Het verhaal van de jodenvervolging dat Herzberg, Presser en De Jong presenteren is, zoals elk geschiedverhaal, het resultaat van een dikwijls moeizaam proces, dat zich grotendeels in de beslotenheid van de werkkamer afspeelt. De confrontatie met de bronnen, de selectie, de interpretatie en ten slotte de compositie voltrekken zich buiten het gezichtsveld van de lezer. Hem wordt het resultaat voorgezet, een verhaal met een zekere innerlijke logica en vanzelfsprekendheid. Hoogstens wordt de lezer in een woord vooraf een zorgvuldig geregisseerd kijkje achter de schermen gegund. De auteur pleegt hierin mededelingen te doen omtrent zijn motivatie en bijzondere problemen en ervaringen tijdens de voorbereiding aan te stippen.
Uit menig voorwoord van studies over de jodenvervolging kan worden opgemaakt dat de vervolging en vernietiging van de joden onder nationaal-socialistische heerschappij historici voor uitzonderlijke problemen stellen. Saul Friedländer heeft de aandacht gevestigd op het ‘gevoel van onbehagen’ dat de historicus bekruipt wanneer hij wordt geconfronteerd met dit complexe historisch verschijnsel. Ter illustratie noemt Friedländer uitlatingen van drie vooraanstaande historici, Raul Hilberg, Charles Maier en Arno Mayer. Ondanks het jarenlange, in het geval van Hilberg zelfs decennialange, onderzoek verklaarden zij de moord op de joden nog steeds niet te begrijpen.1 Herzberg, Presser en De Jong, voor wie wat er zich tussen 1933 en 1945 in Europa afspeelde niet alleen een abstracte en intellectuele, maar in de eerste plaats ook een persoonlijke aangelegenheid was, zijn niet gevrijwaard gebleven van deze crisisverschijnselen.
Tegen deze achtergrond komen in dit hoofdstuk methodologische aspecten van de geschiedschrijving van het Nederlandse drietal aan de orde, zoals het geraadpleegde bronnenmateriaal, de indeling van het verhaal, de begrenzing van het onderwerp en de wijze van presentatie van hun bevindingen. Vervolgens richt dit hoofdstuk zich op de wijze waarop de directe betrokkenheid van de drie Nederlandse auteurs zich in hun geschiedverhaal manifesteert. In dit verband krijgen stijlmidde-
len en technieken waarvan de geschiedschrijvers zich hebben bediend de nodige aandact.
De grootste uitdaging is ongetwijfeld de interpretatie van de jodenvervolging, die bij menig historicus het hierboven genoemde ‘gevoel van onbehagen’ oproept. De eerste vraag die zich hier opdringt is of Herzberg, Presser en De Jong zich in hun werk wel op het interpretatieve niveau hebben begeven. Voorzover dit het geval is, komt aan de orde welke interpretatie(s) van de vervolging en vernietiging van de joden zij - impliciet of expliciet - in hun geschiedschrijving bieden. In het verlengde hiervan wordt tevens de morele en pedagogisch-didactische dimensie van hun benadering aan de orde gesteld.
Vervolgens worden enkele van de bovengenoemde theoretische aspecten in een internationale context besproken. Het betreft hier niet zozeer een systematische internationale vergelijking, maar een confrontatie van het werk van de drie Nederlanders met relevante historiografische discussies. Deze kunnen een verhelderend licht werpen op verschillende wezenlijke aspecten van hun geschiedschrijving van de jodenvervolging en deze in een ruimer kader plaatsen.
Slechts enkele jaren na de bevrijding moest Herzberg woekeren met het bronnenmateriaal en de literatuur die hem ter beschikking stonden. In zijn woord vooraf maakt hij de lezer attent op het ontbreken van de documenten van de Duitse bezettingsautoriteiten. Daarentegen was, schrijft hij, ‘het materiaal over de motieven en de vormen van de Europese jodenvervolging [...] een [...] overstelpende hoeveelheid’. Hij had gebruikgemaakt van de collecties van het cdjc in Parijs, de Wiener Library in Londen en uiteraard die van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Voorts wijst hij erop dat in het bijzonder zijn verslag over de kampen bij lange na niet volledig is.2 Ondanks zijn professionele en grondige aanpak verklaart hij zijn studie niet te beschouwen als wetenschappelijke literatuur, maar als een ‘algemene publicatie’.3 Op grond hiervan heeft hij afgezien van een uitgebreid notenapparaat. Verwijzingen zijn zoveel mogelijk in de lopende tekst verwerkt. Daarnaast vermeldt hij herhaaldelijk aan het begin van een paragraaf in een voetnoot waar hij deze op heeft gebaseerd.4
Kroniek opent met een korte beschrijving van de Duitse inval in mei
1940 en de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten enkele dagen later. De overrompeling en de capitulatie van Nederland, schrijft Herzberg, betekenden dat ‘de Joden in Nederland hun eigen weg [zouden] moeten gaan, ondanks alle hulp en medeleven. Zij kregen, tegen wil en dank, een eigen levenslot te dragen.’ Hij onderstreept dat zijn verhaal geen Nederlandse, maar joodse geschiedenis betreft.5
De titel lijkt op het eerste gezicht te suggereren dat de auteur slechts de gebeurtenissen in chronologische volgorde presenteert, zonder al te grote onderlinge samenhang. Maar de opmerking waarmee Kroniek besluit maakt duidelijk dat Herzberg zijn werk ziet als een schakel in de joodse geschiedenis. De laatste woorden zijn gewijd aan de kort tevoren uitgeroepen staat Israël, waar, schrijft Herzberg, ‘een nieuw boek der kronieken’ was geopend. Joodse gemeenten in de diaspora hadden sinds jaar en dag notulen boeken bijgehouden, waarin de belangrijkste gebeurtenissen werden opgetekend. Afgezien hiervan overschrijdt hij ook met het hoofdstuk ‘Jodenvervolging en wereldpolitiek’ de grenzen van het genre van de kroniek. Hierin behandelt hij de plaats en rol van de jodenvervolging in de nationaal-socialistische politiek die in Duitsland werd ontwikkeld. Daarna volgt een beschrijving van de diverse maatregelen die de joden in Nederland stapsgewijs in een isolement dreven en van hun bezittingen beroofden.
Met het begin van de deportaties in juli 1942 treedt in Herzbergs verhaal de volgende fase in, die hij bespreekt in het hoofdstuk met de titel ‘Endlösung der Judenfrage’. Na een afzonderlijk chapiter aan de Joodse Raad te hebben gewijd, komen de verschillende kampen aan bod. In de paragraaf over Bergen-Belsen, het kamp waar hij zelf geïnterneerd is geweest, merkt hij op dat hij de ergste gruwelen heeft weggelaten.6 In zijn slotbeschouwing verklaart hij dat dit een weloverwogen keuze is ‘daar de wreedheid besmettelijk is en de betrokken feiten slechts in de wetenschappelijke litteratuur, doch niet in een algemene publicatie als de onderhavige thuisbehoren’.7
Op dezelfde plaats vestigt hij onder meer de aandacht op het relatief hoge percentage uit Nederland weggevoerde joden en oppert hiervoor verschillende mogelijke verklaringen, maar noemt het ‘hoogst onwaarschijnlijk’ dat dit was veroorzaakt door een relatief gebrek aan hulp van de kant van de niet-joodse bevolking.8 Voorts bespreekt hij de toename van het antisemitisme gedurende de Duitse bezetting.9
Anders dan Herzberg, die zijn verhaal langzaam op gang liet komen met
een sfeertekening, kwam Presser in de eerste zin van Ondergang direct terzake.
‘Dit boek behelst de geschiedenis van een moord. Een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd. De moordenaars waren Duitsers, de vermoorden Joden, in Nederland ongeveer honderdduizend, nog geen twee percent overigens van het totaal aantal slacht-offers, door deze Duitsers bij hun Endlösung der Judenfrage gemaakt.’10
Van de massamoord, vervolgt Presser, wilde hij in Ondergang ‘[...] de geschiedenis geven, niets meer, niets minder dan de geschiedenis, het bericht dus van de feiten in tijdsvolgorde en oorzakelijke samenhang, een bericht, berustend op documenten en op elk punt controleerbaar’.11
Hij begint zijn relaas met de Duitse inval in Nederland en beklemtoont in de inleiding van het eerste hoofdstuk het Europese karakter van de jodenvervolging.12 Het eerste deel van Ondergang bestaat uit vier hoofdstukken. De drie fasen waarin de bezettingsjaren uiteenvallen, vormen elk een hoofdstuk: het eerste beslaat de periode tot september 1941 (‘Naar het isolement’), het tweede het tijdvak van september 1941 tot juli 1942 (‘Van isolement tot deportaties’) en het derde dat van juli 1942 tot september 1943 (‘De deportaties’). Het vierde hoofdstuk van deel 1 is in zijn geheel aan de Joodse Raad gewijd. In het tweede deel worden allereerst in een verzamelhoofdstuk tal van uiteenlopende aspecten van de vervolging behandeld, variërend van verzet van joden tot werkkampen voor gemengd-gehuwden. Tenslotte worden achtereenvolgens de onderduik, de doorgangskampen en de concentratiekampen in afzonderlijke hoofdstukken behandeld.
Presser had aanzienlijk meer bronnenmateriaal tot zijn beschikking dan zijn voorganger. In een overzicht van de documentatie, dat meer vragen oproept dan beantwoordt,13 somde hij de collecties op waarvan hij gebruik had gemaakt: Duitse en Nederlandse archieven (overheidsinstellingen in bezet gebied), archieven van joodse instellingen en personen (dat van de Joodse Raad noemde hij ‘misschien het belangrijkste archief voor dit hele onderzoek’), van de illegaliteit en van enkele naoorlogse instellingen.14
Tevens vermeldt hij dat het gemakkelijker was geweest als hij de ge-
beurtenissen in Nederland zowel in de ruimte als in de tijd meer had geïsoleerd.15 Zeker wat het laatste betreft is het echter niet goed voorstelbaar hoe hij dit meer had kunnen doen dan in Ondergang het geval is. Het geschiedverhaal begint in mei 1940 met de Duitse inval en eindigt met de bevrijding van de concentratiekampen en krap twee bladzijden over de terugkeer. De Jong en Sijes hadden bij Presser vergeefs aangedrongen op een inleiding over de positie van de joden in Nederland, in elk geval sedert 1933.16 Hierna volgt nog een korte epiloog, waarin Presser enkele aspecten van de naoorlogse periode behandelt die rechtstreeks verband houden met de jodenvervolging. Afgezien van een sporadische internationaal vergelijkende opmerking in het eerste deel,17 wordt de Nederlandse grens vooral overschreden in deel 2, wanneer de lotgevallen van de gedeporteerde joden in den vreemde worden behandeld. Presser put hier regelmatig uit internationale literatuuur over de diverse kampen. Zijn collega's De Jong en Sijes hadden hem aangespoord in de epiloog een Europese vergelijking op te nemen, en hem voor dat deel verwezen naar het Eichmann-vonnis.18 Presser honoreerde dit verzoek echter niet, want in zijn slotbeschouwing ontbreken internationale opmerkingen.
Van zijn internationale contacten noemt Presser Alfred Wiener als de belangrijkste. In 1951 verrichtte Presser onderzoek in Londen, hiertoe in staat gesteld door een subsidie van de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (zwo), tegenwoordig nwo. Voorts vermeldt hij dat hij korte tijd had doorgebracht op het cdjc in Parijs en in Italië ‘nuttige contacten’ had gelegd met ‘vooraanstaande Joodse persoonlijkheden in Rome, Milaan en Venetië’. Uit een verslag van zijn reis naar Italië in het voorjaar van 1955, waarvoor hij wederom een subsidie van zwo ontving, blijkt dat hij geïnteresseerd was in aspecten van de jodenvervolging in Italië vanwege de bijzondere omstandigheden die samenhingen met het bewind van Mussolini. Hoewel hij tevreden was over de resultaten, is daar in Ondergang in elk geval rechtstreeks nauwelijks iets van terug te vinden.19
Behalve van de genoemde archieven maakte Presser vooral in de hoofdstukken over de onderduik en de kampen veelvuldig gebruik van zogeheten egodocumenten, de door hemzelf geïntroduceerde term voor bronnen met een uitgesproken persoonlijk karakter zoals memoires, dagboeken en brieven. Genoemde hoofdstukken wemelen van de citaten die de auteur als het ware aan elkaar schrijft. Aan deze bron besteedde hij in de verantwoording van de documentatie uitvoerig aandacht.
Vooral de dagboeken van Mechanicus en Koker, respectievelijk over Westerbork en Vught, schrijft hij, waren bijzonder nuttig geweest.20
Wat het notenapparaat betreft verklaart hij zich te hebben beperkt ‘tot het onmisbare’ zonder de lezer in te lichten over het gehanteerde criterium. In de passages die niet van een verwijzing zijn voorzien, wordt de bron dikwijls in de lopende tekst omschreven. Op sommige plaatsen volstaat Presser met een minimale aanduiding (‘Een Joodse ambtenaar schreef [...]’)21, in andere gevallen geeft hij vrij nauwkeurige informatie. Hij vermeldt dan bijvoorbeeld dat hij citeert uit een brief van Rauter aan Himmler van 10 september 1942.22 Over de vindplaats laat hij de lezer echter in het ongewisse. Belangstellenden verwijst hij naar het manuscript dat zich in het archief van het riod bevindt, terwijl hij de lezer verzekert dat zijn geschrift ‘in al zijn details op bronnen berust, door ons gehanteerd volgens de daarvoor nu eenmaal bestaande maatstaven’.23
In zijn bespreking van Ondergang heeft Schöffer er terecht op gewezen dat verwijzingen mede bedoeld zijn om te laten zien welke bronnen de auteur heeft gebruikt. Daarnaast bieden ze hem de gelegenheid zich te verhouden tot andere interpretaties en geven ze de lezer aanwijzingen voor voortgezet onderzoek. De verklaring van Presser voor het ontbreken van verwijzingen moet zonder meer onbevredigend worden genoemd.
