolging allen de aandacht op die elementen die samenhingen met het joods-religieuze denken en leven. Alleen de Britse geschiedschrijver Reitlinger, de enige niet-jood onder de pioniers, kwalificeerde het gedrag van joden als ‘fatalisme’ en ‘weerloosheid’.
In de jaren zestig kwam de benadering van historici als Friedman en Dinur, die joodse passiviteit interpreteerden als een vorm van geestelijk verzet, onder vuur te liggen. Het debat bleef niet langer beperkt tot de Hebreeuwse en Jiddische pers, maar verbreedde zich tot de Engelstalige media, vooral in de Verenigde Staten. De belangrijkste woordvoerders waren nog steeds vrijwel uitsluitend joden, maar nu in meerderheid afkomstig uit West- en Midden-Europa. Bovendien waren zij geen vak-historici, maar uit verschillende andere disciplines afkomstig. Zij han-
teerden een niet-religieus en universeel interpretatiekader. Voor joods-religieuze aspecten hadden zij veel minder oog én waardering.
De Weense psychoanalyticus Bruno Bettelheim (1903-1990) was sedert juni 1938, enkele maanden na de Anschluss, ruim tien maanden geïnterneerd geweest in respectievelijk Dachau en Buchenwald. Op het moment van zijn arrestatie was hij verwikkeld in een bureaucratische procedure ter verkrijging van een visum voor de Verenigde Staten. Na zijn vrijlating in april 1939 - het felbegeerde document lag in Wenen klaar - emigreerde hij naar de Verenigde Staten, waar hij zich bij zijn echtgenote voegde.140 Puttend uit zijn eigen ervaringen publiceerde hij in 1943 een artikel over de psychologische effecten van de concentratiekampen op de gevangenen, dat door het Amerikaanse leger werd gebruikt als voorbereiding van zijn operaties in Europa. Hij beschreef hoe hij tijdens zijn gevangenschap een soort participerend onderzoek uitvoerde met als doel zijn persoonlijkheid te beschermen tegen desintegratie, de centrale doelstelling van de Gestapo en het kampsysteem.141
In 1960 publiceerde hij vervolgens The Informed Heart. Anatomy in a Mass Age, waarin hij niet verwees naar de joodse traditie als bron van verzet of als verklaring voor het ontbreken daarvan, maar naar de aard van het regime, die had geleid tot een verlamming van de individuele wil. Hij verklaarde de passiviteit van joodse gevangenen in de vernietigingskampen als een psychologisch gevolg van de terreur. Deze leidde bij de overgrote meerderheid van de joodse gedeporteerden tot desintegratie van hun persoonlijkheid en een vorm van regressie. Zij vervielen volgens Bettelheim in infantiel wensdenken en wilden de mogelijkheid van de dood niet onder ogen zien. De strekking van zijn boek wordt samengevat in de volgende zinsnede, waarin hij zijn alternatief onder woorden bracht: ‘Millions of the Jews of Europe who did not or could not escape in time or go underground as many thousands did, could at least have marched as free men against the ss, rather than to first grovel, then wait to be rounded up for their own extermination, and finally walk themselves to the gas chambers.’142
Het daaropvolgende jaar vond niet alleen het Eichmann-proces in Jeruzalem plaats, maar verscheen ook de studie The Destruction of the European Jews van de Amerikaanse politicoloog Raul Hilberg (1926). In 1939 was hij vanuit Wenen met zijn ouders uitgeweken naar de Verenigde Staten, vanwaar hij in 1944 met de Amerikaanse strijdkrachten tijdelijk terugkeerde naar Europa. Hilbergs eerste doel is de analyse van het vernietigingsproces - de reacties van joden op de vervolging komen

Bruno Bettelheim, 1988 (foto Ian Berry/Magnum).
