De wens de Tweede Wereldoorlog voor eens en voor altijd tot louter geschiedenis te verklaren, dateert al van kort na de bevrijding. Al in januari 1948 kreeg De Jong een brief van de toenmalige minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Jos. J. Gielen, waarin opheffing van het instituut in het vooruitzicht werd gesteld, ervan uitgaand dat zijn taak spoedig zou zijn beëindigd.1 De Jong wist destijds de dreigende sluiting af te wenden door een beroep te doen op het Nationaal Steun-fonds (nsf). Dit fonds had gedurende de bezetting verzetsactiviteiten gefinancierd en onderduikers geldelijk bijgestaan. De beheerders van het nsf zagen in de aanwending van de resterende gelden voor de geschiedschrijving van de oorlogsjaren een ‘logische afsluiting van de nsf-taak’. Vanaf 1 januari 1949 droeg dit speciale fonds zorg voor de financiering van het riod, terwijl het instituut verantwoording verschuldigd bleef aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.2
Met ingang van 1 januari 1963 kwam het instituut weer op de Rijksbegroting terecht. Het bestuur en de directie gingen ervan uit dat het in Amsterdam gevestigde instituut zijn deuren zou sluiten wanneer het geschiedwerk van De Jong zou zijn voltooid. De Jong zelf verklaarde in 1974 dat het ‘een ziekelijk verschijnsel’ zou zijn als deze bijzondere instelling daarna zou blijven voortbestaan. Ruim een jaar later overwoog staatssecretaris Ger Klein echter tot liquidatie over te gaan, nog voordat De Jong Het Koninkrijk zou hebben afgerond. Een door Klein ingestelde werkgroep adviseerde hiermee te wachten totdat De Jong - naar verwachting in 1985 - zijn geschiedwerk zou hebben volbracht. In 1978 besliste minister Arie Pais dat het riod nog geruime tijd zijn werk kon voortzetten.3
Zo vierde het Amsterdamse Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie in 1995 zijn vijftigjarig bestaan. Kennelijk was zijn taak ook na een halve eeuw nog niet beëindigd. In beschouwingen over de toekomst onderstreepten woordvoerders de maatschappelijke betekenis van het Rijksinstituut. Zo wees de Leidse hoogleraar en bestuurslid van het riod, J.Th.M. Bank, op de dienstverlenende functie en de bijzondere verant-
woordelijkheid van het instituut ten opzichte van de joodse gemeenschap. Hij achtte voorzichtigheid geboden bij hervorming van het riod tot een instituut voor contemporaine geschiedenis, zoals in Duitsland en Frankrijk respectievelijk in 1952 en 1978 reeds geschiedde. In de Bondsrepubliek Duitsland werd het in 1950 opgerichte Deutsches Institut für die Geschichte des national-sozialistischen Zeit al in 1952 omgevormd tot het Institut für Zeitgeschichte. En in Frankrijk zet het Institut d'Histoire du Temps Présent sedert 1978 het werk voort van het uit 1951 daterende Comité d'Histoire de la Deuxième Guerre Mondiale. Voor de behoedzaamheid van bestuur en directie waren meerdere redenen, maar één daarvan was de grote betekenis die ‘de oorlog’ in Nederland nog steeds heeft.4
Dit laatste is zonder twijfel in belangrijke mate het gevolg van de betekenis die Nederland is gaan hechten aan de moord op ruim honderdduizend joden. De terugblik op de Tweede Wereldoorlog in Nederland is in sterkere mate dan in andere West-Europese landen als België en Frankrijk bepaald door de vervolging en vernietiging van de joden. De geschiedschrijving van Herzberg, Presser en De Jong, die zich met hun werk bewust tot een algemeen publiek richtten, heeft daar een belangrijke bijdrage aan geleverd.
Gedurende de eerste jaren na de oorlog stond de jodenvervolging niet in het centrum van de publieke belangstelling, maar trokken verschillende kwesties in verband met de afwikkeling van de bezetting de aandacht: de berechting van politieke delinquenten in Nederland en daarbuiten, de zuivering en het rechtsherstel. De auteurs van het Menten-rapport noemden de periode tot grofweg 1947 de ‘wilde fase’. Hierna verdween de oorlog meer naar de achtergrond en namen eerder de nasleep, de wederopbouw, de strijd om de dekolonisatie van Indonesië en de Koude Oorlog Nederland in beslag.
Na de moord op meer dan honderdduizend joden uit Nederland was van een joodse gemeenschap eigenlijk geen sprake meer. Zoals Presser in zijn Epiloog opmerkt, resteerden slechts fragmenten. Van de joden in Nederland besloten bijna vierenhalfduizend in de jaren 1948-1953 het land te verlaten. De meerderheid vertrok naar de Verenigde Staten; vijftienhonderd personen verkozen Israël. Onder de laatsten bevonden zich
veel leden en leiders van de zionistische jeugdverenigingen. Daardoor ontstond in Nederland een gebrek aan joods leiderschap. In België en Frankrijk was de drang om te emigreren onder joden duidelijk minder sterk. Bovendien namen beide landen, anders dan Nederland, grote aantallen Displaced Persons op, die van belang waren voor het herstel van de overigens ook minder gehavende joodse gemeenschappen.5
In 1950 verscheen Herzbergs Kroniek der Jodenvervolging 1940-1945 in vier afleveringen, als onderdeel van het vierdelige verzamelwerk Onderdrukking en Verzet (1949-1954), dat in totaal achtenveertig afleveringen telde. In de nabeschouwing van Onderdrukking en Verzet stond de oudverzetsman H.M. van Randwijk, die tijdens de oorlog deel uitmaakte van de kern van het illegale Vrij Nederland, met verbijstering stil bij het lot van de joden en vestigde hij de aandacht op de meer dan honderdduizend Nederlandse slachtoffers. Hij beschouwde de stelselmatige uitroeiing van de joden als een nieuw verschijnsel in de wereldgeschiedenis. Overigens toonde hij zich teleurgesteld over het uitblijven van politieke vernieuwing in de naoorlogse periode en was hij vervuld van een diep cultuurpessimisme. De hoop die hij putte uit de toenemende internationalisering, belichaamd in de Verenigde Naties, dreigde door de Koude Oorlog de bodem te worden ingeslagen.6
Ook J.B. Charles, pseudoniem van criminoloog Willem Nagel (1910-1983), die tijdens de oorlog een actieve rol in het verzet had gespeeld, verwoordde de ontgoocheling en het pessimisme onder progressieve intellectuelen in zijn essaybundel Volg het spoor terug (1953). Van Randwijk en Charles bevonden zich echter in de marge van de overwegend pragmatisch en anticommunistisch ingestelde sociaal-democraten. Mede door de grote toekomstgerichtheid en de gespannen internationale situatie leidden hun opvattingen niet tot een brede intellectuele discussie.7
Terwijl de jaren vijftig globaal gezien werden gekenmerkt door een politieke consensus, voltrokken zich onder de oppervlakte tal van veranderingen.8 Dit laatste geldt ook voor de aandacht voor de jodenvervolging. In de literatuur wordt de periode tot grofweg 1961, het jaar van het beruchte Eichmann-proces, dikwijls gezien als een tijdvak van stilzwijgen en depolitisering van de collectieve herinnering aan de oorlog. De sterke nationale oriëntatie in het kader van de wederopbouw liet weinig ruimte voor een erkenning van het specifieke lot van joden tijdens de Tweede Wereldoorlog.9 De Koude Oorlog versterkte het anticommunisme en in brede kring werd het nationaal-socialisme gelijkgesteld aan het
communisme. Dit klimaat was evenmin bevorderlijk voor een erkenning van het specifieke karakter van de nationaal-socialistische moord op de joden.10 Zoals de Britse historicus Tony Kushner heeft aangetoond in zijn studie over de reacties op de massamoord op de joden in Groot-Britannië en de Verenigde Staten, stond de liberale ideologie het ontstaan van serieuze aandacht voor de bijzondere lotgevallen van joden in de weg.11 Ook in Nederland beriep de overheid zich op het gelijkheidsbeginsel ter verdediging van het uitblijven van speciale maatregelen voor joodse overlevenden.