Wie het manuscript raadpleegt, komt bovendien terecht in een labyrint van ondoorgrondelijke lijsten die voor de auteur en de medewerkers van het instituut die Presser bijstonden, hopelijk begrijpelijk zijn geweest. In de kantlijn van het manuscript staan indrukwekkende cijfercombinaties, die terugkeren op genoemde lijsten. Hieruit wordt de geïnteresseerde onderzoeker geacht op te maken welke stukken uit welke collecties van het riod voor de betreffende passage werden gebruikt. Alleen secundaire bronnen, dat wil zeggen literatuur, worden niet met een nummer, maar met een afgekorte omschrijving aangeduid. Maar ook de meeste van deze verwijzingen zijn welbeschouwd alleen voor ingewijden rechtstreeks te begrijpen.24 Vanuit historisch-wetenschappelijk oogpunt is de onbevredigende annotatie een belangrijke belemmering voor nader onderzoek en debat.
Uit het manuscript blijkt eens te meer hoezeer Ondergang aan documenten en literatuur is gebonden. Vrijwel elke alinea werd geschreven op basis van meestal één bron. Het is nauwelijks overdreven te stellen dat Ondergang een becommentarieerde bronnenpublicatie is geworden.
Dit is het resultaat van een weloverwogen beslissing van de auteur. Tijdens de voorbereiding hebben vorm en omvang van het boek hem voortdurend zorgen gebaard, vooral omdat hij Herzbergs Kroniek ‘onovertreffelijk’ vond. Had het zin een tweede verhalend boek over de jodenvervolging te schrijven? In dit verband heeft hij zelfs overwogen een bloemlezing van de meest treffende documenten met verbindende tekst te schrijven. Hoewel hij hiervan terugkwam, volgt hij in zijn monografie de documenten op de voet. Hierin en in de grote hoeveelheid citaten waarin hij de doden wilde laten spreken, zocht hij de meerwaarde van zijn werk ten opzichte van dat van Herzberg.25
Wellicht liet Presser zich op dit laatste punt mede inspireren door de zware kritiek van M.H. Gans op Kroniek. Deze had het verhaal van Herzberg hevig bekritiseerd juist vanwege het naar zijn mening eenzijdige gezichtspunt - dat van de Joodse Raad en degenen die in het bezit waren van een fel begeerde Sperre - dat volgens hem neerkwam op ‘een in de steek laten van onze doden’.26 Presser wilde met Ondergang zoveel mogelijk het tegendeel bewerkstelligen. Overigens repte hij hier niet over in de brief waarmee hij Herzberg bedankte voor toezending van Kroniek. Hij liet hem slechts weten diep ontroerd te zijn en beloofde Herzberg in zijn eigen boek op Kroniek terug te zullen komen.27
In de talrijke becommentariërende passages permitteert Presser zich een grote vrijheid. Hij beschouwde dit zelf allerminst als problematisch. Zijn geschiedschrijving, verklaarde hij tegenover Bregstein, was ‘in hoge mate belletrie’.
‘Voor mij zijn althans die genres binnen mij nauwelijks te scheiden. Het is allemaal een kwestie van meer of minder - ik nagel het dan natuurlijk wel vast op een kwantitatief verschil. Ik sta onmiddellijk open voor ieder die scherper ziet dan ikzelf en vind dat dit kwantitatieve verschil niettemin een kwalitatief verschil verbergt, maar ik kan alleen maar zeggen dat ik het niet zie.’28
Ook het omgekeerde was het geval, want De nacht der Girondijnen, stelde hij, was ‘in heel sterke mate geschiedenis’.29 Hij onderstreepte dat de ervaringen van de jongeman in deze novelle ‘volstrekt historisch’ waren: ‘Ik zeg het met enige nadruk omdat ik wel eens als kritiek te horen heb gekregen dat ik nu wel dit of dat schreef maar dat dat niet in Westerbork gebeurd kán zijn. Bij alles wat erin staat, behalve natuurlijk een paar kleinigheden, moet ik zeggen dat het volstrekt historisch is. Het is helemaal zo gebeurd.’30
Het is veelbetekenend hoe gemakkelijk Presser hier over ‘een paar kleinigheden’, die hij overigens niet nader toelichtte, heen stapte.
In Ondergang waren het geen ondergeschikte details maar juist cruciale kwesties waarover hij, alle onzekerheid ten spijt, een vermoeden of veronderstelling uitsprak. Dit deed hij bijvoorbeeld in zijn behandeling van het optreden van de voorzitters van de Joodse Raad. De behoefte om namens de vermoorde joden te spreken was hier kennelijk zo sterk dat hij zich verplicht voelde te formuleren hoe zij vermoedelijk dachten over de joodse leiders, waarna hij de vernietigende aanklacht tegen Asscher en Cohen liet volgen.31 Later heeft hij bovendien verklaard dat hij deze pagina destijds in één keer had geschreven en er daarna nooit meer iets aan had hoeven veranderen.32
De passage over de onschuld van Weinreb berustte eveneens op een veronderstelling. Presser liet niet na de lezer hierop te wijzen, maar verklaarde tegelijkertijd ervan overtuigd te zijn dat Weinreb ten onrechte was veroordeeld.33 Het is niet toevallig dat hij uitgerekend in deze kwesties eerder blijk gaf van onbetwistbare zekerheden en overtuigingen dan van een analytische houding. Beide kwesties draaiden direct of indirect om het vraagstuk van collaboratie. Medelijden en solidariteit met de slachtoffers wogen voor hem zwaarder dan de wetenschappelijke analyse waarin het op argumenten aankomt. De vereenzelviging met de slachtoffers kreeg de voorrang boven de rol van professioneel historicus.
Uit het slot van Ondergang spreekt dat de drijfveer de vermoorde joden te herdenken voor Presser allesoverheersend was. Hij besluit zijn tweedelige studie met Requiescant, de bijna bezwerende formule die hij door het meer dan duizend bladzijden tellende verhaal had gevlochten. De slotpassage van Kroniek was met nadruk op de toekomst gericht. Presser constateert slechts gelaten dat het leven voortgaat, maar bepleit de noodzaak de slachtoffers te herdenken. ‘Zo zouden wij kunnen doorgaan. Genoeg hiervan. Het heeft geen zin. Het leven gaat voort, zo ook de geschiedenis. “Aber zuweilen muss einer da sein, der gedenkt.” Die hier herdacht heeft - heeft trachten te herdenken. Requiescant.’34
De Jongs relaas over de jodenvervolging ontvouwt zich in Het Koninkrijk geleidelijk en verspreid over de verschillende delen, maar tezamen kunnen de diverse hoofdstukken worden beschouwd als een monografie. Anders dan zijn beide voorgangers, besteedde De Jong aandacht aan de positie waarin joden in Nederland zich in de jaren dertig bevonden. Dat Herzberg en Presser dit achterwege hadden gelaten, achtte hij een
tekortkoming in hun werk. Hier bleef het niet bij, want hij laste ook een beschouwing in over de voorgeschiedenis van de vervolging en de wortels van het antisemitisme in Europa en Nederland. Naar de mening van sommige leden van de begeleidingscommissie ging De Jong hierbij te ver terug in de geschiedenis. Hijzelf was er echter van overtuigd dat hij deze lange aanloop nodig had om de vernietiging van de joden ‘werkelijk te kunnen verklaren’.35
Het achtste deel is in zijn geheel gewijd aan het lot van gevangenen en gedeporteerden en vormt als zodanig een uitzondering binnen de serie. In de opzet is gedeeltelijk het plan uit 1948 herkenbaar om een drieluik te publiceren over deportatie en gevangenschap van Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarvan was met de publicatie van Ondergang alleen het deel over de lotgevallen van de joden gerealiseerd. Met deel 8 verwezenlijkte De Jong alsnog het voornemen uit de beginjaren van het riod om de ervaringen van de verschillende groepen gevangenen apart maar toch samen te behandelen.36
Hij opent dit deel met een hoofdstuk over het Duitse systeem, dat in de opzet uit 1948 al was voorzien. ‘Geen Nederlandse geschiedenis biedt dit inleidende hoofdstuk dus,’ schrijft De Jong, ‘maar Duitse, zo men wil: Europese.’ Om de lotgevallen van de verschillende groepen slachtoffers van het Duitse dwang- en vernietigingssysteem te kunnen begrijpen, was het volgens hem nodig eerst dat systeem te schetsen ‘in zijn oorsprong, zijn methodiek, zijn groei en zijn effect’.37 De uitvoerigheid waarmee hij dit deed, ging menigeen in de begeleidingscommissie te ver. De Jong was echter onvermurwbaar; hij beschouwde de lengte van de inleiding ‘bij de hier te behandelen materie als noodzakelijk’.38 Het betreffende hoofdstuk is toegespitst op de systematiek die aan de kampen ten grondslag lag en is hoofdzakelijk gebaseerd op het hoofdstuk van de Duitse historicus Martin Broszat over de nationaal-socialistische concentratiekampen uit het standaardwerk Anatomie des ss-Staates (1965) en Les Camps de Concentration dans l'Economie du Reich hitlérien (1973) van zijn Franse collega Joseph Billig.
Maar voor het overige blijft De Jongs geschiedverhaal wat de jodenvervolging betreft, evenals dat van Herzberg en Presser, beperkt tot Nederland. De begeleidingscommissie vroeg herhaaldelijk naar een vergelijking met gebeurtenissen in andere landen, maar De Jong hield op dit punt de boot af.
‘In deze beschrijvende delen wil ik aan gebeurtenissen elders
slechts aandacht besteden voorzover die gebeurtenissen rechtstreeks tot de ontwikkelingen in bezet Nederland bijgedragen hebben. [...] Ook in mijn beschrijving van het algemene oorlogsverloop wil ik kort zijn, waarbij ik mij dan concentreer op de algemene politiek en de algemene strategie.’39
Toch komt dit laatste in Het Koninkrijk veel uitvoeriger aan de orde, te uitgebreid naar de mening van A.F. Manning, die op dat moment voorzitter was van het bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. De Jong was echter van mening dat de lezer uit zijn boeken ‘niet alleen een beeld [moet] krijgen van wat in ons eigen land gebeurd is - hij moet ook een duidelijk en overzichtelijk beeld krijgen, op de inmiddels verschenen litteratuur gebaseerd, van hetgeen zich internationaal heeft afgespeeld, toegespitst natuurlijk op de oorlogsvoering’.40 Wat voor de oorlogsvoering had gegolden, was kennelijk niet aan de orde voor het thema jodenvervolging. Wat dit laatste thema betreft heeft De Jong zich beperkt tot de gebeurtenissen binnen de grenzen. Grensoverschrijdingen vinden alleen plaats wanneer hij de uit Nederland gedeporteerden volgt tot in de concentratiekampen. Nu was dit ook De Jongs opdracht, maar niets belette hem de Nederlandse situatie te plaatsen tegen de internationale achtergrond. Tijdens de discussie in de begeleidingscommissie over het ontbreken van een internationale vergelijking verklaarde hij dit in een slotdeel te willen doen.41 Dit voornemen bracht hij echter niet ten uitvoer.
In Het Koninkrijk worden dezelfde drie fasen in de jodenvervolging onderscheiden als in Ondergang: isolement (‘Naar het ghetto’), concentratie (‘Naar de “Endlösung”’) en ten slotte de deportaties.
Voorts koos De Jong evenals zijn beide voorgangers voor een overwegend verhalende presentatie. In de jaren zeventig was echter onder historici sprake van een verwetenschappelijking van de geschiedschrijving, die zich manifesteerde in een verschuiving van de narratieve naar een meer analytisch, probleemgerichte benadering.42 In de begeleidingscommissie uitte Manning dan ook kritiek op het sterk overheersende verhalend element in Het Koninkrijk en drong aan op meer ‘passages van [...] afrondende en analytische aard’. Hij kreeg nul op het rekest. De Jong verklaarde het ‘als [...] [zijn] eerste en voornaamste taak [te beschouwen] om te verhalen wat geschied is. Het spreekt vanzelf dat bij elk onderwerp algemene overwegingen mede een rol spelen - overwegingen die ik niet steeds expliciet vermeld.’ En hij herhaalde zijn voornemen in
het slotdeel een algemene terugblik op te nemen waarin hij de gebeurtenissen in Nederland zou vergelijken met die in de andere bezette landen van Scandinavië en West-Europa.43 Dit zou in overeenstemming zijn geweest met zijn eigen dringende, maar vergeefse verzoek aan Presser destijds om een internationale vergelijking in de epiloog van Ondergang op te nemen. Terwijl hij zich ten doel had gesteld zijn voorganger te corrigeren en aan te vullen waar hij dat nodig achtte, liet hij het op dit punt afweten. Zoals reeds werd vastgesteld, ontbreekt de aangekondigde vergelijking in deel 12, het laatste over de bezetting op Nederlands grondgebied.