slechts in een korte paragraaf aan de orde. Hierin schreef hij dat het reactiepatroon van joden werd gekenmerkt door een vrijwel geheel ontbreken van verzet. Hij verklaarde dit uit de ervaringen die joden gedurende de afgelopen tweeduizend jaar hadden opgedaan. Zij hadden, schreef Hilberg, geleerd dat ze konden overleven en onheil afwenden door hun vijanden om te kopen en tegemoet te komen. Geplaatst tegenover een overweldigende overmacht kon gewapend verzet naar hun vaste overtuiging alleen maar tot een ramp leiden. In de conclusie van dit hoofdstuk stelde Hilberg dat ‘de’ joden, gevangen in de dwangbuis van hun geschiedenis, zich fysiek en psychologisch in een ramp hadden gestort.143
Hilbergs beschrijving en analyse van het gedrag van joden stonden haaks op de benadering van de meerderheid van de vroege geschiedschrijvers. Hoewel ook Hilberg voor een verklaring verwees naar de joodse geschiedenis, beschouwde hij joodse passiviteit niet als een vorm van weerbaarheid, maar als een funeste en volkomen inadequate strategie tegenover de nationaal-socialistische vernietigingsmachine. De implicatie van Hilbergs analyse is dat ‘de’ joden medeverantwoordelijk waren voor hun eigen ondergang. Hij formuleerde dit ook zo door in de betreffende paragraaf te spreken van de ‘rol van de joden in hun eigen vernietiging’.144

Yad Vashem, in de persoon van de toenmalige directeur Jozeph Michman, had Hilbergs manuscript in 1958 afgewezen, onder meer vanwege diens gebrekkig geachte behandeling van het verzet van joden.145 Welbeschouwd is Hilbergs analyse echter wel degelijk sterk gekleurd door een zionistische analyse van de joodse geschiedenis, zij het een zeer schematische, die in Israël vooral bij jongeren gehoor vond en daarbuiten vooral onder seculiere zionisten. Als zodanig is dit debat een voortzetting van de politieke strijd die in de periode voor de oorlog vooral in Oost-Europa werd gevoerd tussen zionisten en traditionele vrome joden.
Hilbergs boek kwam vooral in de belangstelling doordat Hannah Arendt in Eichmann in Jerusalem (1963) sterk op hem leunde.146 Arendt (1906-1975), geboren in een geassimileerde Duits-joodse familie, was in 1933 uitgeweken naar Parijs, waar zij werkte voor een zionistische organisatie die joodse kinderen naar Palestina zond. Ten tijde van de Duitse aanval op West-Europa werd zij vanwege haar Duits staatsburgerschap geïnterneerd. Zij benutte de chaos in de dagen na de wapenstilstand om het kamp te verlaten.147 Begin 1941 kwam zij in de Verenigde Staten aan,

Hannah Arendt, 1963 (foto Alfred Beenheim).
waar zij zich vergeefs beijverde voor het op de been brengen van een joods leger om deel te nemen aan de strijd tegen het nationaal-socialisme. In 1943 verliet zij de zionistische organisatie aangezien zij zich niet kon verenigen met de politieke koers. Zij was voorstander van een bi-nationale staat in Palestina en had een diepe afkeer van het groeiend joods nationalisme en chauvinisme.148
Arendt beschouwde echter het gedrag van de vervolgde joden geenszins als specifiek joods. Zij bestreed Bettelheims analyse van joodse passiviteit in termen van ‘getto-mentaliteit’: ‘Mr Bettelheim looks for a Jewish problem where it does not exist.’149 En in tegenstelling tot wat dikwijls wordt aangenomen, liet Arendt zich in haar boek niet beschuldigend uit over joodse lijdzaamheid. Integendeel, zij vond de vraag die tijdens het proces voortdurend aan de getuigen werd gesteld: Waarom hebt u zich niet verzet? ‘wreed en onnozel’. Voor een antwoord wees ze de lezer op het gruwelijke lot van de ruim vierhonderd Amsterdamse joden, die in februari 1941 werden gearresteerd bij wijze van vergelding voor het bekende incident in de ijssalon waarbij een Duitse politieagent gewond was geraakt.150 Arendts preoccupatie was niet de passiviteit van individuele joden, maar het optreden van de Joodse Raden. In plaats
van de speelruimte tussen verzet en collaboratie te benutten, waren zij in haar visie een instrument in handen van de vervolgers geweest.