Toch was er zeker in de tweede helft van de jaren vijftig wel degelijk sprake van een aanzienlijke belangstelling voor het joodse oorlogsverleden. Pressers De nacht der Girondijnen, dat joodse collaboratie in Westerbork als thema heeft, werd in 1957 geselecteerd als boekenweekgeschenk en verspreid in een oplage van enkele honderdduizenden. De film Opmars naar de galg (1958) en het gelijknamige boek (1959) confronteerden tienduizenden met de misdadigers die ook ‘Auschwitz’ op hun geweten hadden. In 1961 bereikte het boek zijn achtste druk, vanwege de grote belangstelling in een goedkope editie.12 En Het Achterhuis (1947) was inmiddels een internationale bestseller geworden. In 1955 was het in de Verenigde Staten bewerkt tot een toneelstuk dat internationaal, ook in Amsterdam, volle zalen trok. Vier jaar later werd de verfilming van het stuk een internationaal kassucces. Tussen 1955 en 1957 werden in Nederland vijftien drukken van Het Achterhuis vervaardigd.13
Daarnaast waren de artikelen die Meijer Sluyser in Het Parool schreef over de vooroorlogse Amsterdamse jodenhoek populair. Voordat ik het vergeet (1957), een bundeling van deze artikelen, kreeg een voorwoord van de toenmalige minister-president Drees. En in 1958 besloot de Amsterdamse gemeenteraad dat de voormalige Hollandse Schouwburg een monument moest worden. Vier jaar later, in 1962, werd de Hollandse Schouwburg als monument in gebruik gesteld. Uit de tekst op de plaquette bleek dat de joodse slachtoffers onder dezelfde noemer werden gebracht als de overige oorlogsslachtoffers: ‘Voormalige Hollandsche Schouwburg. Herdenkingsplaats van de in 1940-1945 gevallen Joodsche landgenoten.’14
Uit het bovenstaande blijkt dat de publieke interesse voor de jodenvervolging al in ruime mate aanwezig was voor het Eichmann-proces in 1961. Ido De Haan citeerde een uitspraak van een medewerker van Vrij Nederland enkele maanden voor de opening van het proces:

‘Commercieel gesproken werd [...] Eichmann op het juiste moment in zijn kraag gegrepen. In een periode namelijk dat door nog niet geheel opgehelderde oorzaken de belangstelling voor allerlei gebeurtenissen uit de Tweede Wereldoorlog een niet geringe opleving vertoonde. [...] Een bij het grote publiek betrekkelijk onbekende man kan plotseling het kristallisatiepunt worden voor de tot dat moment nogal chaotisch door de breinen van duizenden zwevende gegevens over de vervolging en vernietiging der joden.’15
Het geruchtmakende proces, dat vanaf 11 april 1961 in Jeruzalem werd gehouden, werd van begin tot eind - de voltrekking van het doodvonnis op 31 mei 1962 - in de pers op de voet gevolgd. In de maand van de opening verscheen Antwoord aan het kwaad, waarin Presser fragmenten uit dagboeken en verslagen van joodse slachtoffers bijeen had gebracht. De bundel trok sterk de aandacht in dagbladen en radio-uitzendingen.
De berichtgeving over de terechtzittingen gaf het debat over passiviteit en collaboratie een krachtige impuls, hetgeen een politisering van
de herinnering aan de oorlog betekende. In Nederland was het proces voor publicisten aanleiding de houding van het Nederlandse volk tijdens de bezetting op kritische wijze aan de orde te stellen. J.B. Charles greep het Eichmann-proces aan voor een beschouwing in Maatstaf over tal van personen in Duitsland en Nederland die naar zijn mening ten onrechte niet alleen niet werden vervolgd, maar dikwijls zelfs vooraanstaande posities in de naoorlogse samenleving bekleedden. Hij roerde het optreden van de Joodse Raad aan, dat hij afkeurde, maar hij stelde met nadruk dat het niet eenvoudig was zonder meer vast te stellen waar de joodse leiders de grens hadden moeten trekken. Dit laatste gold niet voor het gedrag van Nederlanders die de bezetter medewerking hadden verleend bij de jodenvervolging.16 Van Randwijk formuleerde in De Gids enkele notities naar aanleiding van het proces. Hij stelde de alom gewaardeerde gehoorzaamheid van de ambtenaar ter discussie, onder verwijzing naar de jodenvervolging. Uit gehoorzaamheid hadden politiemannen joden opgepakt, had spoorwegpersoneel de deportatietreinen gereden en hadden tallozen geweigerd joodse onderduikers onderdak te bieden.17 Ook De Haan signaleert ‘een bredere erkenning in deze periode van de passieve verantwoordelijkheid van de Nederlandse samenleving voor de jodenvervolging’, die onder meer blijkt uit een bijeenkomst in het Amsterdamse Krasnapolsky op 21 april 1961 onder het motto ‘Eichmann was niet alleen’.18
De artikelen van Arendt, die eerst in februari en maart 1963 in The New Yorker verschenen en die zij nog hetzelfde jaar bewerkte tot het boek Eichmann in Jerusalem, bepaalden de openbare discussie echter spoedig vooral bij de reacties van joden op de vervolging en in het bijzonder bij het optreden van de joodse leiders. Arendts publicaties over het proces, die onder New Yorkse intellectuelen een ‘burgeroorlog’ ontketenden,19 werden in Nederland overwegend negatief ontvangen. Voor de redactie van De Joodse Wachter was Arendts boek aanleiding in het najaar van 1963 voorbereidingen te treffen voor een symposium over Eichmann in Jerusalem in combinatie met Hilbergs studie. Het was de bedoeling dat deze bijeenkomst, waarvoor onder anderen Presser en Herzberg als sprekers werden uitgenodigd, zou uitmonden in een tweetalig - Engels en Nederlands - nummer van het blad. Om onbekende redenen is het plan echter niet gerealiseerd. Uit mededelingen van de redactie blijkt dat zij ervan uitging dat de aanwezigen stelling zouden nemen tegen ‘lasterlijke beweringen’ van de Amerikaanse wetenschappers.20
Evenals aan de overzijde van de Atlantische Oceaan verweten recensenten, onder wie Sam de Jong in het niw, de auteur - overigens ten onrechte - dat zij de joden van lijdzaamheid tegenover de vervolging beschuldigde. De Jong trachtte Arendt te diskwalificeren door erop te wijzen dat zij ‘in februari '33 al de benen nam’.21 Presser schreef een vernietigende bespreking van het betreffende boek, dat hij ronduit onbetrouwbaar noemde.22 Historicus H.W. von der Dunk verwierp in de Nieuwe Rotterdamsche Courant en in Propria Cures vanwege het ontbreken van een werkelijk alternatief haar beschuldiging van medeplichtigheid aan het adres van de Joodse Raden. In het studentenblad formuleerde hij zijn standpunt als volgt: ‘[...] het aantal slachtoffers hing niet af van de Joodse Raad of aanverwante zielige instellingen, die slechts een uitvloeisel waren van de nazispecialiteit om hun moordprogramma met allerlei organisatorische arabesken te versieren’.23
Daartegenover betuigde de vooraanstaande socialistisch-zionist en hoogleraar economie in Amsterdam, S. Kleerekoper (1893-1970), in Vrij Nederland zijn instemming met de bewering van Arendt dat de Joodse Raden fataal waren geweest voor de bedreigde joden. Voor Nederland achtte hij Arendts stelling zeker van toepassing en hij voerde feiten aan die deze these verder ondersteunden.24 En Renate Rubinstein noemde in Hollands Maandblad het boek ‘een meesterwerk’. Wat Nederland betreft, concludeerde zij, waren niet alleen de joodse leiders tekortgeschoten, maar ook de Nederlandse regering.25
Ook de houding van de geestelijk leider van de rooms-katholieke kerk tijdens de nazi-heerschappij kwam in deze periode onder vuur te liggen. In 1963 brak een conflict uit naar aanleiding van Rolf Hochhuths toneelstuk Der Stellvertreter, dat handelde over de passiviteit van paus Pius xii ten aanzien van de jodenvervolging. Een jaar later publiceerde de historicus Saul Friedländer Pie xii et le iiie Reich, Documents, een becommentarieerde verzameling stukken over de opstelling van Pius xii tegenover Hitler-Duitsland. Het boek baarde destijds veel opzien en werd in vele talen, waaronder ook het Nederlands, vertaald. Dag- en weekbladen publiceerden lange besprekingen van Friedlanders studie.
Van het kleine koude front (1962) van J.B. Charles, die gepreoccupeerd bleef met het Duitse en Nederlandse oorlogsverleden, werd een succes. Vooral jongeren verslonden Charles' kritische beschouwingen over de opportunistische wijze waarop Nederland met de erfenis van de oorlog was omgesprongen.26
In 1964 kwamen de daders opnieuw in het middelpunt van de publie-
ke belangstelling te staan toen in Frankfurt het Auschwitz-proces werd gehouden.27
Ten slotte werd in de jaren 1960-1965 de televisieserie De Bezetting uitgezonden, de tweede samenvatting van de oorlogsgeschiedenis na Onderdrukking en Verzet. De afleveringen over de jodenvervolging, waarvan de tweede slechts enkele weken voor de voltrekking van het doodvonnis van Eichmann werd uitgezonden, maakten diepe indruk op het kijkerspubliek. Overigens heeft historicus Frank van Vree in zijn studie over de herinneringen aan de jodenvervolging, In de schaduw van Auschwitz (1995), vastgesteld dat in De Bezetting de individuele overlevenden ontbreken en de collaboratie en passiviteit van Nederlandse instanties en bevolking nauwelijks kritisch worden geëvalueerd.28
Al met al was er na een korte periode van vermoeidheid sprake van een gestaag groeiende belangstelling voor het oorlogsverleden vanaf de tweede helft van de jaren vijftig. Het Eichmann-proces betekende een intensivering van deze interesse en deed het debat over collaboratie en passiviteit oplaaien. De klemtoon lag al spoedig vooral op het joodse leiderschap, hoewel kritische intellectuelen de houding van de Nederlandse samenleving aan de orde stelden. Toen Herzbergs Kroniek verscheen - in 1950 - was er sprake was van een zekere vermoeidheid en verzadiging wat ‘de oorlog’ betreft, terwijl Ondergang werd gepubliceerd in een periode van heftig publiek debat over collaboratie en passiviteit. De reacties op respectievelijk Kroniek en Ondergang vertonen dan ook grote verschillen.