Ook bezwaren tegen de beknoptheid van het notenapparaat legde De Jong naast zich neer. In het voorwoord van het eerste deel had hij al opgemerkt dat hij alleen bij citaten verwijzende noten had gemaakt. Ter verdediging van deze beslissing wees hij, onder verwijzing naar het voorwoord van zijn dissertatie, op het gedeeltelijk subjectieve karakter van geschiedschrijving. Het beeld dat de historicus presenteert, ontsproot volgens hem ‘niet uit maar aan het bronnenmateriaal’. De waarde van verwijzingen was in zijn ogen derhalve betrekkelijk.44 Dit aspect van De Jongs geschiedschrijving kwam in de begeleidingscommissie onder meer op tafel naar aanleiding van Schöffers recensie van de eerste drie delen. Naar diens mening was de auteur te spaarzaam met verwijzingen, waardoor problemen en onzekerheden voor de lezer verborgen bleven.45 De Jong gaf ronduit toe dat deze er volop waren (‘Die liggen er [...] overal en dat spreekt ook vanzelf.’) maar zei het verzoek om meer voetnoten niet te kunnen inwilligen. Dit zou te veel tijd vergen en de vaart uit zijn verhaal halen. Bovendien voerde hij als argument aan dat het algemene publiek daar ook geen belangstelling voor zou hebben. Dit betekent overigens niet dat De Jong zich de kritiek van vakgenoot Schöffer in het geheel niet aantrok. Hij verklaarde te zijner tijd wellicht een apart deel te zullen publiceren waarin hij de geraadpleegde bronnen en literatuur ‘systematisch naar onderwerpen geordend en eventueel ook toegelicht’ zou opsommen.46
Een dergelijke opsomming, zij het met belangrijke beperkingen, kreeg een plaats in deel 13 (1988), waarin tevens een overzicht van wijzigingen is opgenomen. In het gedeelte met de titel ‘Verantwoording’ noemt De Jong alle personen met wie hij in het kader van zijn opdracht gesprekken heeft gevoerd, maar van de archiefstukken presenteert hij slechts een selectie. De literatuur die door hem werd geraadpleegd, laat hij geheel en al onvermeld. Van een beredeneerde en naar onderwerpen geor-
dende opsomming, zoals hij in 1972 zei te zullen overwegen, is geen sprake. In een inleiding op de paragraaf waarin hij zijn bronnen opsomt, verdedigt hij nog eens zijn beslissing ten aanzien van het notenapparaat. Wat de populaire editie betreft, waarin hij verwijzingen geheel en al achterwege had gelaten, was hij overtuigd van de juistheid van zijn keuze. Hij maakte hier nauwelijks woorden aan vuil, maar beriep zich - in een voetnoot - op een uitspraak van de Amerikaanse toneel- en filmspeler John Barrymore, die hij had aangetroffen in Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys. Barrymore had een afkeer van voetnoten, die hij als volgt onder woorden zou hebben gebracht: ‘Het is [...] alsof je tijdens je huwelijksnacht telkens de trap af moet omdat er gebeld wordt.’47
Dat hij in de wetenschappelijke editie had volstaan met verwijzingen bij citaten, behoefde meer uitleg. Hij vermeldde de verzoeken uit de begeleidingscommissie om meer voetnoten in zijn verhaal op te nemen, maar verklaarde dat dit onmogelijk was, in zijn eigen woorden ‘dat feitelijke omstandigheden het mij onmogelijk maakten om er gevolg aan te geven’. Hij legde uit dat een weergave van het proces van afwegen van verscheidene bronnen een voortdurend terugkerende onderbreking van zijn beschrijvende werk zou hebben betekend, die hem ‘hoogst onaantrekkelijk’ voorkwam. Hier heeft het argument niet langer betrekking op het veronderstelde ongemak voor de lezer, maar op dat voor de auteur. Bovendien, stelde hij, zou een dergelijke aanpak de duur van het project aanzienlijk hebben verlengd en dit achtte hij om zowel persoonlijke als algemeen-maatschappelijke redenen ‘onaanvaardbaar’. De geïnteresseerde lezer verwees hij naar de verzameling van fiches die de grondslag vormen van Het Koninkrijk. Dit laat echter onverlet - zoals hij zelf ten besluit van de inleiding opmerkt - dat het proces van afwegen hierin niet zonder meer zichtbaar wordt.48
De argumenten die hij aanvoert voor zijn beslissing zijn zeker begrijpelijk en ook legitiem. Een uitgebreidere annotatie zou het waarschijnlijk onmogelijk hebben gemaakt de serie volgens de gekozen opzet in een mensenleven te voltooien. Desalniettemin is het ontbreken van noten vooral bij de behandeling van controversiële thema's - zoals passiviteit en collaboratie - problematisch en zelfs enigszins misleidend. De Jong wekt de indruk eenvoudigweg de feiten te presenteren of een probleem te verhelderen, zonder andere visies zelfs maar te noemen. Ditzelfde geldt voor Pressers Ondergang. Te meer daar De Jong en Presser in hun benadering van genoemde thema's wel degelijk door analyses en
visies van anderen werden geïnspireerd,49 hadden zij tenminste hier wellicht een uitzondering kunnen maken en de controverse kort kunnen aanduiden alvorens beargumenteerd positie te kiezen.
Het is opmerkelijk dat uitgerekend Herzberg, de advocaat-geschiedschrijver, de lezer in veel mindere mate een kant-en-klare voorstelling van zaken presenteerde. In zijn beoordeling van cruciale thema's bouwde hij zijn betoog zo op dat de lezer het proces van oordeelsvorming van de auteur stap voor stap kon volgen.50 De ervaring die hij als advocaat had opgedaan met het schrijven van pleitnota's zal hier ongetwijfeld aan hebben bijgedragen. Bovendien liet hij de lezer niet in het ongewisse over zijn levensbeschouwing. Doordat hij deze expliciet onder woorden bracht, werd zijn interpretatie doorzichtig. Per saldo maakte hij het de lezer zo gemakkelijk om eventueel met hem van mening te verschillen.
Deel 8 staat binnen Het Koninkrijk in verschillende opzichten op zichzelf. De Jong treedt hier duidelijk terug als verteller en citeert veelvuldig lange passages uit egodocumenten van slachtoffers. In de begeleidingscommissie vonden sommigen dat het grote aantal citaten de leesbaarheid niet ten goede kwam. Maar, legde De Jong uit:
‘[...] citaten vormen naar mijn oordeel een essentieel onderdeel van deel 8. Een belangrijke functie van dit deel is, de lezers nu en later te doen navoelen wat diegenen doorstonden wier schokkende ervaringen ik beschrijf. Ik meen er goed aan te doen, dit in een relatief groot aantal gevallen in de woorden van de gevangenen zelf te doen uitkomen. Er komen dus in deel 8 meer citaten voor dan in vorige delen [...].’51
Bestuurslid P.W. Klein maakte bezwaar tegen deze aanpak: ‘Soms lijkt het wel of er een halve bronnenpublikatie in het geding is! Tot de taak van de historicus dunkt mij vooral het kritisch evalueren van bronnen te behoren, niet het simpelweg weergeven daarvan [...]. Bovendien lijkt het alsof de citaten de werkelijkheid weergeven.’52 De Jong verdedigde zijn werkwijze en achtte de door hem ‘weergegeven citaten in overeenstemming [...] met de historische werkelijkheid, zoals die door de betrokkenen beleefd is’. Aan de vraag naar meer evaluerende opmerkingen over de herinneringen verklaarde hij niet te kunnen voldoen wegens het ontbreken van wetenschappelijke studies. Klaarblijkelijk voelde De Jong zich geremd om op dit punt zelf te analyseren. Omdat er ten aanzien van tal van overige thema's en aspecten van een dergelijke remming
geen sprake was, vormt De Jongs aanpak van de kampervaring een breuk in zijn werkwijze. De combinatie van het onderwerp met zijn subjectpositie van overlevende leidde ertoe dat de spanning met de analyse, als wezen van professionaliteit, zich juist in dit deel zo duidelijk manifesteert. Verderop in dit hoofdstuk zal nog worden besproken dat de breuk in De Jongs methodiek niet uitsluitend het gevolg was van terughoudendheid.
In hetzelfde deel moest hij ook de lijdensweg van joden beschrijven na hun vertrek uit Westerbork. Presser had dit naar zijn mening niet systematisch en niet uitvoerig genoeg gedaan. Mede hierom zag De Jong het als zijn taak de lotgevallen van de weggevoerde joden zo precies mogelijk te reconstrueren. Toen een van de medewerkers van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie hem erop wees dat zijn formulering over de ‘dood door verstikking’ niet juist was, wendde hij zich tot het Amsterdamse Farmacologisch Laboratorium. In een macabere correspondentie zette hoogleraar C. van der Meer uiteen welke de gevolgen zijn van de toediening van blauwzuurgas. Uiteindelijk besloot De Jong zijn aanvankelijke formulering te handhaven, maar hij schreef Van der Meer dat hij diens brief ‘mede daarom van belang [had] geacht omdat hij de eerste beschrijving bevat van het effect van blauwzuurgas die mij ooit onder ogen gekomen is. Hoeveel er ook over de vernietigingskampen en de gaskamers geschreven is, dit element heb ik er nooit in gevonden.’53
Niet iedereen in de begeleidingsgroep was overtuigd van de noodzaak gruwelijkheden zo gedetailleerd te behandelen als De Jong deed. Herzberg en Presser hadden beiden op dit punt terughoudendheid betracht. De Jong hield echter voet bij stuk. ‘Wat ik schrijf, heeft betrekking op 100.000 mensen. Ik acht mijn hoofdstuk niet te lang - niet in het kader van deel 8 en ook niet in het kader van mijn gehele werk.’54
Desalniettemin voorzag hij kennelijk kritiek op dit aspect van deel 8, want op de persconferentie die de presentatie van dit bijzondere deel begeleidde, legde hij verantwoording af voor de uitvoerige weergave van de wijze waarop gedeporteerde joden werden vermoord. Hij zei het als zijn plicht te hebben ervaren
‘zo uitgebreid en zo nauwgezet mogelijk alles weer te geven wat mij in het bijzonder over het uitroeiingsproces in de vernietigingskampen Auschwitz-Birkenau en Sobibor bekend is. Natuurlijk ben ik mij bewust dat dit in zijn mogelijk effect een bij uitstek hache-
lijk onderdeel was van de opgave die deel 8 vormde. Ik mocht daarbij geen ander uitgangspunt kiezen dan dat wat voor mijn gehele werk geldt: het is gebeurd, dus moet het vastgelegd worden.’
Tot degenen die wat hij had beschreven zelf hadden beleefd, richtte hij een waarschuwing. ‘U hoeft dit deel niet te lezen,’ zei hij, ‘u hebt de vervolging aan den lijve ervaren, u weet er genoeg van.’55 Daarnaast toonde hij zich ervan bewust dat ook nabestaanden van joodse gedeporteerden deze twee banden wellicht liever niet zouden openslaan. Hoewel hij bij die gelegenheid zijn eigen betrokkenheid onbesproken liet, impliceert deze opmerking waarschijnlijk tevens dat het schrijven van dit deel hem buitengewoon zwaar was gevallen. Hij behoorde immers zelf ook tot de groep die hij bij voorbaat als het ware permissie gaf deze bladzijden ongelezen te laten. Desgevraagd verklaarde hij in 1992 dat dit onderdeel van zijn opdracht ‘kwellend [was] om over te schrijven, ja, zonder twijfel, ik herinner me dat heel goed’.56
Terwijl De Jong bij de presentatie van deel 8 de eigen relatie tot het onderwerp niet aan de orde stelde, kan het de lezer van de gedeelten in Het Koninkrijk over de jodenvervolging vrijwel niet ontgaan dat de auteur direct betrokken is bij hetgeen hij daar behandelt. Ditzelfde geldt voor de lezer van Kroniek en Ondergang. Herzberg maakt in zijn voorwoord de lezer direct attent op zijn positie. Hij merkt hier op dat het moeilijk was het verhaal van de jodenvervolging te vertellen. Dit probleem klemde te meer, schrijft hij, omdat hij in hoge mate op zijn geheugen was aangewezen. En dat, vervolgde hij, ‘laat ons niet alleen in de steek, het bedriegt ons ook. Want wij waren niet alleen tijdgenoten en getuigen, maar ook belanghebbenden.’57
Presser formuleert iets vergelijkbaars, zij het in aanzienlijk bewogener bewoordingen, in zijn ‘Aan de lezer’. Gezien het karakter van het onderwerp, schrijft hij, had hij ‘meer dan eens’ getwijfeld aan de voltooiing van de studie. Op dezelfde plaats richt hij zich tot de joodse lezers. Hij stelt
‘dat geen enkele Jood, die bewust de genoemde periode meebeleefd heeft, “normaal” reageert op welke behandeling ook van deze
materie, de allerzakelijkste incluis (wat dit geschrift overigens noch kan noch wil wezen), d.w.z. zonder sterke, niet zelden hevige, soms zeer hevige emotionaliteit’.
Door daarna op te merken dat hij zelf ‘één van hen’ is, verklaart hij bovenstaande indirect tevens op zichzelf van toepassing.58
De Jong liet een verwijzing naar de eigen positie in het voorwoord van deel 1 achterwege. Voorzover uit diens overige uitlatingen valt op te maken, ervoer De Jong zijn betrokkenheid bij het onderwerp ook niet als een probleem. In een vraaggesprek (1987) dat kort voor publicatie van deel 12 werd gepubliceerd, beklemtoonde hij het belang van de geografische afstand die hij tot de gebeurtenissen in bezet Nederland had en het wetenschappelijke karakter van zijn professionele activiteiten:
‘Als ik als jood tijdens de bezetting in Nederland was geweest, al die angsten en ellende had moeten doorstaan, dan zou ik er [...] niet mijn hele leven mee bezig hebben kunnen blijven. Maar ik ben met doodsangst naar Engeland gevlucht, en die afstand heeft me het werken mogelijk gemaakt.’59
Bij dit citaat rijst de vraag of De Jong hier impliciet het wetenschappelijk karakter van het werk van zijn beide voorgangers, die de bezetting en de vervolging wel aan den lijve hadden ervaren, ter discussie stelde.