Hilberg en Arendt werden, veelal tezamen met Bettelheim, scherp aangevallen, zowel op het niveau van de feiten als op dat van de interpretatie. Bettelheim mengde zich in het debat aan de zijde van Arendt, omdat hij - ten onrechte - meende in haar boek steun te vinden voor zijn analyse van joodse passiviteit.151 Yad Vashem-onderzoeker Nathan Eck, die tijdens de oorlog als socialistisch-zionist actief was geweest in de illegaliteit in het getto van Warschau, noemde Hilbergs analyse - overigens pas zes jaar na verschijning - anachronistisch.152 In de twintigste eeuw, stelden hij en anderen, hadden de joden al gebroken met een verleden van passiviteit en waren niet langer louter object van de geschiedenis. Sommige zionistische historici, niet de minsten onder hen, gingen nog verder en beweerden dat joden in de diaspora van meet af aan onafhankelijk initiatief hadden tentoongespreid, niet alleen in het godsdienstige, maar ook in het economische, sociale en politieke domein.153 Voorts wezen critici erop dat Hilberg, Arendt en Bettelheim geen historici waren, geen joodse bronnen hadden geraadpleegd en onvoldoende waren ingevoerd in de joodse geschiedenis.154 Daarom ontbrak het hun volgens de critici aan inlevingsvermogen.
Een van de meest actieve opponenten was de jurist Jacob Robinson (1889-1977), geboren in Litouwen en sinds 1940 in de Verenigde Staten woonachtig. Daar richtte hij het Institute of Jewish Affairs op en was hij vanaf 1957 belast met de coördinatie van onderzoek bij zowel het yivo als Yad Vashem. Als raadgever van de openbare aanklager was hij nauw betrokken geweest bij het proces tegen Eichmann. Op Arendts boek over de geruchtmakende terechtzitting reageerde hij met And the Crooked Shall Be Made Straight. The Eichmann Trial, the Jewish Catastrophe, and Hannah Arendt's Narrative (1965). In ruim vierhonderd bladzijden trachtte Robinson haar beweringen een voor een te weerleggen. In een apart hoofdstuk behandelde hij per land de fouten die hij in Arendts betoog had ontdekt.
Evenals Friedman en Dinur vond Robinson het een simplificatie om uitsluitend gewapend verzet als verzet te beschouwen. Joods verzet, schreef hij, bestond primair uit ‘een praktisch universele poging om menselijk leven en waardigheid te behouden oog in oog met de terreur van de nazi's’. Deze vorm van verzet, schreef hij, was de algemene reactie van de joodse massa's in Oost-Europa en was stevig geworteld in de joodse traditie.155
Het boek van Robinson moet gezien worden in het licht van de niet-aflatende strijd die Yad Vashem, als reactie op vermeende beschuldigingen aan het adres van de joden, voerde voor historische rehabilitatie van de Europese joden. Het is in dit verband veelzeggend dat Yad Vashem haar eerste wetenschappelijke conferentie wijdde aan het joods verzet. Deze werd gehouden in 1968 en viel samen met de vijfentwintigste herdenking van de opstand in het getto van Warschau. De meeste bijdragen waren sterk apologetisch van toon en inhoud. Het verzet van joden werd verheerlijkt en overdreven.156 De Jong was uitgenodigd deze conferentie bij te wonen. Een opmerking van Henriëtte Boas in de Israëlitische pers over zijn prille sympathie voor het zionisme was voor de organisatoren aanleiding geweest zich nader op De Jongs deelname te beraden. De mededeling van De Jong dat Boas op dit punt onjuiste informatie had verschaft, was kennelijk afdoende geweest, want tijdens de openingszitting voerde hij het woord namens de buitenlandse deelnemers. Hij sprak in bewogen bewoordingen en liet niet na een direct verband te leggen tussen het joodse verzet tijdens de oorlogsjaren en de destijds actuele situatie in Israël.157
In het slotwoord prees Robinson het joodse volk om zijn heldhaftig optreden ten tijde van de vervolging door de nazi's. Vergeleken met andere groepen, stelde hij onder verwijzing naar de bijdrage van Henri Michel, de Franse historicus van het verzet, hadden de joden de extreme en uitzonderlijke omstandigheden in aanmerking genomen zich positief onderscheiden. Hij noemde met name de miljoenen krijgsgevangenen uit de Sovjet-Unie, die ondanks hun militaire ervaring vrijwel geen verzet hadden gepleegd. Robinson verklaarde het zijns inziens voorbeeldige gedrag van joden uit hun duizendjarige ervaring met vervolging en verzet. Als gevolg hiervan, stelde hij, ‘both the instinct of life and the instinct of revolt had been deeply imprinted in the people [...]’. Hiermee verklaarde Robinson de reacties van joden evenals Hilberg uit joodse ervaringen in de eeuwen voorafgaand aan de nationaal-socialistische massamoord. Maar Robinson ontwaarde daarin juist activisme en een neiging tot rebellie.158 Het tijdstip waarop de conferentie werd gehouden is wellicht een verklaring voor de opgetogenheid van Robinson: een jaar na de Israëlische overwinning in de Zesdaagse Oorlog, die leidde tot een uitbarsting van nationalistische gevoelens.