Herzberg was voor menigeen, ook in niet-joodse kring, geen onbekende meer. Met zijn filosofische bespiegelingen in De Groene Amsterdammer, die in 1946 gebundeld werden onder de titel Amor Fati, had hij zich bewust en met succes tot een algemeen, niet-joods publiek gericht.29 Daarnaast bleven zijn dagboekaantekeningen uit Bergen-Belsen (Twee-stromenland) niet onopgemerkt. Ter gelegenheid van het eerste lustrum van de capitulatie van Duitsland vulden deze alle kolommen van De Groene.30
Uit de recensies van Tweestromenland spreken gemengde gevoelens. De meeste recensenten vonden Tweestromenland van uitzonderlijke
kwaliteit vanwege de soberheid van het verhaal en de aandacht voor het geestelijke aspect. In het Volksweekblad prees de recensent ‘de koelbloedigheid en de zakelijkheid’ van Herzbergs beschrijving ‘van die vechtende, klagende, stelende gemeenschap van concentratiekampbewoners’.31 Aan dit aspect van Herzbergs dagboeknotities werd opvallend veel aandacht besteed, alsof het een opluchting was - of erger - te vernemen dat joden in de kampen niet alleen grootmoedig gedrag hadden vertoond. De recensent van het weekblad van de Katholieke Lerarenvereniging St. Bonaventura schreef zelfs: ‘Dit boek toont ons, hoe de Joden daar door hun egoïstische angst voor de dood hun kampleven tot een hel maakten.’ De Groene beschuldigde hierop de auteur van antisemitisme, waarna St. Bonaventura nog eens terugkwam op Herzbergs boek. De tweede auteur wees de katholieke leraren op het gevaar van het antisemitisme, of in elk geval ‘het gevoel dat we met de Joden niets te maken hebben’.32
Daarnaast was er kennelijk meer dan vijf jaar na het einde van de oorlog sprake van een evidente vermoeidheid wat kampliteratuur betreft. Vrijwel alle besprekingen maken een opmerking in deze richting om vervolgens voor Herzbergs dagboekaantekeningen een uitzondering te bepleiten. Vooral in de confessionele pers roeiden recensenten tegen de stroom in en riepen ze op tot bezinning en zelfonderzoek. Zo schreef het weekblad van de Hervormde Kerk: ‘Wij weigeren te gemakkelijk kennis te nemen van het verleden, waar wij deel aan hebben. [...] Is dat een verhuld gevoel van schuld, omdat wij nadien zo weinig geleerd en toen zo weinig gedaan hebben?’33 Ook Kerk en Wereld liet een soortgelijk geluid horen: ‘De tijd voor dit soort lectuur lijkt wel voorbij; wij weten het nu wel! Ik zeg: wij hebben het nooit goed genoeg geweten, anders waren wij nu alweer niet bezig het te vergeten. Wij hebben er veel te weinig van geleerd.’
Herzbergs bijdrage aan Onderdrukking en Verzet, die de derde publicatie van zijn hand was over de jodenvervolging, werd in de media en in de enige recensie van Kroniek in de vakpers vooral vanwege haar literaire karakter vrijwel algemeen als een hoogtepunt in het verzamelwerk gekwalificeerd.34
In de niet bijzonder talrijke besprekingen keren drie elementen regelmatig terug: de onbegrijpelijkheid en derhalve onverwerkbaarheid van de moord op de joden, waardering voor de ‘objectiviteit’ van Herzberg tegenover dit overweldigende onderwerp en gevoelens van schaamte. Zo merkte Het Vrije Volk op: ‘Over veel van wat er in ons land van 1940 tot 1945 is gebeurd zullen wij nog lang onze kinderen kunnen vertellen.
Over de Jodenvervolging niet. Die blijft als een niet te verwerken stuk waanzin in onze historie liggen.’ Juist daarom had de recensent zoveel waardering voor Herzberg omdat deze desalniettemin ‘met bijna bovenmenselijke objectiviteit [...] op het wezen van deze waanzin [inging]’.35 In een terugblik op de gehele serie in 1954 vestigde dezelfde krant opnieuw de aandacht op de ‘beklemmende objectiviteit’ van Herzbergs bijdrage, die volgens de recensent tot gevolg had dat ‘deze grootste schande van de moderne geschiedenis ons tot in lengte van jaren met schaamte, verdriet en ontzetting zal vervullen’.36
Achteraf is het moeilijk te doorgronden dat vrijwel alle recensenten - een uitzondering is het artikel in het Nederlands Juristenblad37 - Herzbergs Kroniek klaarblijkelijk niet emotioneel vonden. Zij waren waarschijnlijk onder de indruk van Herzbergs prestatie gezien diens eigen ervaringen, die door zijn overige geschriften in brede kring bekend waren. Daaruit kan ook worden afgeleid dat de behoefte aan een dergelijke benadering van dit beladen hoofdstuk uit de oorlogsgeschiedenis in die jaren groot was. Ook is het dwangmatig zoeken naar objectiviteit een opvallend element in de reacties op Herzbergs Kroniek. In de eerste plaats werd de toenmalige geschiedopvatting nog gedomineerd door het positivisme, waarin het objectiviteitsideaal een centrale plaats inneemt. Maar wellicht doelden de schrijvers met hun nadruk op de ‘objectiviteit’ vooral op de wijze waarop Herzberg het Nederlandse volk collectief onschuldig had verklaard aan de jodenvervolging.
In verschillende recensies werd dan ook de medeverantwoordelijkheid van de Nederlandse samenleving geheel en al buiten beschouwing gelaten. Zo sprak het Algemeen Handelsblad alleen over de vervolgden - ‘Ach, zij waren geen helden, die vervolgden [...] zij waren heel gewone mensen, die vochten voor het naakte leven in de natuurlijke drang tot zelfbehoud en die in deze strijd soms het saamhorigheidsgevoel verloren’ - en over de daders.38 En de Heerenveense Koerier besprak het hoge aantal slachtoffers uit Nederland en wees daarbij op de onwil onder joden om onder te duiken (‘veel Joden, die wel hadden kunnen onderduiken, hebben het niet gewild: uit angst, uit solidariteit, uit traagheid’). De recensent repte met geen woord over de opstelling van de niet-joodse bevolking.39
Dit neemt niet weg dat verschillende critici zich wel degelijk bevangen toonden door schaamte. De Tijd kwalificeerde naar aanleiding van Kroniek de jodenvervolging als ‘tragisch onherstelbaar, beschamend en vernederend voor Nederland en de mensheid’. Vervuld van schuldbesef
constateerde de recensent dat het joodse volk helemaal alleen zijn lijdensweg heeft moeten gaan. Herzbergs verhaal, concludeerde De Tijd, verdiende ‘de aandacht van alle Nederlanders, die het hart op de goede plaats hebben’.40 En Evert Werkman toonde zich in Het Parool geplaagd door gevoelens van schuld.