De psychologische afstand tot de gebeurtenissen was minder vanzelfsprekend. Desgevraagd verklaarde hij zijn betrokkenheid bij de geschiedenis waarmee hij zich zo langdurig bezighield echter niet als een probleem te hebben beschouwd, maar ‘juist als een groot voordeel’. Tijdgenoten zouden volgens De Jong ‘die dingen zoals ze zich afgespeeld hadden beter zien dan veel mensen later [...]’.60 Aan de beoefening van de contemporaine geschiedschrijving kleefden naar zijn mening geen bijzondere problemen. In 1949 schreef hij in een nota voor het Directorium het als een voordeel te beschouwen dat de contemporain historicus betrokkenen kan interviewen. Bovendien achtte hij het een onbewezen stelling dat de objectiviteit met het tijdsverloop zou toenemen.61
In elk geval staat de geschiedschrijver van de jodenvervolging voor de taak een werk- en leesbaar evenwicht te vinden tussen de emotie die het onderwerp bij de historicus oproept en de intellectuele afstand die nu
eenmaal vereist is om het onderzoek uit te voeren. De directe betrokkenheid van Herzberg, Presser en De Jong voegde hier een extra dimensie aan toe. Alvorens te onderzoeken hoe deze spanning zich in het geschiedverhaal manifesteert, wordt aan de hand van uitlatingen van het drietal geprobeerd hun opvattingen te achterhalen over de rol en plaats van emoties in hun geschiedschrijving.
Herzberg streefde ernaar zijn emoties niet alleen te beheersen, maar ook te overstijgen. Als antwoord op de vervolging in het algemeen en derhalve ook in de geschiedschrijving achtte hij een ‘post-emotionele reactie op onze beproevingen’ noodzakelijk.62 In 1965 schreef hij in een artikel in het niw over het onbevredigende gevoel dat hij had over de bestraffing van oorlogsmisdadigers:
‘Zo kom je er toe om in te zien, dat als je dit of dat hebt meegemaakt, dit of dat verdriet, deze of gene smart hebt ondergaan [...] dat het dan niet op de emoties aankomt, die je hebt beleefd, maar op de manier, waarop je ze hebt verwerkt. Niet de emotionaliteit is voor de schrijver van belang, maar de post-emotionaliteit.’63
Herzberg deed deze beide uitspraken geruime tijd na publicatie van zijn Kroniek. Ook daarin schreef hij echter al over de noodzaak van het ‘overwinnen’ van ‘een affectieve houding’.64 Daarom mag worden aangenomen dat dit beginsel Herzberg ook bij het concipiëren van zijn geschiedschrijving heeft geleid. Als geschiedschrijver probeerde hij de lezer ertoe te bewegen zich niet uitsluitend door zijn emoties te laten leiden, maar een poging te doen deze te overstijgen.65
De Jong heeft niet onder stoelen of banken gestoken dat de jodenvervolging en met name deel 8 voor hem een van de moeilijkste onderdelen van zijn opdracht vormde.66 Wat de rol en plaats van emoties in zijn werk betreft verklaarde hij in 1969 ‘een emotionele en zelfs persoonlijke ondertoon’ in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog ‘alleen maar eerlijk’ te vinden, hoewel hij beklemtoonde dat de emoties moesten worden gedisciplineerd terwille van de ‘objectiviteit’. Hiermee bedoelde hij dat de auteur probeert zich ‘van zijn te persoonlijke eigen emoties en vooroordelen [...] los te maken’.67
In dit verband vergeleek hij zichzelf ooit met ‘een chirurg die nare operaties moet doen, maar er zich niet voortdurend het hoofd over breekt - kàn breken’.68 Op het yivo-symposium in 1967 in New York,
dat door De Jong werd bijgewoond, had H.G. Adler al zijn toevlucht genomen tot de metafoor van de chirurg:
‘Hardly any of us is without emotions on subjects involving personal fate. However, we should behave like a surgeon who is absolutely cool while performing a cancer operation, despite the fact that his father died of cancer. After such a long time we must now try to be cool, even icy. It doesn't mean that we should be heartless. On the contrary, we should try to completely separate our personal feelings from our investigations. Otherwise our work will be hampered rather than furthered.’69
Adler had bekendheid en aanzien verworven met zijn monografie over Theresienstadt, Theresienstadt 1941-1945; das Antlitzeiner Zwangsgemeinschaft (1955), welk kamp hij uit eigen ondervinding kende. De Jong was bijzonder onder de indruk van dit boek, waarin Adler naar zijn mening de bijzondere moeilijkheden inherent aan het onderwerp op voorbeeldige wijze had overwonnen.70
Evenals Adler was De Jong klaarblijkelijk van mening dat het noodzakelijk én mogelijk was als historicus - ook wanneer de operatie de eigen familie betrof - een afstandelijk, overwegend rationeel gezichtspunt in te nemen. Hij werd in deze richting gestimuleerd door leden van de begeleidingscommissie. Brugmans vond de wijze waarop De Jong in zijn hoofdstuk ‘Naar het ghetto’ (deel 5) ‘het Jodenvraagstuk’ had besproken ‘niet te overtreffren’. Hij vond De Jongs behandeling ‘objectief in die zin dat de schrijver de feiten laat spreken zonder te vervallen in exclamaties en onnodige qualificaties. De deernis met de vervolgden valt tussen de regels door te lezen en zodoende beklemt de lezing van dit relaas meer dan ooit een vurige veroordeling had kunnen bewerken.’
Hoewel Brugmans Presser hier niet noemde, kan zijn lof voor De Jongs verhaal eenvoudig worden gelezen als kritiek op Ondergang. De vergelijking van A.G. Vromans, medewerker van de Indische Afdeling van het riod, van het betreffende hoofdstuk met het werk van Presser viel eveneens in het voordeel van De Jong uit: ‘Ik meen dat de waarde van het exposé van de “ondergang”, meer zakelijk wetenschappelijk en minder een uitgesproken gevoelsuiting dan Pressers werk, tenslotte meer indruk zal maken op de latere lezer, die zich de zaak alleen maar kan voorstellen wanneer een in hoofdzaak feitelijk relaas onder zijn ogen komt en hijzelf al naar zijn aard daardoor bewogen wordt.’
De tevredenheid van Brugmans bereikte een hoogtepunt met de volgende constatering: ‘De lezer die van niets weet, kan niet uitmaken of de schrijver zelf al dan niet tot de Joodse groep behoort; duidelijker kan ik mijn appreciatie voor dit stuk geschiedschrijving niet uitdrukken.’71 Uit dit commentaar kon De Jong afleiden dat de operatie was geslaagd.
Door zichzelf te vergelijken met een chirurg onderstreepte De Jong het professionele karakter van zijn geschiedkundig werk. Onder historici van de jodenvervolging is dit nog steeds een geliefde metafoor voor professionaliteit, want zij dook eveneens op in een recente uiteenzetting van de Canadese historicus Michael R. Marrus, waarin hij de noodzaak van afstand van de geschiedschrijver tot zijn onderwerp aan de orde stelde.72 Professionele methoden en technieken, in de eerste plaats bedoeld om de objectiviteit te bevorderen, bieden de geschiedschrijver van de jodenvervolging ook bescherming tegen overweldiging door het materiaal dat hij voor zich heeft. Het is echter niet de bedoeling dat dit zo ver gaat dat de historicus vergeet dat hij over extreem gruwelijke gebeurtenissen schrijft. Ook de chirurg mag niet geheel en al vergeten dat hij een levend wezen voor zich heeft.
Evenzo is het voor de historicus van de jodenvervolging van belang dat hij weet dat hij een professionele houding en methoden en technieken voor dit doel inzet. Wanneer hij zich hier niet van bewust is, vervullen zijn professionele instrumenten uitsluitend de functie van bescherming, ja, afweer tegen de gruwelijkheid van de gebeurtenissen. Dit laatste is in De Jongs geschiedverhaal het geval. Hij had weliswaar geen bezwaar tegen een emotionele en zelfs persoonlijke ondertoon, maar in zijn behandeling van de jodenvervolging is niettemin sprake van een neutralisatie van de stem van de historicus, die hierdoor als het ware een objectief onderwerp wordt. Wat dit onderdeel van zijn opdracht betreft liet De Jong zich vrijwel uitsluitend leiden door de rol van professioneel historicus en legde hij zijn subjectpositie van overlevende, van wie vrijwel de gehele familie werd vermoord, het zwijgen op.
Uit de spaarzame opmerkingen van Herzberg en De Jong over de spanning tussen emotie en intellectuele analyse, die hierboven werden besproken, blijkt dat beiden het noodzakelijk achtten hun emoties te beheersen. Herzberg wees op de noodzaak deze te overstijgen en te verwerken, terwijl De Jong zich beperkte tot een pleidooi voor disciplinering in relatie tot professionaliteit. Presser komt in bovenstaande uiteenzetting niet voor, omdat uitspraken van hem op dit punt in de bronnen ontbreken.
De strijd tussen het hart en de ratio kon in het geschiedverhaal vooral een uitweg vinden in het gebruik van stijlmiddelen en technieken. Het meest opvallende procédé dat door Herzberg, Presser en De Jong werd toegepast, is het invlechten van eigen ervaringen. In Kroniek zijn de eerste bladzijden onverhuld autobiografisch. Herzberg beschrijft hier zijn bezigheden en gevoelens op de vijftiende mei 1940, de dag waarop de capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten werd bekrachtigd met de handtekening van generaal Winkelman. Herzberg opent zijn geschiedverhaal als volgt:
‘Voor iedereen begon het op een andere manier. Voor mij begon het op de vijftiende Mei 1940, heel in de vroegte.[...] Ik stond ergens op een plein in Amsterdam, of drentelde er wat rond met een stalen soepbord op het hoofd. Als er mensen geweest waren, hadden ze daaraan kunnen zien, dat ik lid was van de luchtbeschermingsdienst.’73
En wie de oorlogsgeschiedenis van de auteur kent, bijvoorbeeld uit Tweestromenland, weet dat de volgende passage over Bergen-Belsen mede op eigen waarneming is gebaseerd: ‘Bergen-Belsen zag er naar het uiterlijk niet anders uit dan andere concentratiekampen, waarvan iedereen wel eens een beschrijving gelezen heeft. Maar de lugubere sfeer, die daar heeft gehangen, ook als er niets bijzonders gebeurde, begrijpt geen mens, die er niet is geweest. En wie er wel geweest is, begrijpt hem eerst recht niet.’74 Het is overigens opmerkelijk dat Herzberg hier, zij het in tweede instantie, begrip met nadruk loskoppelt van ervaring.
Maar wie niet op de hoogte is van Herzbergs lot in de jaren '40-'45 wordt, althans in dit opzicht, niet veel wijzer van lezing van de Kroniek. Als geschiedschrijver beperkt Herzberg zich tot een ‘ik herinner mij’ en een enkel bijna terloops neergeschreven ‘wij’ waarmee hij tevens zijn eigen persoon bedoelt. Zo schrijft hij in een passage over de maatschappelijke uitstoting:
‘Officieel geschiedde dat in Juli 1940, maar wij hadden al veel eerder het consigne gekregen thuis te blijven. Van wie weet ik niet meer. “Men” zei op een goede dag dat de Joden niet meer “hoefden” te komen.[...] We hebben er ons niet druk over gemaakt, genoten van de nachtrust, die we verkregen, en lieten die door de eerste anti-semietische verordening niet verstoren.’75
En in de paragraaf getiteld Barneveld vermeldde hij dat ‘de schrijver van deze kroniek’ tot de Barnevelders behoorde.76 Maar in Kroniek der Jodenvervolging zijn de verwijzingen naar de persoon van de auteur niet alleen relatief zeldzaam, maar ook meer verhuld, ja bescheidener dan in het geschiedverhaal van Presser en De Jong. Herzberg voert zichzelf slechts op als een van de vele slachtoffers van de anti-joodse maatregelen van de Duitse bezetter. Dat Herzberg relatief minder mededeelzaam was, zou kunnen worden verklaard door de vrijwel gelijktijdige publicatie van zijn dagboekaantekeningen uit Bergen-Belsen. Hierdoor werd niet alleen in de behoefte persoonlijke ervaringen mee te delen voorzien, maar viel het hem wellicht ook gemakkelijker een scheiding aan te brengen tussen de eigen lotgevallen en de geschiedschrijving van de jodenvervolging in het algemeen.
Presser en De Jong gaven daarentegen eigen ervaringen een vrij prominente plaats in hun geschiedverhaal. De eerste spant op dit punt duidelijk de kroon. Zo nam hij de pagina met de J uit zijn persoonsbewijs op als illustratie bij het eerste hoofdstuk van Ondergang77 en nam hij verschillende van de gedichten die hij tijdens en kort na de oorlog had geschreven op in zijn verhaal. De paragraaf over de transporten waarmee joden uit Nederland werden gedeporteerd, opent met een gedicht van eigen hand - in de tekst toegeschreven aan ‘één toen anonieme Nederlandse Jood’ - dat eind 1942 in bezet Nederland gestencild werd rondgezonden. Op de volgende bladzijde onthult Presser dat de dichter ‘tevens de schrijver van dit boek’ was.78 En ook de paragraaf getiteld ‘Terugkeer’ besloot hij met een gedicht van hemzelf. In de lopende tekst schreef hij: ‘Een man, opgedoken, (maar zijn jonge vrouw werd gedeporteerd en kwam om) uitte zich anders (in 1957)’, waarna ‘Con Sordino’ volgde. In een voetnoot maakte hij zijn identiteit bekend.79 Overigens luidde de zojuist geciteerde zinsnede in het oorspronkelijke manuscript anders. Daar schreef Presser: ‘Een man, teruggekeerd, uitte zich anders.’ Bestudering van de verschillende versies wijst uit dat de vervanging van ‘teruggekeerd’ door ‘opgedoken’ evenals de toevoeging tussen haakjes het resultaat zijn van een redactionele ingreep van De Jong.80 Om te beginnen verklaart dit het gebruik van het verhullende ‘kwam om’ op deze plaats. Presser zelf zou dit werkwoord waarschijnlijk niet hebben gekozen om het lot van zijn vrouw te benoemen. In 1947 had hij zich in een recensie van het dagboek van Anne Frank fel en verbitterd uitgelaten over een ander eufemisme, te weten ‘niet teruggekomen [...] dat als een taboe het lot versluieren moet van de honderdduizend, die
hiervandaan weggesleept, daarginds zijn doodgeknuppeld, afgemaakt, vergast, verbrand of, zoals in haar [Anne Frank - ck] geval, op de een of andere vaalt zijn verrekt’.81
Maar afgezien hiervan is het opmerkelijk dat Presser in zijn manuscript het werkwoord koos dat in het naoorlogse spraakgebruik in joodse kringen werd gebezigd wanneer men sprak over gedeporteerde joden die in Nederland waren weergekeerd. Maar ook in het gedicht spreekt hij over een man die was ‘teruggekeerd’. Hoewel hij zelf in de letterlijke zin des woords niet tot deze categorie behoorde, schaarde hij zich impliciet wel onder deze groep.