Ook de Amerikaanse historica Lucy S. Dawidowicz (1915-1990) stelde in The War against the Jews (1975), zonder twijfel mede als reactie op Hilberg, juist de reacties van vervolgden centraal. Zij sloot zich gedeelte-

De openingszitting van de Yad Vashem-conferentie over joods verzet, 7 april 1968. Onderste rij, tweede van links: Loe de Jong.
lijk aan bij Hilbergs typering van het gedrag van joden. Vanzelfsprekend, schreef zij, vielen zij terug op strategieën die in het verleden succesvol waren gebleken. Maar anders dan Hilberg schreef zij met grote waardering over de overwegend fatsoenlijke en menswaardige wijze waarop de joden zich onder omstandigheden zonder precedent hadden gedragen.159 Zowel Robinsons slotwoord op de Yad Vashem-conferentie als de visie van Dawidowicz illustreren dat het debat niet zozeer ging over de analyse van de reacties van joden, maar vooral over de waardering daarvan.
Een latere reactie op de discussie kwam in 1979 van de pionier Trunk, met de publicatie van Jewish Responses to Nazi Persecution. Dit werk bestaat uit twee delen, een inleiding over de wijze waarop joden zich gedroegen tijdens de extreme omstandigheden en tweeënzestig ooggetuigenverslagen afkomstig uit de yivo-collectie. In het voorwoord neemt Trunk afstand van de opvatting dat de joodse slachtoffers passieve objecten waren. Hij distantieert zich eveneens van apologetische geschiedschrijving over joods verzet, en vraagt in plaats daarvan aandacht van onderzoekers voor het dagelijks leven van joden onder nationaal-
socialistische heerschappij.160 In zijn inleiding presenteert Trunk een ordening van sterk uiteenlopende reacties op de vervolging, beginnend bij economische activiteiten zoals smokkelen, via moreel, religieus en cultureel verzet uitkomend bij politieke reacties van vooral jongeren in ondergrondse organisaties en ten slotte gewapend verzet.161 Trunks studie heeft echter vrijwel in zijn geheel betrekking op Oost-Europa.
Dit geldt eveneens voor de meeste werken die in de jaren zeventig en tachtig verschenen, waarin juist het verzet van joden centraal staat in een poging de beweringen van Hilberg te weerleggen. Het oostelijk deel van Europa was voor de Tweede Wereldoorlog nu eenmaal het centrum van joods leven.162
Inmiddels wordt Hilbergs studie in brede kring als een standaardwerk beschouwd. In 1985 verschenen een gecorrigeerde en uitgebreide tweede editie en Duitse en Franse vertalingen. Het is opvallend dat de auteur de passages over de reacties op de vervolging vrijwel ongewijzigd heeft gelaten. Kennelijk meent hij dat zijn analyse van 1961 als generalisatie door sedertdien gepubliceerd onderzoek niet fundamenteel is ondermijnd.
De herdruk van Bettelheims boek (1986) laat daarentegen wel een belangrijke verschuiving zien. In de inleiding legt hij niet langer de nadruk op het gedrag van individuele joden, maar wijst hij op de belangrijke rol van de omgeving. Om onder extreme omstandigheden zoals in de kampen niet de moed te verliezen, schrijft Bettelheim, is de opstelling van de buitenwereld van groot belang. Als de vervolgden elders welkom waren geweest, zouden volgens hem veel meer joden hebben overleefd. Zij zouden in grotere getale hebben geprobeerd tijdig het Europese continent te ontvluchten en een aanzienlijk grotere groep zou verzet hebben gepleegd. ‘That nobody but the Jews cared for the Jews, and that even many Jews o