‘Aan ons allen knaagt de schuld, niet méér te hebben gedaan. Er was moed, zelfverloochening, een bezielende naastenliefde en vooral een rotsvast vertrouwen nodig om de vervolgden te helpen. Te weinigen hebben van die moed, die liefde en dat vertrouwen blijk gegeven. Des te groter zij onze bewondering voor de tòch nog duizenden landgenoten, die met gevaar voor eigen leven de vogelvrij verklaarden hielpen.’41
Werkman, die later ook zou schrijven over het werk van Presser en De Jong, wist uit eigen ervaring dat hulpverlening aan de joden geen sinecure was. Een aantal vooraanstaande en vaste recensenten van het werk van de drie Nederlandse historici waren oud-verzetslieden. Het is opvallend dat juist mensen met een achtergrond als Werkman geplaagd werden door het gevoel tekort te zijn geschoten.42
Het onderscheid dat Herzberg met enige nadruk had aangebracht tussen maatschappelijk en politiek antisemitisme,43 bleef in veel recensies onbesproken. De Nieuwe Apeldoornse Courant vestigde echter wel de aandacht op dit gevoelige punt, dat menigeen na de moord op de joden in verlegenheid moet hebben gebracht. De recensent wees met name op de opmerking van Herzberg dat de afwijzing van de jodenvervolging door de overgrote meerderheid van de Nederlanders niet was gebaseerd op een afwijzing van het antisemitisme. Hij wierp in dit verband de ongemakkelijke vraag op of het Nederlandse volk ‘zo voor de joden zou zijn opgekomen als Duitsland een politiek van gematigd antisemitisme zou hebben gevoerd met bepaalde economische maatregelen tegen de Joden, zonder meer’. Bovendien vermeldde hij het toegenomen antisemitisme in de jaren na de oorlog, hoewel hij op dit punt optimistisch was gestemd. Hij sprak de verwachting uit dat ‘het weldenken van het overgrote deel van ons volk [...] ons ook over de korzeligheden van de moeilijke na-oorlogse tijd heen zal helpen naar een beter, waarachtig begrip voor de positie van de Joden, die het leed overleefd hebben’.44 Ook in De Groene Amsterdammer besteedde de recensent aandacht aan Herzbergs opmerkingen over de toename van antisemitisme na de oor-
log en kwalificeerde dit verschijnsel als ‘medeplichtigheid’. Voorts greep hij Herzbergs interpretatie van de jodenvervolging aan voor een uiteenzetting over het jodendom als ‘gewetensdrager’ in de vooroorlogse Nederlandse samenleving. Met de liquidatie van de joden stond Nederland - en Europa als geheel - in zijn ogen voor de dringende vraag wie deze rol van het joodse volk zou overnemen.45
In het tijdschrift dat door het cdjc werd uitgegeven, stelde Poliakov vast dat Kroniek de eerste studie was over de vernietiging van een joodse gemeenschap in Europa en prees hij de auteur voor zijn subtiele psychologische interpretatie. Dit laatste gold naar Poliakovs mening vooral voor het hoofdstuk waarin hij de oorzaken van de nationaal-socialistische jodenvervolging trachtte te doorgronden.46
Een dissonant in de reacties op Kroniek is de recensie in het niw van redacteur M.H. Gans, die in twee artikelen uiting gaf aan zijn diepe teleurstelling en ergernis. Hij vergeleek Herzberg met Flavius Josephus, de joodse geschiedschrijver die in joodse kringen als een afvallige te boek staat omdat hij zich in zijn geschiedschrijving van de val van Jeruzalem in 70 zou hebben gedistantieerd van het joodse volk. Gans wist waarschijnlijk hoezeer hij de auteur van Kroniek hiermee zou treffen. In 1940 had Herzberg in De Joodse Wachter zelf Flavius Josephus gekarakteriseerd als ‘kleurloze, karakterloze, hoogst begaafde en bekwame, maar tenslotte laffe zoeker naar eigen dekking [...]’.47 Gans concludeerde weliswaar dat de vergelijking welbeschouwd niet helemaal standhield, maar intussen was het verband met de verguisde geschiedschrijver wel gelegd. Opvallend genoeg verweet Gans Herzberg juist een te grote mate van objectiviteit aan de dag te hebben gelegd.
Voorts besprak hij uitvoerig Herzbergs behandeling van het beleid van de Joodse Raad. Terwijl de overige recensenten zich in deze kwestie onthielden van commentaar, liet Gans uitkomen dat hij zich buitengewoon had gestoord aan het terughoudende commentaar van Herzberg op de naoorlogse verdediging van Cohen. Deze had gesteld dat hij gerechtigd was aan te wijzen wie zo lang mogelijk buiten schot dienden te blijven, daarbij in de eerste plaats denkend aan de leden van de Joodse Raad. In de passage die Herzberg hieraan had gewijd, had hij opgemerkt dat ‘geen enkele gemeenschap dit aanvaardt’. Deze nuchtere constatering was voor Gans absoluut onvoldoende. ‘Ik kan niet geloven dat het zo koel, zo simpel in den schrijver van Amor Fati leeft. Het terecht of ten onrechte wordt niet eens uitgesproken.’ De essays over Bergen-Belsen had hij kennelijk wel als emotioneel ervaren. Waarna een passage
volgde die Herzberg diep moet hebben geraakt: ‘Dit is in wezen een in de steek laten van onze doden. [...] Hij schrijft net voldoende om er niet van verdacht te worden het terwille van zijn cliënten te doen. Hij schrijft net te weinig om niet te geloven dat hij zich teveel op zijn niet-Joodse opdrachtgevers heeft ingesteld.’48 De beschuldiging aan het adres van de voorzitters van de Joodse Raad dat zij zichzelf en hun naasten hadden begunstigd ten koste van de grote groep joden zonder connecties, werd hiermee ook op Herzberg van toepassing verklaard.
Ten slotte spraken uit de niw-bespreking diepe teleurstelling en bitterheid over de reacties in de niet-joodse wereld op de ramp die de joden in Nederland had getroffen. Naar de mening van Gans was er vijf jaar na de oorlog al geen sprake meer van echte belangstelling of van een serieuze poging tot vereenzelviging met de ervaringen van joden. Op grond hiervan nam hij het Herzberg kwalijk zich vooral tot niet-joden te hebben gewend in plaats van zich te concentreren op de joodse groep.49
Enkele maanden later, in maart 1951, vervolgde Gans zijn bespreking in de vorm van een reactie op een ingezonden brief, waarin Herzberg in bescherming was genomen. De climax van dit tweede artikel wordt bereikt met een voortgezette aanval op Herzbergs behandeling van het optreden van de Joodse Raad. Gans wond zich buitengewoon op over de zin ‘Arme, arme Sientje! Wat heb je de Joodse Raad gehaat en hoe goed kunnen we je begrijpen.’, die hij ‘walgelijk, walgelijk en nog eens walgelijk’ noemde. Herzberg en de ingezonden brievenschrijfster behoorden volgens hem zelf tot de kringen van de Joodse Raad en de ‘Gesperrden’. Kroniek, stelde hij, was exclusief vanuit het gezichtspunt van die kringen geschreven en was daarom ‘bewust of onbewust tot een verdediging van het eigen kringetje [geworden] [...] en tot een nog sterkere distanciëring [...] van alle anderen, die zich toch niet meer verdedigen kunnen [...]’.50
Ondergang werd gelanceerd op het moment dat Nederland zich opmaakte voor de twintigjarige viering van bevrijdingsdag. De presentatie was door De Jong als directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, die de rol van Pressers impresario op zich nam, op professionele en zorgvuldige wijze voorbereid. Drie weken voor de datum van

Presentatie van Ondergang, op 22 april 1965 in de Hollandse Schouwburg te Amsterdam. Van links naar rechts: minister M. Vrolijk, J. Presser en burgemeester G. van Hall (foto Ben van Meerendonk).
verschijning verstrekte het instituut op een persconferentie onder embargo exemplaren van Ondergang aan de pers, om deze in de gelegenheid te stellen alvast kennis te nemen van de inhoud. Hetzelfde recept zou in de daaropvolgende decennia worden toegepast bij de presentatie van de achtereenvolgende delen van Het Koninkrijk der Nederlanden tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het eerste exemplaar werd op 22 april 1965 in de Hollandse Schouwburg door de minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, M. Vrolijk, aangeboden aan de burgemeester van Amsterdam, G. van Hall: De minister hield een toespraak, die door De Jong in concept was geschreven. Een vergelijking van de concepttekst met de definitieve versie brengt interessante verschillen aan het licht, juist in de passages die betrekking hebben op de medeverantwoordelijkheid van de Nederlandse samenleving voor de jodenvervolging. De Jong was op dit punt stellig in zijn formuleringen, maar deze waren in de door de minister uitgesproken tekst stelselmatig afgezwakt. Het meest sprekende voorbeeld is
de weglating door Vrolijk van twee zinnen waarin De Jong zonder meer van ‘medeschuld’ van het Nederlandse volk sprak. Nadat hij de vraag had opgeworpen of de Nederlandse bevolking de vervolgen ‘alle bescherming [had] gegeven die in ons vermogen lag?’, schreef De Jong in zijn concept: ‘Het is mij niet bekend dat iemand tijdens of na de oorlog die vraag bevestigend heeft durven beantwoorden. Hier ligt onze medeverantwoordelijkheid als volk en, zo men wil: onze, door te grote, zij het verklaarbare passiviteit bepaalde medeschuld.’ Deze beide zinnen ontbraken in de definitieve tekst van de toespraak. Daarnaast had de minister wijselijk besloten een merkwaardige toevoeging van De Jong te schrappen. Deze had gesteld dat niemand zich ‘vrijgepleit [...] kon achten met het argument: maar ik wist niet van Auschwitz of Sobibor, ik wist niet van gaskamers’. Tussen haakjes had hij hieraan toegevoegd dat dit gold voor joden en niet-joden. De evenredigheid die De Jong op dit punt wenste toe te passen, zal de minister zijn ontgaan.51
Binnen vier dagen was de volledige oplage van elfduizend exemplaren uitverkocht. Kranten meldden dat boekhandels in Amsterdam werden bestormd52 en dat vooral jongeren het boek aanschaften.53 Bij de Staatsdrukkerij heerste chaos als gevolg van de vele bestellingen van boekhandelaren. Onmiddellijk werd besloten een tweede druk van tienduizend exemplaren te vervaardigen, die eveneens de winkels uitvloog. Een medewerker van de uitgeverij gaf een welhaast utopische weergave van de werkelijkheid en beklemtoonde het bijzondere karakter van Ondergang: ‘[...] men reageert zo waardig op dit boek, dat met een hoofdletter geschreven moet worden. De boekhandel verkoopt dit boek kennelijk liever dan een gewone bestseller, waar het meer om de verdienste gaat.’54
In de dag- en weekbladpers verschenen onmiddellijk paginalange artikelen, dikwijls bestaand uit uittreksels en citaten. Menig dagblad wijdde enkele dagen later een hoofdartikel aan Het Boek. Vooral de provinciale kranten publiceerden enige dagen achtereen uittreksels.