Met zijn gedichten speelde Presser in het algemeen een ingewikkeld spel met de lezer, of wellicht vooral met zichzelf. Door eigen egodocumenten op dezelfde wijze te gebruiken als die van anderen bleef hij zelf aanvankelijk op de achtergrond. In tweede instantie plaatste hij zichzelf echter alsnog op de voorgrond door zijn identiteit prijs te geven.
Voorts beschrijft hij in Ondergang hoe hij en zijn vrouw tijdens de razzia van 6 augustus 1942 werden opgepakt.
‘Schrijver dezes herinnert zich, hoe hij, met zijn vrouw bij vrienden op bezoek, samen met hen en hun kinderen uit hun benedenhuis de tuinschutting overklom naar een woning in een andere straat - en toen men daar tegen de deur bonsde, terugklom; het hielp echter weinig. Na achten thuis opgesloten, zag hij de Grünen steeds dichterbij komen en hen de stoep opklimmen; niet opendoen bleek hopeloos, toen zijn, laat het verondersteld blijven: angstige benedenburen duidelijk verneembaar spraken: “Hier wonen geen Joden, maar hierboven wel”.’82
Op de volgende bladzijden behandelt hij de selectie die de dag daarna plaatsvond bij de Zentralstelle.
‘Nimmer zal de schrijver zich los kunnen maken van de herinnering aan de mensen, die hij in dat legioen van gedoemden persoonlijk kende. Daar was, met haar familie, een van de prachtigste jongemeisjes van zijn school, een roos van Saron; nog is het hem niet mogelijk, toereikende woorden te vinden voor zoveel lieflijkheid en noblesse; zij kwam niet eens aan de beurt voor een verwijzing naar links of rechts en verdween die dag voor altijd voor hem in de poorten des doods.’83
Presser en zijn vrouw kwamen die dag met de schrik vrij.
Ook zijn bladzijden over de Expositur illustreert hij aan de hand van zijn eigen bezoek aan deze afdeling van de Joodse Raad in maart 1943, toen hij wanhopige pogingen in het werk stelde zijn vrouw, die in Westerbork was geïnterneerd, uit de greep van de bezetter te bevrijden.84
Raadpleging van het manuscript van Ondergang leert dat Presser de betreffende passages meestal in één keer heeft neergeschreven en deze daarna niet meer heeft aangeroerd. De mededelingen over zijn persoonlijk leven lijken op intuïtieve en volkomen vanzelfsprekende wijze hun plaats in zijn verhaal te hebben gekregen.
De Jong informeerde de lezer van Het Koninkrijk eveneens over de eigen lotgevallen tijdens de oorlogsjaren. Het is niet ondenkbaar dat hij hiertoe mede werd geïnspireerd door het voorbeeld van zijn vroegere leermeester. Terwijl hij op Ondergang nogal wat had aan te merken, bleven de persoonlijke passages buiten de bespreking die hij en Sijes destijds met Presser over diens manuscript voerden. Ook als redacteur heeft De Jong deze onaangeroerd gelaten. Bovendien heeft Presser zijn oud-leerling op dit punt duidelijk aangemoedigd door diens eerste persoonlijke herinneringen in het manuscript van deel 2 bij uitstek te prijzen. Hierin maakte De Jong de lezer deelgenoot van de mijmeringen waaraan hij zich op Hemelvaartsdag 1940 had overgegeven. Presser was enthousiast, terwijl Sijes en verscheidene andere leden van de staf van het riod hiertegen juist grote bezwaren hadden geuit. De Jong vroeg de leden van de begeleidingscommissie met nadruk om hun mening: ‘Ik zou het op prijs stellen wanneer men zich er duidelijk over uitsprak wat men van die passage vindt, d.w.z. of zij in dit werk op deze plaats en in deze vorm gepast is dan wel (hetgeen denkbaar is) tot talrijke negatieve reacties kan leiden.’85 De Jong had op dat moment dus nog niet definitief besloten dergelijke herinneringen in te lassen in Het Koninkrijk. Na steun van de begeleidingscommissie werd de lezer van deel 2 op de hoogte gesteld van de volgende overpeinzingen van de auteur:
‘[...] Ik was die dag [...] samen met mijn vrouw uit Amsterdam [...] naar het poldergebied gefietst even ten zuiden van de stille weg tussen Amstelveen en Ouderkerk. Uitkijkend over bloeiende weilanden, lagen wij daar een poos aan de rand van een brede sloot. Mijn vrouw was in verwachting; over luttele maanden zou, naar wij hoopten, ons eerste kind geboren worden. Ik boog mij
over het spiegelend water, turend naar kleine vissen en watertorretjes, en besefte, besefte helder en tegelijk weemoedig, 's mensen onmacht en de vergankelijkheid van zijn bestaan, de broosheid vooral van de rust die ons geschonken was. Hoe lang nog?’86
Hoe het ook zij, de twijfel over toepassing van dit procédé verdween. De Jong zou zich verder vastbesloten tonen onderwerpen die zijn persoonlijk leven raakten expliciet vanuit het persoonlijk perspectief aan de lezer te presenteren. In latere delen behandelt hij onder meer zijn vlucht naar Londen op 14 mei 1940 en wijdt hij een voetnoot aan de informatie die hem in de Engelse hoofdstad had bereikt over het lot van gedeporteerde joden in het algemeen en dat van zijn ouders, zusje en broer in het bijzonder.87 In deel 9 vraagt hij zich af of hij in Londen genoeg had gedaan om de joden bij te staan. ‘Ik heb, vind ik nu, mij met die Joden te weinig verbonden gevoeld en getoond.’88
En deel 12, het slotdeel over de bezetting op Nederlands grondgebied, opent met een beschrijving van de gedachten van de auteur tijdens de dodenherdenking van 1985. Op deze laatste persoonlijke terugblik van De Jong werd opnieuw door verschillende medewerkers van het riod commentaar geleverd. Inmiddels was De Jong niet langer directeur en telde de staf van het instituut tal van nieuwe, jongere gezichten. Een van hen, David Barnouw, suggereerde de bewuste passage in een voorwoord onder te brengen. Het commentaar van Peter Romijn spitste zich toe op het ontbreken van samenhang tussen de individuele ervaringen en emoties van de auteur en de collectieve ervaringen rond de herdenking. In de begeleidingscommissie verklaarde De Jong echter dat hij ‘als iemand die meer dan dertig jaar aan dit project heeft gewerkt, de behoefte [heeft] om dit feitelijk slotdeel van mijn werk op deze wijze en geen andere te openen’. Met de woorden ‘Dit is geen wetenschappelijke, het is veeleer een emotionele kwestie’, was de discussie gesloten.89
Al met al is het opmerkelijk dat de academisch geschoolde historici Presser en De Jong in hun geschiedverhaal herhaaldelijk mededelingen doen over de eigen lotgevallen en Herzberg op dit punt juist het meest terughoudend was. Bovendien presenteren zij de eigen ervaringen op volkomen vanzelfsprekende wijze, dat wil zeggen zonder toelichting of reflectie op dit in de geschiedschrijving toch ongebruikelijke procédé. In Het Koninkrijk is er één uitzondering, namelijk waar De Jong zelfkritiek uitoefent. Ter inleiding van deze passage verklaart hij dat ‘een [historicus] van Joodse afkomst’ verplicht is aan de orde te stellen wat hij
zelf in die jaren wist van het lot van de joden, en met name wat hij zelf had ondernomen.90
Dit gevoel van verplichting tegenover zijn lezerspubliek heeft in De Jongs beslissing enkele van zijn persoonlijke herinneringen in Het Koninkrijk op te nemen waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld. In 1992 verklaarde hij desgevraagd dat hij vond dat ‘de lezer [...] moest weten wat er met hem persoonlijk gebeurd was en hoe hij zich daar tegenover had gesteld’.91 Uitgangspunt was voor hem dat tijdgenoten zich in zijn verhaal zouden herkennen. Zijn verblijf in relatieve veiligheid in Londen was in dit verband een gevoelig gegeven, dat sommigen aangrepen om hem te diskwalificeren als geschiedschrijver van de bezetting.92 Bovendien had hij meegemaakt dat Presser zwaar werd bekritiseerd vanwege diens selectieve vermelding van eigen ervaringen. Door expliciete invoeging van zijn lotgevallen, en vooral door daarbij zichzelf niet te sparen, probeerde hij waarschijnlijk critici op dit punt de wind uit de zeilen te nemen. Mede daarom behandelde hij in Het Koninkrijk juist zijn vlucht naar Londen en zijn activisme aan de overzijde van het Kanaal, dat hij achteraf als irrelevant beschouwde.93
Afgezien van het expliciete persoonlijke element bedienden de historici zich van bijzondere stijlmiddelen en technieken. Deze vervulden uiteraard niet alleen de functie van uitlaatklep, maar werden mede uit retorische overwegingen ingezet. Herzberg lucht in Kroniek zijn gemoed regelmatig door de spot te drijven met maatregelen van de Duitse bezetter. Hij neemt dan zijn toevlucht tot metaforen, die zo kenmerkend zijn voor zijn stijl. Zo licht hij de verordening volgens welke ambtenaren de zogeheten ‘ariërverklaring’ moesten ondertekenen, als volgt toe: ‘[...] d.w.z. verklaren of zij en hun echtgenoten tot de bodem uit Arische boter bestonden of dat er ook Joodse margarine door hun ziel was gemengd, en zo ja, voor hoeveel percent.’94
Om de lezer - en misschien ook zichzelf - te doordringen van de gevolgen van de nationaal-socialistische rassenleer besloot hij een paginalange uiteenzetting hierover als volgt: ‘Daarom moest de kleine Rosetje Brilleslijper op haar zevende verjaardag de gaskamer in.’95 Voorzover blijkt uit het vuistdikke In Memoriam (1995), waarin de namen zijn opgenomen van de meer dan 100.000 joodse Nederlanders die de oorlog
niet hebben overleefd, verwijst Herzberg hier niet naar een meisje met die naam dat werkelijk op haar zevende verjaardag werd vergast. Wel werden talloze joden met de naam Brilleslijper, onder wie veel kinderen, het slachtoffer van de nationaal-socialistische vernietigingsmachine. Door een van de slachtoffers, een kind bovendien, een naam te geven, hoopte Herzberg waarschijnlijk een schokeffect te bereiken.
Iets vergelijkbaars doet hij in zijn behandeling van de politiek van de Joodse Raad, waar hij Sientje Kornalijnslijper opvoert als personificatie van het joodse proletariaat:
‘Wat moest hij [de Joodse Raad - ck] ten behoeve van Sientje Kornalijnslijper bij de moffen aanvoeren? Dat ze nooit rotte sinaasappelen verkocht had? Dat ze een leven lang voor een paar gulden in de week voor haar kinderen had gesloofd? Dat ze er boven op had willen komen, maar niet kon? Zij kon het niet helpen, dat ze van haar armoedje een “twintigie in de loterij” gespeeld had en nooit verder was gekomen dan “eigen geld.” Arme, arme Sientje. Wat heb je de Joodse Raad gehaat, en hoe goed kunnen we je begrijp-en.’96
In het verlengde hiervan liggen uitvoerige beeldende beschrijvingen die vermoedelijk het product van Herzbergs verbeelding zijn. In een paragraaf ‘Kinderen en scholen’ richt hij zich rechtstreeks tot de kinderen:
‘Ze konden ook worden opgehaald en kwamen dan bijvoorbeeld in Vught terecht. Daar werden ze ziek en gingen dood, en van huis was er niemand bij. In Westerbork kreeg je puisten en oorontsteking, 't dee gemene pijn en huilen gaf je niks. Je pestte mekaar, vooral dat kolere-kind naast je met 'r kapsones. En als je ruzie had, dan kon je schelden: jouw vader is lekker naar Polen. Dat deed je goed. Ook kon je liggen dromen, dromen. En je beer, “je weet wel die van ome Elie, op mijn verjaardag,” die nam je mee als je tenslotte zelf naar Polen ging.’97
En de vechtpartijen in Amsterdam - van joden en niet-joden tezamen - in februari 1941 behandelt hij op de volgende manier:
‘Jan en Kees van de Eilanden en Dirk uit de Jordaan staken daarom een flink stuk gaspijp in hun zak en zeiden tegen de Joden-
breestraat: “Moos, ga mee, we gaan knokken.” [...] Aal van Wittenburg zei tegen Saar van het Meijerplein: “Geef mijn de kinderen maar mee.” En ze kreeg ze. Daarop hebben Moos en Jan, Sam en Kees inderdaad gezamenlijk gevochten, en niet zachtzinnig. [...] Hetzelfde gebeurde op het Waterlooplein, Kattenburg, Oostenburg en de Joden Houttuinen. Ome Dirk en Ome Elie, Piet en Zoogie, pakten een lat, een knuppel of een stoelpoot en sloegen er op los. In de late avond wist de politie te chargeren en keerde de rust voorlopig terug. Toen zeiden de Eilanders tegen de Jodenbuurt: “De moffen kenne me nog meer vertellen, wij blijven hier.” En de Jodenbuurt zei: “Is er nog koffie en koek?” 't Was de laatste.’98
Op vergelijkbare wijze beschrijft hij het vertrek van joden uit Amsterdam, nadat ze waren opgeroepen zich te melden in de Hollandse Schouwburg. Hij geeft een waarschijnlijk fictieve dialoog weer tussen joden en hun buren, hoewel het uiteraard niet is uitgesloten dat hij deze baseerde op eigen ervaringen of die van lotgenoten.
‘“Tot ziens hoor, kom maar gauw terug, ik zal wel voor je boeltje zorgen.” - “Tot ziens, engelen van mensen, we komen beslist terug, zolang zal 't niet meer duren. En als ik niet terug kom, zijn de sofa en de twee crapauds voor jou. En nog wel bedankt en doe je de groeten? M'n zilveren beursje is voor Sientje. Geef ze 'n pakkert, de schat.”’99
Wie bovenstaande citaten uit Kroniek bestudeert, stelt in de eerste plaats vast dat Herzberg hier vrijwel uitsluitend spreekt over vrouwen of meisjes, behalve in de passage over de vechtpartijen. Voorts overheerst de empathie van de auteur voor de personages die hij ten tonele voert. Ten slotte is er sprake van louter harmonie tussen joden en niet-joden. Des te opvallender is het dat hij zich nogal bitter uitlaat over de tweehonderd joden die in augustus 1944 vanuit Bergen-Belsen, waar Herzberg ook was geïnterneerd, in het kader van een uitwisseling naar Palestina mochten vertrekken:
‘En zo vertrokken dan eindelijk in Augustus 1944 tweehonderd gelukkigen uit het kamp. Zij hadden een voortreffelijke reis. Sommigen vertrokken met rouw in het hart om achtergelaten betrek-
kingen. Zij kwamen in Israël aan, werden met open armen ontvangen, maar de oorlog was nog niet beëindigd, of velen verlieten het reddende land per eerste gelegenheid, terwijl andere Joden, die in dienst der Zionistische beweging oud en grijs geworden waren, inmiddels in Bergen-Belsen waren omgekomen. Zij hebben ons in elk geval gelegenheid gegeven te mijmeren over het begrip der hogere rechtvaardigheid.’100
Terwijl Herzberg in andere kwesties aandrong op het overwinnen van een affectieve houding, kon hij dit hier zelf kennelijk niet opbrengen. Dit moet begrepen worden in het licht van de directe betrokkenheid bij deze episode, die voor hem eindigde in een bittere teleurstelling. Herzberg en zijn echtgenote waren aanvankelijk ook uitverkoren voor de bevrijdende reis naar het Beloofde Land, maar zij werden van de lijst afgevoerd. Hoewel hij in Kroniek niet vermeldt dat hij zelf tot deze groep ongelukkigen behoorde, noteert hij wel hoe verschrikkelijk moeilijk dit voor de betrokkenen was. ‘De ellende viel voor de tweede keer over hen heen, en thans - na het uitzicht der bevrijding - met zulk een neerdrukkende zwaarte, dat slechts enkelen van hen het verblijf in het Vorzugslager Bergen-Belsen hebben uitgehouden.’101
Presser had zich het hoofd gebroken over een juiste aanpak om de lezer te bereiken, omdat deze mogelijk zou kunnen denken: dit kan niet gebeurd zijn. De inachtneming van ‘een onvoorwaardelijke objectiviteit’ was naar zijn mening in het algemeen niet altijd mogelijk en ‘zeker niet in dit boek’. In Amerika (1949) liet Presser zijn behandeling van de positie van zwarten in de Verenigde Staten voorafgaan door eenzelfde waarschuwing aan de lezer.102 Voorts verklaarde hij van een gedetailleerde weergave van de begane wreedheden in Ondergang om psychologische redenen te hebben afgezien. Hoewel hij deze niet toelicht, vreesde hij waarschijnlijk dat een gedetailleerde beschrijving de lezer slechts zou afstoten. Wellicht was hij eveneens beducht voor de potentiële aantrekkingskracht van een dergelijke weergave. Hij besloot te ‘pogen het zo ver te brengen, dat de lezer zich zoveel mogelijk met de slachtoffers vereenzelvigt, hetgeen in het menselijke vlak een sober verhaal, in het zakelijke een sober verslag vereist’.103
Hij probeerde de objectiviteit min of meer veilig te stellen door het herhaaldelijk gebruik van de aanduiding ‘deze historicus’. Hiermee lijkt hij zich volledig te vereenzelvigen met de professionele geschiedschrij-
ver. Of zoals S. Dresden, emeritus-hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap, in zijn studie Vervolging, vernietiging, literatuur (1991) opmerkt: ‘Hij lijkt uitsluitend beroep en geen persoon te zijn.’ Tegelijkertijd deed hij de objectiviteit onmiddellijk teniet door de toevoeging van ‘deze’, die de subjectiviteit juist onderstreept.104 Daarnaast zijn er passages in Ondergang waar Presser de verwijzing naar de eigen persoon achterwege liet en louter sprak van ‘de historicus’. Dit is bijvoorbeeld het geval op de laatste bladzijde van deel 1, nadat hij heeft vastgesteld dat op de beruchte lijst die de voorzitters van de Joodse Raad in mei 1943 samenstelden, hun eigen namen ontbraken. Kennelijk wil hij de lezer in dit geval doordringen van het louter objectieve karakter van zijn observatie.105 In elk geval op één plaats corrigeert hij zichzelf wanneer hij schrijft: ‘De historicus, of misschien bescheidener en juister, deze historicus [...].’106
Vooral in het slothoofstuk over de concentratiekampen, dat de titel ‘Moord’ draagt, is het duidelijk dat Presser eigenlijk geen raad meer weet met hetgeen hij moet beschrijven. Over Auschwitz-Birkenau merkt hij vertwijfeld op: ‘Wijzelf hebben Auschwitz bezocht [...]. Men kan er niet over schrijven. Men kan het niet.’ En aan het begin van een nieuwe alinea spreekt hij de lezer, maar ongetwijfeld ook zichzelf, moed in alvorens het verhaal van de verschrikkingen te hervatten. ‘Wij gaan verder, lezer.’107 Verderop in dit hoofdstuk, wanneer Bergen-Belsen aan de beurt is, verontschuldigt hij zich zelfs tegenover de lezer voor wat hij ‘een eentonige litanie’ noemt. ‘Maar de historicus heeft geen keuze; hij moet de bronnen laten spreken.’108 Door de getuigen met een minimum aan woorden - bijvoorbeeld met alleen ‘een jonge vrouw’109 - of soms zelfs in het geheel niet te introduceren, laat hij dit hoofdstuk zoveel mogelijk het verhaal zijn van de tienduizenden anonieme slachtoffers.
Karakteristiek voor Ondergang zijn de herhaalde uitingen van gevoelens van medelijden en verbondenheid met die slachtoffers, in zeer bewogen bewoordingen. Zo besluit hij een paragraaf over het lot van vrouwen in concentratiekampen met een emotioneel eerbetoon aan hun adres:
‘[...] hij zou in dit boek een saluut willen brengen, in eerbied en bewondering: dappere Mirjam, dappere Annie, dappere Greet, dappere Hilda, dappere... ach, het zou een te lange rij worden. Dappere, dappere Joodse vrouwen: in een archief, door weinigen
geraadpleegd, zijn uw herinneringen opgenomen en straks, wie weet, voorgoed opgeborgen bij duizenden, duizenden andere papieren en paperassen; laat de geschiedschrijver op deze plaats mogen getuigen van zijn ontroering, zijn diepe, diepe dankbaarheid, zijn broederlijke verbondenheid, zijn genegenheid, zijn liefde.’110
Overigens vestigt Presser, evenals Herzberg, herhaaldelijk de aandacht op juist de vrouwelijke slachtoffers. Al in 1950 verklaarde hij in een vraaggesprek naar aanleiding van de opdracht dat hij vooral onder de indruk was van de memoires van vrouwen.111 Deze preoccupatie moet zonder twijfel mede in relatie tot het lot van zijn eigen vrouw worden begrepen.
Gezien het diepe medeleven dat hij tentoonspreidde is het bevreemdend dat hij passages waarin hij het lot van individuele slachtoffers beschrijft, telkens besluit met requiescat of requiescant (opdat zij ruste(n) in vrede - ck), een benedictie ontleend aan de katholieke dodenliturgie, die Ondergang overigens het karakter gaf van een monument voor de slachtoffers. Waarom koos Presser niet voor de Hebreeuwse formule zichronam livracha (hun nagedachtenis zij tot zegen)? In de eerste plaats is het niet uitgesloten dat Presser, die niet erg thuis was in de joods-religieuze gebruiken en rituelen, deze niet kende. Ook De Jong en Sijes, die evenmin religieus waren onderlegd, hebben hem niet gewezen op de mogelijkheid of wenselijkheid de joodse formule te gebruiken. Daarnaast wendde hij zich met Ondergang tot een breed publiek, dat overwegend uit niet-joden bestond. Hij ging er waarschijnlijk vanuit dat de meeste lezers, al dan niet katholiek, het requiem kenden. Ook om die reden zou hij kunnen hebben afgezien van het bezigen van de Hebreeuwse benedictie.
Evenals Herzberg maakte Presser gebruik van het hem vertrouwde stijlmiddel ironie.112 Terwijl hij medelijden met de slachtoffers toont, reserveert hij zijn ironische opmerkingen vrijwel uitsluitend voor optreden en maatregelen van Duitse autoriteiten. Zo becommentarieert hij een passage over de trams die joden van de Hollandse Schouwburg in Amsterdam naar het station vervoerden, als volgt: ‘Men denkt even aan de lieden, die tijdens de Terreur op karren naar de guillotine reden, maar die karren reden overdag en vervoerden geen kinderen. De Duitsers - keine Unmenschen - hielden de gezinnen bij elkaar. Tot in de dood.’113 En in zijn bespreking van de verschillende afdelingen van Westerbork schrijft hij: ‘Niet onvermeld blijve de kleine afdeling voor kou-
senreparatie met machines voor het ophalen van ladders; zo konden de kampbewoonsters althans behoorlijk gesoigneerd naar Auschwitz.’114
Bitterheid klinkt door in een passage over het uitblijven van aanvallen van de kant van het verzet en de geallieerden op treinen waarmee joden werden gedeporteerd. Hij citeert hier met nauwelijks verholen instemming uit een dagboek van een ondergedokene, die bitter vaststelt: ‘[...] geen halve liter benzine, geen kannetje olie, geen kogeltje voor 120.000 Joden.’115 Terwijl Presser in zijn manuscript vrijwel alle citaten van een verwijzing heeft voorzien, ontbreekt deze in dit geval. Daarom rijst het vermoeden dat hij hier wellicht uit eigen aantekeningen citeert.
De Jongs stijlvoering is in het algemeen ingehoudener dan die van Herzberg en Presser. Uitschieters hebben dikwijls betrekking op maatregelen van de vervolgers. In een paragraaf over de systematische roof van joodse goederen schrijft De Jong vervuld van afkeer: ‘Wie eenmaal met een dergelijke roof begint, krijgt de smaak te pakken. Het duurde dan ook niet lang of de Einsatzstab Rosenberg ging de grage vingers uitstrekken naar objecten die met geen mogelijkheid met de hogeschool van het nationaal-socialisme in verband gebracht konden worden.’116 En in een paragraaf over reacties van joden tijdens de eerste fase van de vervolging stelt hij dat ‘de vervolgers [bezig] waren [...] het masker af te werpen, en wat men [...] te ontwaren kreeg, waren moordenaarstronies’.117
Maar ook Nederlandse ambtelijke instanties werden door De Jong niet gespaard. In deel 5 citeert hij uit een verslag van een gesprek in november 1941 tussen Rauter en de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, mr. Frederiks. De laatste verklaarde hierin zich niet te kunnen verzetten tegen deportatie van Duitse joden uit Nederland. De Jong tekent hierbij aan dat Frederiks ‘zestienduizend personen die in ons land asyl gevonden hadden, voor de wolven gooide’.118 Ook de aanvaarding door het departement van Binnenlandse Zaken van de regeling waardoor de kosten van deportatie ten laste zouden komen van de gedeporteerde joden, voorzag hij van niet mis te verstaan commentaar: ‘Ambtelijke nauwkeurigheid en een streven om “op de centjes te passen” kunnen wij hierin in overvloed ontwaren - fatsoen en medeleven niet.’119
De laatste drie voorbeelden zijn tevens de slotzin van een paragraaf. De Jong greep deze veelvuldig aan om een expliciete beoordeling of veronderstelling uit te spreken of in elk geval een uitspraak te doen die de lezer zou treffen.120
Ditzelfde procédé paste hij toe in deel 8. Hiervoor geldt verder dat naarmate de gebeurtenissen die hij beschrijft gruwelijker worden, hij meer lijkt terug te deinzen voor emotionele uitingen. De overobjectivering die hiervan het gevolg is, maakt een enigszins geforceerde indruk. In dit deel probeerde hij bijvoorbeeld te reconstrueren hoe laat de eerste vergassingen in Bunker i en ii van Auschwitz precies plaatsvonden. Op grond van zijn bronnenmateriaal kwam hij tot de veronderstelling dat de slachtoffers (31.000) uit de eerste groep transporten minstens enkele uren hebben moeten wachten in of bij de barakken. De Jong schrijft dan: ‘Wij merken hierbij op dat, aangezien er slechts één ss-er was die in twee, respectievelijk drie gaskamers de bussen met Zyklon-B moest uitstorten, de opgeslotenen in alle gaskamers behalve de eerste waarin zich het blauwzuurgas verbreidde, kreten moeten hebben gehoord.’121
Na een paginalang citaat uit een brief van Etty Hillesum, waarin zij het vertrek van een transport uit Westerbork beschrijft, vermeldt hij dat de joodse Dienstleiter en hun naaste medewerkers na het vertrek van een trein, anders dan gebruikelijk, zo lang mochten douchen als ze wilden: ‘In onschuld?’ vraagt De Jong zich af. ‘Wij zijn er niet zeker van dat allen het zo gevoeld hebben.’122 En in zijn terugblik op de hoofdstukken waarin hij het lot van de verschillende groepen gevangenen en gedeporteerden heeft behandeld, herinnert hij de lezer aan de eerder geciteerde brief van Etty Hillesum. In de nacht voorafgaand aan het Westerbork-transport van 24 augustus 1943 had zij tegen zichzelf gezegd: ‘Zo, nu ben ik dus in de hel.’ De Jong voegt daaraan toe - en hiermee besluit hij tevens zijn terugblik: ‘Welke woorden, zo vragen wij ons af, had zij moeten kiezen toen zij, ruim twee weken later, ook in de nacht, in Auschwitz op het perron van aankomst stond? Welke, toen zij er een van de grote Krematoria binnengevoerd werd?’123
Het meest opvallende kenmerk van deel 8 van Het Koninkrijk is echter het veelvuldig gebruik van dikwijls zeer uitgebreide citaten uit egodocumenten. De Jong meende dat dit de meest adequate wijze was om de ervaringen van de slachtoffers aan de lezers te presenteren. Verderop in dit hoofdstuk zal aan dit aspect van De Jongs werk uitvoeriger aandacht worden besteed.