Terwijl Herzberg vrijwel algemeen was geprezen om zijn ‘objectiviteit’, vestigden bijna alle besprekingen van Ondergang juist met waardering de aandacht op Pressers grote betrokkenheid bij zijn onderwerp. De recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant noemde de stijl van Presser ‘niet de stijl van de kille geleerde, maar van een geëngageerde, wiens wetenschappelijke bekwaamheid hem voor een verschrikkelijke en rechtvaardige uitbarsting heeft behoed’.55 Anderen gingen een stapje verder en wezen erop dat Presser was afgeweken van de gangbare academische geschiedschrijving. Zo werd in het redactioneel commentaar in
het Algemeen Handelsblad opgemerkt dat de emotionaliteit die Ondergang kenmerkte ‘misschien niet past bij de academische historicus, maar wel bij de geschiedschrijver die met deze moord te maken heeft’.56 In De Groene Amsterdammer klaagde redacteur Han Lammers (1931) de nalatigheid van de Nederlandse bevolking en overheid aan. Na een lange opsomming van tal van Nederlandse instellingen die hadden verzuimd de joden te hulp te schieten, wierp hij twee retorische vragen op: ‘Is het te laken, dat de auteur hier en daar zijn greep op zichzelf verliest, en zijn ironie de vrije teugel laat? Mag men hem verwijten dat hij soms meer polemist dan geschiedschrijver is?’57
Veruit de meeste critici vestigden de aandacht op de bijzondere wijze waarop Presser in Ondergang zijn engagement had vormgegeven, maar zagen hierin geen reden het boek te bekritiseren. Ook de redactie van het vooraanstaand vaktijdschrift Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden (bgn) schrok ervoor terug Pressers studie, die zij had aangekondigd als een ‘ontroerend boek’,58 te scherp te bekritiseren. Zij weigerde de bespreking van Von der Dunk te plaatsen, volgens de auteur omdat ‘de gewenste eerbied ontbrak’. Hij vond dit een ‘niet onvermakelijke’ bevestiging van hetgeen hij in zijn stuk had beweerd, namelijk dat Nederland de publicatie van Ondergang behandelde als was het de onthulling van een standbeeld.59 Von der Dunk voelde er niet voor zijn recensie te herschrijven, waarna de redactie voormalig riod-medewerker A.E. Cohen benaderde als recensent. In 1951 had Cohen tijdens het Zevende Congres van Nederlandse historici een lezing gehouden over de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog. Hierin had hij onder meer het probleem van de emotionele betrokkenheid van de contemporain historicus aan de orde gesteld.60 Wegens tijdgebrek en de overdaad aan kritische kanttekeningen die hij wilde plaatsen heeft hij zijn recensie van Ondergang echter niet voltooid.61
Gezien de aard en omvang van de gebeurtenissen die Presser als rechtstreeks betrokkene in zijn studie had vastgelegd, vonden de meeste recensenten de emotionele benadering adequaat en gerechtvaardigd. Daarnaast werden de algemeen gangbare criteria ter beoordeling van geschiedschrijving buiten werking gesteld. Welbeschouwd werd in de kritiek op Ondergang de noodtoestand afgekondigd.
Von der Dunk achtte het daarentegen bezwaarlijk dat in Ondergang documentatie, aanklacht en beschrijving niet duidelijk waren onderscheiden. Voorts uitte hij kritiek op het ontbreken van enige compositie en de afwezigheid van achtergrond.62 De bgn-redactie zag ervan af deze
kritische kanttekeningen aan de openbaarheid prijs te geven.
Het Tijdschrift voor Geschiedenis publiceerde een lange recensie van de hand van historicus I. Schöffer, die tijdens de oorlog als student betrokken was geweest bij de hulp aan onderduikers en het koeriers- en inlichtingenwerk.63 Deze was vol lof over de literaire kwaliteiten van Ondergang, dat naar zijn oordeel evenwichtig was ingedeeld en een schat aan feitenmateriaal bevatte. Maar ook hij vond het jammer dat Presser ‘te krampachtig’ had geprobeerd zijn geschiedschrijving zo min mogelijk te belasten met wetenschappelijke aspecten en meende dat Presser ‘in de opzet en thematiek van zijn werk te beperkt’ was gebleven. Met dit laatste punt doelde Schöffer op Pressers doelstelling klacht en aanklacht van de vermoorden te doen weerklinken. Is het niet minstens zo belangrijk, vroeg Schöffer, te begrijpen en te verklaren? Presser had zich echter eenzijdig met het weerloze slachtoffer geïdentificeerd, waarbij hij naar Schöffers oordeel te snel en te gemakkelijk oordeelde over velen die verantwoordelijkheid droegen. Op grond van genoemde punten concludeerde Schöffer dat Presser er niet in was geslaagd een volgende fase in de geschiedschrijving over de jodenvervolging te bereiken.64
Ten slotte maakte Jaap Meijer in Kleio, het blad van de vereniging van geschiedenisleraren, bezwaar tegen de emotionele en in zijn ogen sensatiebeluste wijze waarop een en ander in Ondergang werd gepresenteerd. Meijer was degene met wie de besprekingen over de opdracht in 1948-1949 op niets waren uitgelopen.65 Ondergang was volgens hem een specimen van verouderde joodse geschiedschrijving in de diaspora, die appelleert aan het medelijden van niet-joden. Maar hij vreesde dat zelfs dat doel in zijn tegendeel kon verkeren: achterdochtig wierp hij de vraag op: ‘Hoevele kopers [...] zullen niet intens genieten van deze ondergang, zoals zij vroeger genoten van de nationaal-socialistische geestes-producten.’66
Evenals Schöffer vond Meijer dat Presser historiografisch gezien geen vooruitgang had geboekt, maar zijn formulering was aanzienlijk polemischer: ‘Presser's beschouwingen komen niet uit boven een journalistiek relaas van afschuwelijke feiten, die al bijna 25 jaar gemeengoed waren van Joden en niet-Joden en die we nu zo graag eens zagen toegelicht - desnoods zonder plaatjes.’67
Meijer formuleert op zichzelf relevante kritiek, maar de heftige toonzetting leidde de aandacht af van de inhoud. Dit blijkt uit de kritiek die de Kleio-redactie ontving op plaatsing van Meijers artikel. In een later nummer publiceerde zij een ingezonden brief van twee naaste mede-
werkers van Presser aan het Historisch Seminarium, M.C. Brands en J. Haak, die beiden kort geleden bij hem waren gepromoveerd, en een artikel van Lammers uit De Groene Amsterdammer, waarvan hij op dat moment redacteur was. Deze twee reacties gingen niet in op de inhoud van Meijers kritiek, maar vooral op de toonzetting. Brands en Haak vonden het beleid in dezen van de redactie ‘onbegrijpelijk’, in de eerste plaats vanwege ‘de grievende, kwetsende toon’. Deze was volgens hen temeer onaanvaardbaar met betrekking tot de jodenvervolging, ‘een recent gebeuren van gruwelijke aard, waarop door auteur, recensent en lezer veel sterker gevoelsmatig gereageerd wordt dan op een “gewoon” historisch onderwerp. Het is een deel van hun leven, voor velen nog een dagelijks lijden.’68
Lammers vond de door Kleio gepubliceerde ‘libel’ getuigen ‘van kwade wil, ja kwade trouw’. Nadat hij eerder had gepleit voor een goedkope uitgave van Ondergang, zodat zoveel mogelijk jongeren kennis van de inhoud konden nemen, voelde hij zich geroepen geschiedenisleraren, te waarschuwen. ‘Het zou o.i. rampzalig zijn,’ schreef hij, ‘wanneer de benaderingswijze van de heer Meijer gemeengoed op de middelbare scholen werd.’69
De emotionele betrokkenheid van Presser werd eveneens inzet van een discussie in de kolommen van de Nieuwe Rotterdamse Courant over de opdracht aan Presser. Was het gezien Pressers eigen ervaringen in de oorlogsjaren niet ongepast geweest hem te vragen de lotgevallen van de joden tijdens de Duitse bezetting te boekstaven? Joh. S. Wijne (1930), leraar geschiedenis en medewerker van de krant, die overigens niet twijfelde aan Pressers deskundigheid, vroeg zich in een ingezonden brief af waarom ‘men dit prof. Presser heeft aangedaan. Waarom moest hij het geschiedverhaal schrijven van een gebeuren waar hij zelf zo emotioneel en persoonlijk bij was betrokken?’ Naar zijn oordeel had een niet-joods historicus gekozen moeten worden ‘voor wie dit gebeuren werkelijk geschiedenis is’, ‘[... die] niet geëngageerd is’. Met Presser als auteur was het, meende hij, bovendien mogelijk geworden zich van Ondergang te distantiëren door het te beschouwen als een joods geschiedeniswerk.70
Uit reacties van andere lezers bleek dat zij zich niet konden voorstellen dat iemand na lezing van Ondergang kon denken er niets mee te maken te hebben. Het argument dat een niet-joodse geschiedschrijver serieuzer genomen zou worden, werd krachtig van de hand gewezen. Drie respondenten daagden Wijne uit nader toe te lichten hoe hij zich die niet-geëngageerde, jeugdige, niet-joodse geschiedschrijver voorstelde.