Bij wijze van samenvatting moeten allereerst de overeenkomsten in het vertrekpunt van Herzberg, Presser en De Jong worden beklemtoond. Elk van hen stond voor de taak de toedracht van de vervolging van de joden in Nederland vast te leggen. Verschillende kenmerken van hun
geschiedschrijving moeten in relatie tot het beoogd lezerspubliek worden gezien: de sterk beeldende beschrijvingen en fictieve dialogen van Herzberg, het monumentale karakter van Ondergang, het beperkte notenapparaat, de aandacht voor ervaringen van individuele slachtoffers en de vanzelfsprekendheid waarmee vooral Presser en De Jong de aandacht van de lezer vroegen voor episodes uit hun persoonlijk leven gedurende de oorlogsjaren.
Afgezien hiervan vertonen de drie verhalen belangrijke en soms verrassende verschillen. Zo is dat van Herzberg, de advocaat-geschiedschrijver, waar het controversiële kwesties betreft het meest transparant. Hierin heeft zijn ervaring als advocaat, niet in de laatste plaats als raadsman van de beide oud-voorzitters van de Joodse Raad, zonder twijfel een belangrijke rol gespeeld. Voorts is hij van het drietal het meest bescheiden in de vermelding van zijn eigen ervaringen. De geestelijke discipline die Herzberg wist op te brengen, zo kort na de ramp die de joden inclusief hemzelf had getroffen, is zonder meer opmerkelijk. Met Kroniek heeft hij aangetoond dat het niet per definitie onmogelijk is dat rechtstreeks betrokkenen met zelfbeheersing schrijven over extreme gebeurtenissen als de vervolging en vernietiging van de joden.
Presser, de literator-geschiedschrijver, beschouwde de geschiedschrijving eerder als een literaire discipline dan als wetenschap. Derhalve veroorloofde hij zich in zijn geschiedkundig werk een grote vrijheid in het gebruik van niet-conventionele technieken en stijlmiddelen. Allesbepalend waren zijn medelijden en gevoel van verbondenheid met de slachtoffers. De combinatie van zijn literaire benadering van de geschiedbeoefening met zijn mededogen bracht hem ertoe in cruciale kwesties de solidariteit de voorrang te geven boven professionele eisen.
De professionele identificatie was het sterkst bij De Jong, de journalist-geschiedschrijver. Dit resulteerde onder meer in terughoudendheid in zijn stijlvoering. Die beroepsmatige houding hield hij echter niet tot het bittere einde vol. Toen hij uiteindelijk de moord in de vernietigingskampen moest behandelen, trad de professioneel historicus terug en liet hij ooggetuigen aan het woord. Voorts laste De Jong als enige een uitgebreid hoofdstuk in over de voorgeschiedenis van de vervolging en de wortels van het antisemitisme.
Voor alledrie geldt dat zij hun verhaal, afgezien van enkele opmerkingen, vrijwel volkomen hebben beperkt tot de jodenvervolging in Nederland. Zij begaven zich slechts in den vreemde om de lotgevallen van de joden in de kampen te bespreken. Hierbij maakten zij gebruik van inter-
nationale studies over de systematiek in de kampen. De Jong stelde herhaaldelijk een internationale vergelijking in het vooruitzicht, maar loste zijn belofte niet in. Ook presenteerden zij elk hun geschiedverhaal op overwegend verhalende wijze.
Met deze laatste vaststelling dringt de vraag zich op of de drie geschiedschrijvers zich hebben beperkt tot een beschrijving van de gebeurtenissen in min of meer chronologische volgorde. Historici beogen meestal meer dan dat en streven naar een zodanige presentatie van de gebeurtenissen uit het verleden, dat tenminste een samenhangend beeld ontstaat en nog liever een sluitende verklaring.
Herzberg stond als eerste van het drietal, en bovendien slechts enkele jaren na de ramp, voor de opgave de gebeurtenissen een plaats te geven in de geschiedenis. Desalniettemin presenteerde hij in Kroniek een duidelijk uitgewerkte interpretatie, waarin de onverzoenlijke tegenstelling centraal staat tussen het nationaal-socialisme en het jodendom als cultuurhistorisch verschijnsel. Hij beschouwde de nationaal-socialistische jodenvervolging als een manifestatie van een oeroud conflict, de eeuwige strijd van de barbarij tegen de beschaving. Deze strijd, schrijft hij, was ‘alleen maar te begrijpen als de opstand van de heiden tegen de abstracte monotheïstische idee en haar verreikende gevolgen’, in religieuze termen ‘een opstand tegen God’.
Hij beklemtoonde het metafysische karakter van het nationaal-socialistisch politiek systeem, de propaganda en de rassenleer. Hoewel de jodenvervolging alle uiterlijke kenmerken van een rassenstrijd vertoonde, moest deze worden begrepen door de ‘psychische, of, zo men wil, godsdienstige exaltatie, en wel de meest primitieve die denkbaar is’ als het wezen ervan te erkennen. Het antisemitisme was weliswaar de bron waaruit Hitler putte, maar het wezen van zijn leer was anti-judaïstisch. Dat de joden door de nationaal-socialisten tot zondebok en slachtoffer werden gemaakt, was weliswaar niet toevallig, maar in de visie van Herzberg geen exclusief joods lot. Na de joden zou volgens hem de christelijke geloofsgemeenschap aan de beurt zijn geweest, gevolgd door andere groepen. In Herzbergs visie vocht Hitler tegen de joods-christelijke invloed van de bijbel.124
Daarom besteedde hij in Kroniek zoveel aandacht aan geestelijk-cul-
turele aspecten van het joodse leven in de oorlogsjaren. Daarom ook beklemtoonde hij in zijn behandeling en beoordeling van het optreden van de Joodse Raad de geestelijke betekenis van het instituut voor de joden zelf en was het voor hem cruciaal dat er innerlijk geen sprake was geweest van capitulatie. En om dezelfde reden bestreed hij in hetzelfde jaar waarin Kroniek werd gepubliceerd, in Het Parool dat joden tijdens de oorlog alleen maar slachtoffers waren geweest. In zijn visie waren zij ‘[...] zij het onvrijwillig [...] de tegenkracht’. Hiermede werden zij ‘de martelaren voor een hoogst belangrijke idee’.125
In de daaropvolgende decennia werkte hij dit thema nader uit. Zo stelde hij in 1970 dat de jodenvervolging door de reactie van joden was geworden tot een ‘psychische mobilisatie’, die evenals die van het Duitse volk een politieke werkelijkheid ten doel had. Herzberg doelde hier uiteraard op de in 1948 uitgeroepen staat Israël. Voor Herzberg, zionist van het eerste uur, was het een wrange conclusie dat de jodenvervolging had bewerkstelligd wat zionisten in de jaren dertig niet was gelukt: zij had bij velen de gedwongen solidariteit tot een vrijwillige gemaakt.126 Ook Kroniek besloot hij in 1950 met een verwijzing naar de oprichting van de joodse staat. Hiermee onderstreepte Herzberg dat de barbarij niet had gezegevierd en dat het jodendom als belichaming van een geestelijk beginsel derhalve niet was verslagen.127
In Ondergang is een dergelijke metafysische interpretatie van de jodenvervolging afwezig. Mede als reactie op Herzberg beperkte Presser zich in zijn tweedelige studie vooral tot een uitvoerige beschrijving van de vervolging en vernietiging van individuele joden. Hij volgde nauwkeurig en gedetailleerd de documenten en herdacht stelselmatig de slachtoffers. Voorzover er een metafysisch element in Pressers studie schuilt, is dit het gevolg van de benedictie ‘requiesca(n)t’, die als een rode draad door de tekst loopt. Maar hij maakte niet, althans niet expliciet, de stap naar het niveau waar interpretatieve kaders beslissend zijn. In Ondergang is de herdenking van de slachtoffers letterlijk het laatste woord.
Het manuscript dat Presser begin 1962 aan De Jong en Sijes voorlegde, begon nog eenvoudigweg met de Duitse inval in mei 1940 (‘In de nacht van 9 op 10 mei overschreed het Duitse leger de Nederlandse grens.’). De inleiding kwam slechts tot stand op aandringen van zijn beide collega's, die hem verwezen naar de stukken van het Eichmann-proces. In dit inleidende hoofdstuk doet Presser een impliciete poging de vervolging te duiden. Zo typeert hij in de opening de vervolging en
vernietiging van de joden als ‘een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd’. Deze formulering komt vrijwel letterlijk voor in de ‘opening address for the prosecution’ die in Jeruzalem bij de opening van het Eichmann-proces werd uitgesproken door de openbare aanklager, Gideon Hausner. Dit geldt in feite voor de gehele eerste alinea, die een sterk retorisch karakter heeft.128
Uit het manuscript blijkt dat Presser voor zijn inleiding, die hij in december 1962 schreef, veelvuldig heeft geput uit de woorden van Hausner, maar vooral uit het vonnis in deze roemruchte zaak. Zo ontleende hij details over wat achteraf als de aanloop naar de vernietiging van de joden moet worden beschouwd, rechtstreeks aan dit historisch document. En ook het tot de verbeelding sprekende praatje aan de haard van onder meer Eichmann en Heydrich na afloop van de Wannsee-Konferenz, had Presser in het 244 punten tellende vonnis aangetroffen.129
Maar verder dan de vaststelling dat het hier gaat om ‘een moord, tevens massamoord, op nimmer gekende schaal, met voorbedachten rade en in koelen bloede gepleegd’ gaat Presser niet. Overheersend in zijn visie is dat hier sprake was van ‘een vernietiging van zo verpletterende zinloosheid’ en van ‘monsterachtige absurditeit’.130 Presser, die de geschiedschrijver beschouwde als iemand die zin geeft aan het zinloze,131 stond tegenover de vervolging en vernietiging van de joden met lege handen. Hij zag eenvoudigweg geen aanknopingspunten voor een mogelijke verklaring of zingeving. Dit was wellicht een van de redenen waarom hij zich in Ondergang zo sterk liet leiden door de documenten. Door de niet-aflatende stroom documenten die de auteur over de lezer uitstort (‘ik heb [de lezer] overstelpt met materiaal’)132 brengt hij bij de lezer een gevoel van verbijstering teweeg over de omvang en aard van de gebeurtenissen.
Maar metafysische of ideologische interpretaties waren aan Presser niet besteed. Terwijl Herzberg erop wees dat het jodendom niet was verslagen, toonde Presser zich in de epiloog uitgesproken pessimistisch over de toekomst van de joden in Nederland. Hij vroeg zich af of Nederland niet binnen afzienbare tijd alsnog een land zonder joden zou worden. Herzberg had zich gedistantieerd van de titel van Wieleks boek, De oorlog die Hitler won, maar Presser betuigde hiermee juist zijn instemming. En de hoop die Herzberg tot besluit van Kroniek putte uit de oprichting van de staat Israël, kon hij niet delen. Integendeel, hij toonde
zich na publicatie van Ondergang vervuld van zorg, ja wanhoop, en was allesbehalve gerust op het lot van de jonge joodse staat.