‘Hoe ter wereld kan iemand, die in het bezit is van normaal menselijke gevoelens, zich niet geëngageerd voelen bij een dergelijke massamoord op medemensen. Zelfs over 2000 jaar zullen ook “arische” historici zich geëngageerd voelen, tenzij het lieden zijn van hetzelfde kaliber als diegenen, die in de oorlog volkomen ongeïnteresseerd doortennisten, terwijl de Joden in het sportpark werden bijeengedreven.’71
De vraag of men dit Presser wel had mogen aandoen, werd ook door anderen gesteld. R.A. Levisson (1913), destijds voorzitter van de Liberaal Joodse Gemeente in Den Haag, vroeg zich in Het Vaderland af of uitgerekend Presser deze geschiedenis had moeten schrijven. Zijn antwoord luidde: ‘In honderd gevallen niet, maar in dit geval nu juist wel.’ De combinatie van direct betrokkene, wetenschappelijk besef en menselijke integriteit stond wat Levisson betreft garant voor een verantwoord resultaat en hij uitte zijn dankbaarheid jegens Presser voor de tour-de-force die het schrijven van Ondergang voor hem moest zijn geweest.72
De niw-redactie publiceerde in de mei-bijlage voor jongeren een beknopte weergave van een gesprek waaraan vijf joodse jongeren, allen studenten die de oorlog als kind hadden beleefd, deelnamen onder leiding van de historicus I. Lipschits: Lode Brakel, Jehoeda van Dijk, Betty Rijxman, Bram de Swaan en Philip van Tijn.73 Zij discussieerden eveneens over de keuze van Presser als auteur en de consequenties daarvan voor de inhoud. Brakel verklaarde ‘blij’ te zijn dat het boek door een jood was geschreven. Hij was van mening dat het ‘voor joden, die het onderwerp, het object zijn geweest van een dergelijke vervolging, [het] te veel zou zijn geëist om zich nu ook [nog] eens het object te kunnen laten voelen van een zogenaamd objectieve geschiedbeschouwing door een niet geëngageerde buitenstaander’. Van Tijn vond dit echter ‘een bijzonder gewaagde redenering’, vooral omdat Brakel haar zo absoluut had geformuleerd. Overigens was deze laatste niet zonder meer tevreden over het boek. Hij vond dat Presser zijn eigen ervaringen te zwaar had beklemtoond en hij had evenmin bewondering voor diens taalgebruik. De meerderheid beoordeelde de emotionele betrokkenheid van Presser bij hetgeen hij beschrijft echter zonder meer positief. Rijxman vond dat het boek daardoor menselijk was geworden en De Swaan juichte het toe dat Presser had gebroken met beperkingen die de geschiedschrijver zich in het algemeen oplegt. Hij vond de ‘vrijheden, die Presser zich geper-
mitteerd heeft, heel belangrijke en grote versterkingen van het arsenaal dat de historicus en de schrijver in het algemeen ten dienste staat. En ik vind, juist door de exactitude en het vakmanschap waarmee hij ze gebruikt heeft, dat ze niet hebben afgedaan aan de objectieve kern van zijn relaas.’74
Het ligt voor de hand de afwezigheid van kritiek in de dag- en weekbladpers op de emotionele stijlvoering in verband te zien met de schulden schaamtegevoelens die lezing van Ondergang bij menigeen had opgeroepen. Bij de overhandiging van het eerste exemplaar van de goedkope editie verklaarde Presser een ‘ongelooflijke stroom’ reacties te hebben ontvangen van mensen die hem schriftelijk of mondeling lieten weten door het boek geconfronteerd te zijn met schuld, nalatigheid, daadloosheid.75
Terwijl dit element in de reacties op Kroniek veelal ontbrak, spreken de talrijke artikelen naar aanleiding van Ondergang vrijwel zonder uitzondering van een collectief falen van de Nederlandse overheidsinstellingen en bevolking. Dit werd veelal in niet mis te verstane bewoordingen aan de orde gesteld. Zo besloot Cees Troost, tijdens de oorlog de eerste hoofdredacteur van het illegale Vrij Nederland, die vanaf 1941 tot het eind van de oorlog in een tuchthuis was geïnterneerd, zijn paginalange bespreking in Trouw, die grotendeels uit citaten bestond, met de vaststelling dat de joden en de niet-joden ‘verblind’, ‘doof’, ‘bang’ en ‘laf’ zijn geweest. Hij beschuldigde het Nederlandse volk ervan het niet verder te hebben gebracht dan medelijden.76 Ook het redactioneel commentaar van dezelfde krant wond er enkele dagen later geen doekjes om. Na te hebben geconstateerd dat nazi-Duitsland bereid was gebleken miljoenen joden, waaronder honderdduizend uit Nederland, naar de slachtbank te voeren, stelde het commentaar:
‘En wat deden wij Nederlanders? Misschien hadden wij medelijden, maar wij verhinderden het niet. Wij tekenden verklaringen, dat wij geen Joden waren, wij begrepen dat de secretarissen-generaal in funktie bleven en bevelen uitvoerden of lieten uitvoeren, die tegen wet en recht, natuurlijk om erger te voorkomen, ingingen en wij laakten hen die illegaal verzet pleegden. En een deel van
de Nederlandse politie heeft bij het ophalen van Joden hand- en spandiensten verricht. Lages, de man die nu nog in een Nederlandse gevangenis zit heeft, het moet gezegd, Nederlanders lof toegezwaaid voor de wijze waarop zij de bezetter in zijn goddeloze werk steunden en hielpen.’77
In het Algemeen Dagblad schreef Louis Sinner, evenals Werkman een journalist die zich veelvuldig met het oorlogsverleden bezighield, een buitengewoon emotioneel stuk, waarin hij ook het eigen falen aan de orde stelde:
‘[...] al lezende kruipt telkens opnieuw de kreet omhoog: Waarom hebben we niet terug geslagen? Waarom hebben we niet met z'n allen deze hygiënische duivels in het gezicht gespuwd? Waarom hebben we niet het eervolle gevecht gekozen, met de blote vuist, met loden pijpen, met zelfgemaakte bommen, met alle wapens die een ontwapend volk te dienste staan, om onze joodse landgenoten te verdedigen en om desnoods samen met hen - maar niet slaafs - de dood te vinden?
Het is met ogen vol tranen, dat ik deze laatste regels schrijf.