‘Ik mis [...] een paar knobbels van mijn zionistische vrienden. Ik ben helemaal niet overtuigd van een soort mystieke zending van Israël om altijd te blijven bestaan. [...] Natuurlijk hadden de pioniers dat mystieke geloof nodig, maar de geschiedenis brengt je ongelukkigerwijze tot de gewoonte om te relativeren en de betrekkelijkheid in te zien.’133
De Jong schrok in zijn geschiedverhaal daarentegen niet terug voor interpretatieve opmerkingen. De vervolging en vernietiging van de joden waren in zijn visie een uitkomst van het eeuwenoude antisemitisme. Al in het eerste deel van Het Koninkrijk verklaart hij de ‘Endlösung’ te beschouwen als het culminatiepunt van een lange geschiedenis van antisemitisme en jodenhaat. De ‘Endlösung’, schrijft hij, ‘vormde het eindpunt van een weg waarvan dat zeer milde, latente antisemitisme ongeweten het beginpunt was.’134 Hoewel hij in de begeleidingscommissie toegaf dat dit ‘iets te beknopt’ was geformuleerd, handhaafde hij in de definitieve tekst deze formulering, die als teleologisch moet worden gekwalificeerd.135
In latere delen van Het Koninkrijk keert deze visie in onverminderd stellige bewoordingen terug. Zo stelt hij in deel 5 dat de ‘Endlösung’ ‘een rechtstreeks uitvloeisel was van het negentiende-eeuwse denken’ en ‘een eindpunt van duizend jaar Europese geschiedenis’.136 Opnieuw plaatste de begeleidingscommissie vraagtekens achter dit rechtstreekse verband. De Jong erkende het verschil tussen antisemitische geschriften uit met name de negentiende eeuw en de fysieke uitroeiing der joden, maar besloot desalniettemin het verband te handhaven. ‘De Endlösung die vóór hen alleen in woorden gepredikt was, werd door hen [de nationaal-socialisten - ck] metterdaad uitgevoerd.’137
Naar aanleiding van het manuscript van deel 8 toonde de commissie zich wederom ontevreden over De Jongs constateringen en trachtte hem meer te ontlokken op het gebied van de interpretatie van de vernietiging van de joden als historisch verschijnsel. Zo vroeg Klein naar aanleiding van de paragrafen over Auschwitz en Sobibor naar de reden voor de misleiding bij de ontvangst der gedeporteerden en voor de selectie. De Jong moest het antwoord schuldig blijven en lichtte dit in psychoanalytische termen toe: ‘Men moet het gebeuren in de concentratiekampen
niet als een rationeel proces zien - het was [...] zo irrationeel als maar mogelijk was [...]. Er is hier sprake geweest van een drift tot vernietiging en die drift laat eigenlijk nauwelijks een andere verklaring toe.’138 Ook elders in deel 8 legt De Jong er de nadruk op dat de ‘wil tot vernietiging, welke in de Vernichtungslager een als het ware geïndustrialiseerd uitroeiingsproces in werking gesteld heeft: het eerste proces van dien aard dat de geschiedenis der mensheid gekend heeft’.139
Uit het bovenstaande blijkt dat de drie geschiedschrijvers op het niveau van de interpretatie elk een duidelijk ander accent legden. Herzberg beklemtoonde het metafysische karakter van de jodenvervolging onder nationaal-socialistische heerschappij. Presser toonde zich overweldigd door de zinloosheid en absurditeit en zag het als zijn taak de toedracht zo nauwgezet mogelijk te documenteren. De Jong ten slotte maakte het antisemitisme tot de kern van zijn interpretatie.
Op het niveau van de morele beoordeling waren zij eensgezind. De zedelijke afkeuring is in hun werk voortdurend voelbaar en op vanzelfsprekende wijze aanwezig. Deze manifesteerde zich in de keuze van stijlmiddelen en technieken zoals hierboven besproken. Ook in de motivatie van het Nederlandse drietal speelden de morele en in het verlengde daarvan de pedagogisch-didactische dimensie een belangrijke rol. Zoals zovele collega's en tijdgenoten ervoeren zij het als een plicht het verhaal van de vervolging en vernietiging van de joden op te tekenen. De verplichting richtte zich zowel op het verleden als op de toekomst. Presser sprak van een ‘zedelijke verplichting’, noemde het zelfs een ‘roeping’, ‘een heilige plicht’ namens de vermoorde joden te spreken.140
Ook De Jong beschouwde de aan hem verstrekte opdracht onder meer als een ‘dure verplichting’.141 Herzberg verwees in Kroniek niet naar een dergelijke motivatie, maar hij verklaarde wel in Tweestromenland zijn dagboek te publiceren ‘uit eerbied voor hen, die niet uit de kampen zijn weergekeerd’. Hij beschouwde het als ‘een ereplicht jegens hen, dat de levenden niet ophouden te vertellen, wat daar gebeurd is’. Hij voegde hieraan toe dat hij zich in het bijzonder verplicht voelde ‘jegens diegenen onder de doden, die het in de diepste ellende hebben verstaan, hun leven op het hoogste peil te handhaven, dat de mens kan bereiken’.142 Deze kwalificatie is in overeenstemming met zijn visie op
het nationaal-socialisme, die hij daarna ter verklaring van de titel ook onder woorden brengt. Met zijn toevoeging wilde Herzberg duidelijk maken dat zijn respect vooral uitging naar degenen die in het kamp maximale afstand tot het nationaal-socialisme hadden weten te bewaren.
De pedagogisch-didactische dimensie in het geschiedverhaal van het drietal moet in directe relatie worden gezien tot hun interpretatie van de gebeurtenissen. In Kroniek stelde Herzberg dat hij de gebeurtenissen had opgeschreven omdat zij ‘een bittere les’ waren geweest.143 Hij trachtte de lezer aan te sporen tot reflectie op de menselijke natuur, die kennelijk de potentie in zich bergt een misdaad als de massamoord op de joden te begaan. In het begin stelt hij dat zijn verhaal geen Nederlandse, maar joodse geschiedenis betreft.144 Desalniettemin beklemtoont hij in zijn slotbeschouwing het universele belang van zijn verhaal door op te merken dat de trieste balans niet was bedoeld ‘als een soort zelfbeklag van de Joden, maar terwille van alle mensen en hun samenleving in de wereld’.145
Dit neemt niet weg dat hij Kroniek besluit met een uiteenzetting over de conclusies die joden uit het gebeurde trekken. Hij vermeldt dat velen zich van het jodendom hebben afgewend, naar zijn overtuiging een tragische vergissing. Herzberg laat geen twijfel bestaan over zijn eigen slotsom, die hij al sedert de jaren dertig had verkondigd: de joden dienden hun levenslot te omarmen. De ultieme consequentie daarvan, de oprichting van de staat Israël, was hem het liefst. Welbeschouwd vervult Herzbergs interpretatie van de jodenvervolging voor joden de functie van existentiële gids voor het verleden, heden en toekomst. Dat hij daarnaast de lezer wilde aansporen tot reflectie op de menselijke natuur in het algemeen lijkt hiermee in tegenspraak, maar deze weet hij te verzoenen door de specifieke betekenis van het jodendom een universele geldigheid toe te kennen.
Gezien het ontbreken van een expliciete interpretatie wekt het geen verbazing dat Presser evenmin een eenduidige les kon destilleren uit de ramp die de nationaal-socialistische heerschappij voor de joden had betekend. Wel hoopte hij evenals Herzberg de lezer tot inkeer aan te sporen door hem te confronteren met de gebeurtenissen. In dit verband is het relevant eraan te herinneren dat Presser meende dat vooral de eigentijdse historicus geroepen was tot ‘het uitspreken van waarde-oordelen, tot het herinneren aan maatstaven, tot plaatsbepaling en vermaan’.146
Vooral zijn angst voor de onveiligheid van de joodse staat stond een zionistische conclusie in de weg. Presser stelde zich in dienst van het verleden en met name van de slachtoffers en stond het meest van de drie geschiedschrijvers doelbewust met zijn rug naar de toekomst. Terwijl hij in het heden afstand hield tot elke vorm van georganiseerde expressie van zijn jood-zijn, voelde hij zich niet geremd zich met het jodendom te identificeren zolang het om het verleden ging.147
De Jongs geschiedschrijving is in het algemeen doortrokken van een politieke pedagogie en in de presentatie van zijn geschiedwerk heeft het didactisch element altijd een centrale plaats ingenomen. Pas in de epiloog van het laatste deel over de bezetting van het Nederlands grondgebied, dat in 1988 verscheen, bracht hij zijn leidend beginsel onder woorden:
‘Onze algemene opvattingen nu waren (en zijn) dat het kwalijk is, wanneer een volk door een ander volk wordt overvallen en overheerst, dat de parlementaire democratie, welke ook haar gebreken zijn, de voorkeur verdient boven iedere andere staatsvorm, dat de democratische vrijheden het waard zijn verdedigd te worden, dat elke discriminatie of vervolging van mensen uit den boze is en dat deportatie en massamoord dat a fortiori zijn.’148
Het is opmerkelijk dat hij de lezer dit pas op de valreep van de serie meedeelt en niet in een veel eerder stadium, bijvoorbeeld in het eerste deel. Wellicht is de verklaring hiervoor gelegen in zijn dubbelzinnige opvattingen over de didactische dimensie van geschiedschrijving. Als professioneel historicus onderschreef hij de visie dat het niet haar taak is didactisch te zijn, maar ‘dit wil niet zeggen dat men aan het verleden geen lessen ontlenen kan’.149 In een terugblik op de voltooide serie Het Koninkrijk bracht hij zijn dubbelzinnigheid hieromtrent preciezer onder woorden:
‘Ik heb in geen enkele passage van mijn werk didactisch willen zijn, maar ik heb ook geen enkele passage geschreven waarvan ik persoonlijk, puur persoonlijk, niet hoopte dat zij nu en later bij ouderen, maar vooral ook bij jongeren het besef zou aanscherpen van de eigen verantwoordelijkheid van de mens voor wat hij in kritieke situaties doet - of nalaat.’150
Wel had hij de presentatie van deel 8 al aangegrepen om zich solidair te verklaren met de oud-gevangenen en -gedeporteerden. Met dit bijzondere deel hoopte hij hulpverlenende instanties van dienst te zijn en begrip voor het leed van de slachtoffers te bevorderen. Ook verklaarde hij dat de Nederlandse samenleving het lijden van degenen die de vervolging hadden overleefd te laat had onderkend. Hiermee doelde hij op de moeizame invoering van de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 in 1973. Ten slotte stelde hij in meer algemeen-politieke termen dat zijn werk tevens ‘een roep om humaniteit en verdraagzaamheid [is] en zich dus ook keert tegen alle vormen van onderdrukking en terreur die de huidige wereld te zien geeft’.151 De Jong was niet alleen geschiedschrijver, maar ook ‘politiek-moreel volksopvoeder’.152
Daarnaast liet hij niet na in relatie tot de massamoord de noodzaak en het belang van steun aan de staat Israël te bepleiten. Tot besluit van een van zijn lezingen aan Harvard University in 1988 vestigde hij nog eens de aandacht op de uitwerking van de vervolging op overlevenden. Hij noemde hier tal van uiteenlopende elementen, waaronder vastberadenheid ‘de omstreden staat Israël te beschermen’.153 Ook De Jongs analyse van cruciale thema's in Het Koninkrijk kan worden gelezen als een bevestiging van de zionistische analyse van joods leven in de diaspora en derhalve impliciet als steunbetuiging aan de staat Israël.154
Verschillende van de hierboven behandelde aspecten lenen zich voor een nadere belichting tegen een internationale achtergrond. Zo is de integratie van persoonlijke lotgevallen in het geschiedverhaal in internationaal perspectief uitzonderlijk. Vrijwel alle vooraanstaande buitenlandse collega's en tijdgenoten van Herzberg, Presser en De Jong hielden hun persoonlijke geschiedenis juist zorgvuldig buiten hun werk. Zo ontbreken in de meeste publicaties van het cdjc uit de jaren veertig en vijftig mededelingen van de auteurs omtrent de eigen geschiedenis. Ook Léon Poliakov liet in Bréviaire de la Haine, dat vooral in Engelse vertaling onder wetenschappers verspreiding vond, elke persoonlijke noot achterwege.
Onder de Franse pioniers bevonden zich echter twee uitzonderingen. Joseph Billig beperkte zich in zijn driedelige serie Le Commissariat Général aux Questions Juives (1941-1944) (1955-1960) tot een opdracht
waarmee hij zijn rechtstreekse betrokkenheid bij het onderwerp deed uitkomen. Hij droeg de drie delen op aan de nagedachtenis van zijn moeder, die in 1943 vanuit het Franse doorgangskamp Drancy naar Auschwitz werd gedeporteerd. Zijn naaste collega Georges Wellers, die een van de allereerste publicaties van het cdjc voor zijn rekening nam, confronteerde de lezer op dramatische en indrukwekkende wijze met zijn persoonlijke geschiedenis. Wie De Drancy à Auschwitz (1946) openslaat, ziet voorin anderhalve bladzijde waarop in alfabetische volgorde de namen staan afgedrukt van vrienden van de auteur, aan wier nagedachtenis hij zijn boek opdraagt. In het voorwoord vermeldt hij dat hij gedurende tweeënhalf jaar in Drancy gevangen is geweest en een jaar in Auschwitz en Buchenwald. Voorts valt zijn studie uiteen in twee delen. Het eerste bevat een chronologische beschrijving van het leven in het Franse doorgangskamp. Hoewel hij hiervoor zonder twijfel uit zijn eigen ervaringen heeft geput, worden deze in dit gedeelte niet vermeld. Het tweede deel bestaat uit zeven korte hoofdstukken, waarin Wellers op basis van zijn eigen herinneringen de lotgevallen van enkele van zijn vrienden beschrijft. Zijn eigen ervaringen komen slechts indirect en uitsluitend in relatie tot anderen aan bod. Hij vestigt de aandacht van de lezer niet op zichzelf, maar op zijn lotgenoten.
De Amerikaanse historici Trunk, Hilberg, Robinson en Friedman lieten echter zonder uitzondering elke verwijzing naar de eigen geschiedenis achterwege. Raul Hilberg nam op dit punt zelfs een zeer extreme positie in; hij wilde bij publicatie van zijn driedelige studie het liefst zo anoniem mogelijk blijven. In de flaptekst wilde hij niets over zijn achtergrond vermeld zien. De uitgever besliste anders maar, schrijft Hilberg in zijn memoires, ‘the printed pages at least would be devoted to the subject, not the person who wrote them’. Hij streefde naar een koel, gedistantieerd en objectief betoog, waarvoor hij zich naar eigen zeggen bediende van ne