Ik was zelf zestien jaar, toen het drama zich voltrok. Ik heb het ook niet gedaan. Ook ik behoor tot de generatie van ons volk, die huiveringwekkend heeft gefaald.’78
Lammers concludeerde in zijn bespreking in De Groene Amsterdammer dat ‘het voortbouwen op de mythe dat Nederland “het zo goed heeft gedaan”, [...] in wezen niet anders [is] dan het meedoen aan geschiedvervalsing’. Overigens staat in zijn bijdrage de vraag centraal hoe het mogelijk was dat de Duitsers hun plannen konden volvoeren, en hij sprak in dit verband van ‘medeschuld’. Hierna gaf hij in navolging van Presser een opsomming van de overheidsdiensten, inclusief de Nederlandse Spoorwegen, tot en met de regering in Londen en betichtte deze naar analogie van de uitspraak van de Joodse Ereraad over Asscher en Cohen van laakbaar handelen.79
Een afwijkend geluid klonk in de kolommen van de Volkskrant, die Herzberg had uitgenodigd het boek van Presser te recenseren.80 Terwijl de meeste recensenten de aandacht vestigden op de nalatigheid en het collectief falen van overheid en bevolking, herhaalde Herzberg wat hij in Kroniek had geschreven, namelijk dat de jodenvervolging geen Ne-
derlandse aangelegenheid was. ‘De vervolging is van buiten gekomen, als een catastrofe [...] waaraan het geen schuld heeft en voor welker oorzaken het geen verantwoordelijkheid draagt.’ Hij prees de Nederlandse regering, die als enige de jodenvervolging op haar grondgebied tot onderwerp heeft gemaakt van een speciale studie: ‘Het kan niet hoog genoeg worden gewaardeerd.’81
Geen enkele bespreking ging voorbij aan Pressers beoordeling van het optreden van de joodse leiders, maar veel recensenten beperkten zich tot een - dikwijls uitgebreide - weergave van Pressers dramatische aanklacht en onthielden zich van commentaar. Het is opvallend dat met name Herzberg niet nader inging op Pressers beoordeling van de Joodse Raad, maar deze slechts ‘evenwichtig’ noemde en verklaarde haar ‘in hoofdzaak’ te onderschrijven. Achter deze twee woorden schuilt een wereld van verschil tussen beide historici ten aanzien van het beleid van de joodse leiders. Het is raadselachtig waarom Herzberg het bij deze korte constatering liet. Wellicht wilde hij een ander punt, dat hem sinds het einde van de oorlog zo ter harte ging, de volle aandacht geven: de cultuurcrisis die naar zijn inzicht tijdens de Tweede Wereldoorlog woedde. Tot zijn grote teleurstelling had Presser de vraag naar de oorzaak genegeerd.82 Dat Herzberg niet alleen maar teleurgesteld was blijkt uit een briefwisseling met Schöffer naar aanleiding van diens recensie van Ondergang. Hierin schreef Herzberg geïrriteerd dat Presser om die reden welbeschouwd geen historicus was maar ‘een archivaris’. ‘Mij bevredigt het boek van Presser helemaal niet. Het maakt me veeleer wrevelig. Is dat nu het resultaat van 15 jaar studie? Hebben we daarvoor een hoogleraar in de geschiedenis nodig?’83
Sommigen achtten het noodzakelijk het verwijt aan het adres van de joodse leiders nader te kwalificeren en maakten een duidelijk onderscheid tussen de collaboratie van de Nederlandse bevolking en autoriteiten en het optreden van de Joodse Raad. Zo wenste Lammers, die niet terugdeinsde voor een hard oordeel over de collaboratie van het Nederlandse volk en instanties, gezien het isolement waarin de joden door de vervolging hadden verkeerd slechts met veel aarzeling het oordeel ‘laakbaar’ uit te spreken over het handelen van de joodse leiders. Bovendien, stelde hij, zouden ook zonder de Joodse Raad regering en bevolking niet anders hebben gehandeld.84
En in De Gids stelde A. de Froe, Amsterdams hoogleraar in de antropobiologie en menselijke erfelijkheidsleer, die in de oorlog zijn expertise
had aangewend om Portugese joden op wetenschappelijke gronden tot niet-joden te verklaren, dat door de relatief ruime aandacht in Ondergang voor de activiteiten van de Joodse Raad ‘bij de schuldvraag het accent wel sterk [wordt] verschoven’. Overigens meende hij dat joden en niet-joden zich moesten bezighouden met onderzoek naar de schuld van de eigen groep.85
Expliciete bezwaren tegen Pressers oordeel over het joods leiderschap kwamen van de vakgenoten Von der Dunk, Schöffer en Meijer. De eerste stelde dat de joodse leiders niet de enigen waren die zich aan illusies hadden overgegeven en onderstreepte dat er in wezen slechts twee manieren hadden bestaan zich aan vervolging te onttrekken: de onderduik en de Joodse Raad. Er was geen sprake van, aldus Von der Dunk, dat ‘de leiders’ ‘het volk’ in de steek hadden gelaten.86
Schöffer achtte het beeld dat uit Pressers beschrijving naar voren komt niet onjuist maar ‘te eenzijdig en [...] te beperkt’.87 Zijns inziens had Presser er goed aan gedaan zijn oordeel over de joodse leiders op te schorten tot de paragraaf ‘beoordeling’ en zich in de daaraan voorafgaande bladzijden te beperken tot een ‘zakelijke behandeling van de groei van de Joodse Raad in haar structurele, institutionele en sociologische eigenaardigheden’. De beoordeling als zodanig van de voorzitters van de Joodse Raad maakte op Schöffer, die na de oorlog bij de universitaire zuiveringscommissie had aangedrongen op een onderzoek naar het optreden van Cohen tijdens de oorlogsjaren,88 een overtuigende indruk. Tegen de slotpassage had hij echter twee zwaarwegende bezwaren. Presser had voor de constatering ‘De historicus stelt vast, dat op die lijst van 7000 namen twee intussen niet voorkwamen: die van Asscher en Cohen’ alleen zelf moeten tekenen door te spreken van ‘deze historicus’. Bovendien ging volgens de recensent de vergelijking tussen de kapitein van de Titanic en de beide voorzitters van de Joodse Raad in mei 1943 mank. Deze vergelijking had hem, zoals opgemaakt kan worden uit de gekozen bewoordingen - zij deed hem ‘steigeren’ - buitengewoon gestoord. Anders dan voor de kapitein stond voor Asscher en Cohen de ondergang niet vast.89
Meijer verweet Presser wat de Joodse Raad betreft zijn oren te veel naar de massa te hebben laten hangen. Hij wees erop dat nagenoeg alle joden de bescherming van de Joodse Raad hadden aanvaard. ‘De Joodse Raad was het Nederlandse Jodendom.’ In het verlengde hiervan vond Meijer Pressers hoofdstuk over het verzet van joden apologetisch en onvoldoende met feiten onderbouwd. Hij schrok er niet voor terug de
Nederlandse joden ‘een gedesintegreerde groep bangerikken’ te noemen ‘waarvan zovelen zich na de catastrofe en na de stichting van de staat Israël zijn gaan beschouwen als een symbiose van mythische slachtoffers en - bij de gratie van Mosje Dajan - legendarische helden.’90
In de reacties is de door De Froe bepleite arbeidsdeling tussen joden en niet-joden tot op grote hoogte gerealiseerd. De discussie over de reacties van joden op de vervolging, met een zwaar accent op het optreden van de joodse leiders, woedde vooral in joodse bladen en werd daarmee een overwegend intern-joodse aangelegenheid.
In de eerste plaats achtten recensenten van joodse bladen het nodig de lezer in te lichten over hun eigen situatie en lotgevallen tijdens de Duitse bezetting. Zo verklaarde Sam de Jong, redacteur van De Joodse Wachter, het blad van de Nederlandse Zionistenbond, nimmer te hebben behoord tot de medewerkers van de Joodse Raad, en op grond daarvan tot onafhankelijk oordelen in staat te zijn. Hij stelde dat de capitulatie van het Nederlandse leger op 14 mei in feite het doodvonnis had betekend voor de joodse gemeenschap. Naar zijn inzicht was de enige adequate reactie van joden hierop geweest als jood op de een of andere manier onzichtbaar te worden. De verschillende stappen die de joodse leiders in de loop van de bezetting namen moesten echter als het tegendeel daarvan worden beschouwd en werden derhalve door de recensent krachtig veroordeeld als ‘hulpverlening aan de vijand’. Overigens voegde de redactie aan deze bijdrage een naschrift toe, waarin zij een nadere bespreking in het vooruitzicht stelde. De Jong had zich in zijn stuk voornamelijk beziggehouden met de Joodse Raad en de redactie meende dat de vraag naar de positie en drijfveren die de houding van de joodse massa's tegenover de vervolging hadden bepaald, minstens zoveel aandacht verdiende.91
In september bestreed I. Cohen in hetzelfde blad dat alleen degenen die tijdens de oorlog geen stempel hadden gehad, zich kritisch zouden mogen uitlaten over Ondergang. Uit het vervolg bleek dat hij zelf ook tot de ‘gestempelden’ had behoord. Overigens noemde hij het ‘pikant’ dat Presser, die toch regelmatig eigen ervaringen meedeelt, in Ondergang niet vermeldt dat hij tijdens de bezetting zelf ook een stempel van de door hem zo verguisde Joodse Raad had geaccepteerd. Dit bijvoeglijk naamwoord koos hij omdat hij ervan was overtuigd dat Presser heel zorgvuldig en gecontroleerd emoties in het werk had ingevlochten.92
Vanzelfsprekend was het vraagstuk van joodse passiviteit en collaboratie tevens een centraal thema in de discussie tussen de vijf studenten
in het niw. Ook onder de jongeren, die tijdens de oorlog kind waren, bleken de meningen sterk uiteen te lopen. Brakel neigde naar een mild oordeel gezien de druk der omstandigheden, terwijl Van Tijn de leiders verweet een opstand van het Amsterdamse proletariaat zelfs niet te hebben overwogen. De Swaan formuleerde zijn beoordeling in persoonlijke termen. Hij onderstreepte dat zijn oordeel niet bedoeld was als een vonnis, maar als zijn persoonlijke conclusie voor het heden en de toekomst. ‘En dan denk ik: dat was fout. Als ik ooit de moed heb, en als het ooit nodig mocht zijn, dan zal ik het niet zó doen. Maar ik hoop dat het nooit nodig zal zijn. Ik hoop nog meer, dat ik dan de moed zal hebben.’ Verder beklemtoonde hij dat de Joodse Raad bijna (‘gelukkig bijna’) kenmerkend was voor het Nederlandse jodendom, dat ‘in hoge mate corrupt [werd], toen het geconfronteerd werd met een bijna zekere ondergang’.
Met deze opmerkingen verbreedde De Swaan de discussie over joodse collaboratie naar de reacties van joden op de vervolging in het algemeen. Hij was niet de enige die dit vraagstuk in persoonlijke termen opvatte. Zo verklaarde Van Dijk na lezing van Ondergang met twee vragen te worstelen: ‘Wat zouden wij zelf gedaan hebben wanneer wij in deze positie hadden verkeerd?’ en ‘Hoe zou de omgeving om ons heen gereageerd hebben, wanneer zij in dezelfde positie zou hebben verkeerd?’ In dit verband vroeg hij zich af of er wezenlijk iets was veranderd in de toestand en mentaliteit van het Nederlandse jodendom.
Overigens stelden de deelnemers aan de discussie unaniem vast dat de wijze van reageren van de joden op de vervolging niet specifiek of exclusief joods was. Elke andere gemeenschap waar ook ter wereld zou in vergelijkbare omstandigheden hetzelfde hebben gedaan.
Het was onvermijdelijk dat in het debat over de reacties van joden ook vragen werden gesteld over de houding van niet-joden. Rijxman bracht de verwevenheid van beide vraagstukken onder woorden in de volgende serie vragen:
‘Waarom is dit gebeurd, wat is de oorzaak geweest, waarom heeft men zich niet verzet, waarom heeft men het maar over zijn kant laten gaan, waarom is het Nederlandse volk niet als een man opgestaan en heeft gezegd: dit nemen we niet, dit is te gek. Waarom hebben de joden zich aangemeld, waarom, waarom?’
Ondergang noopte de deelnemers tot een nadere bepaling van hun hou-
ding tegenover de Nederlandse samenleving. Brakel verklaarde met name door de epiloog te zijn geconfronteerd met ‘de vraag naar de schuld van het Nederlandse volk’ en hij bracht dit in verband met het naar zijn mening heersend filosemitisme. Hij ging in op de weigering van de Nederlandse overheid onderscheid te maken tussen Nederlanders en joodse Nederlanders. Was dit na het joodse oorlogsleed nog wel mogelijk? Voorts proefde hij in de houding van Nederland tegenover de joden paternalisme, zelfrechtvaardiging en een voortdurend appelleren aan onverdiende dankbaarheid. Als voorbeeld noemde hij het gebrandschilderde raam dat het Rode Kruis in Westerbork had laten aanbrengen, terwijl deze organisatie tijdens de oorlog tegenover de joden ernstig tekort was geschoten. En passant stelde Brakel de aanwezigen voor de volgende dag gezamenlijk naar Westerbork te reizen en een steen door het gewraakte raam te gooien.
De Swaan was op dit punt aanzienlijk gematigder gestemd en beoordeelde de reacties van niet-joden voorzichtig positief. Hij tekende bezwaar aan tegen de vaststelling van Brakel dat het filosemitisme op dat moment in Nederland zo sterk zou zijn. Hij ontkende niet het bestaan ervan, maar vond het ‘unfair’ om alle ‘blijken van ongerustheid, van niet weten wat je ermee aan moet, maar een, twee, drie af te doen met filosemitisme en daaraan elke oprechtheid te ontzeggen. Ik geloof veel meer dat je kunt zeggen: de mensen zitten er heel erg mee.’ Hij vond de ontvangst van Ondergang ‘bijna indrukwekkend’. Sinds het Eichmannproces, verklaarde hij, was er sprake van een groeiende belangstelling, onder joden en niet-joden, voor de oorlogsgeschiedenis en de jodenvervolging in het bijzonder. Dit was volgens hem ‘een van de meest ingrijpende geestelijke ontwikkelingen die zich deze jaren afspeelt’.93
Welhaast onvermijdelijk ontstond de drang om lessen te trekken uit de vervolging en vernietiging van de joden. In menige bespreking klonk de oproep tot bezinning op de aard van de mens dikwijls vergezeld van een waarschuwing voor een mogelijke herhaling. Beide aspecten werden treffend samengevat in de slotzin van Sinners emotionele bespreking: ‘Wij zullen uit het boek van Presser moeten leren hoe wij betere mensen kunnen worden.’94 En Johan Fabricius, die naar aanleiding van Ondergang een serie artikelen schreef in De Telegraaf, formuleerde iets soort-
gelijks in een aflevering over de vernietigingskampen: ‘Dat is het vreselijk benauwende aan dit document. Wie en wat zijn wij? Wie en wat zijn wij vandaag en wie en wat zijn wij morgen, onder gewijzigde omstandigheden?’95
Op grond van pedagogisch-didactische overwegingen meenden velen dat vooral jongeren kennis moesten nemen van Ondergang. Lammers suggereerde in De Groene Amsterdammer een subsidie van overheidswege om ‘het monument dat Presser's boek is, tot een echt nationaal gedenkteken te maken’.
‘Het zou in alle huiskamers moeten liggen, bij wijze van spreken op iedere schoorsteenmantel. De jongeren zouden het allen in hun boekenkast moeten hebben. Daar komt nu niets van, omdat een bedrag van dertig gulden een veel te hoge barrière is voor de grote massa van matig draagkrachtigen.’
Als extra argument voerde hij aan dat er wel gemeenschapsgeld was besteed aan wat hij ‘de misselijke flauwiteiten’ noemde ‘waarmee men ons wil opwekken om er dit jaar in mei eens een feest van te maken’.96 Blijkbaar ergerden de voorgenomen feestelijkheden Lammers, en deze ergernis zal na lezing van Ondergang niet zijn afgenomen. In het licht van de vervolging en vernietiging van meer dan honderdduizend joden uit Nederland, waar Nederlandse autoriteiten en bevolking volgens hem medeschuldig aan waren, vond Lammers dit feestvieren ongepast.
Zijn oproep kreeg bijval van onder meer de columnist van Trouw, die een ongewoon gebaar als het door Lammers voorgestelde in dit geval buitengewoon gepast vond. Hij legde een rechtstreeks verband met de bezettingsjaren, waarin het zozeer aan rust en zekerheid gehechte Nederlandse volk de illusie van ‘gewoonheid’ had opgehouden in een gebroken wereld.97 De pedagoge Lea Dasberg ergerde zich echter aan de wijze waarop de oorlog als studieobject werd gepropageerd en meende dat dit neerkwam op het onderwijzen van het kwaad. Zij had de laatste stelling van haar dissertatie aan dit onderwerp gewijd:
‘Het uitweiden over de Tweede Wereldoorlog bij het geschiedenisonderwijs is niet het aangewezen middel tot het wekken van historisch bewustzijn bij de schoolgaande generatie en werkt bovendien op gevaarlijke wijze op de sensatiezucht en gevoelens van valse romantiek bij de leerlingen.’98
Dit alles had volgens haar een hoogtepunt bereikt met de twintigjarige herdenking van de bevrijding en de laatste serie van ‘De Bezetting’. De verschijning van Pressers Ondergang had haar alleen maar gesterkt in haar mening. Tevens vond zij het schandalig dat Pressers studie over de jodenvervolging zo vlot leesbaar was. Volgens haar was iedereen met uitzondering van Meijer bevreesd hierop kritiek te formuleren uit angst te worden beschuldigd van antisemitisme.99 Dasbergs opvatting leidde tot een discussie in verschillende dagbladen in de maanden mei en juni over het nut van een uitgebreide voorlichting over de Tweede Wereldoorlog. Presser verklaarde Dasbergs stelling onhoudbaar te vinden en De Jong liet weten dat de laatste stelling van een dissertatie volgens goed gebruik ‘een nonsensicaal karakter draagt’.100
Dasberg roeide met haar kritiek tegen de stroom van een brede consensus op, want de goedkope uitgave waar Lammers voor had gepleit kwam er - ƒ12,50 voor de twee delen tezamen - zij het zonder een bijdrage van de overheid. De vaste kamercommissie voor Binnenlandse Zaken had wel aangedrongen op een pocketeditie van bepaalde geschriften zoals ‘Troonredes, openingsredes, [...] en (naar reeds eerder is gevraagd) van “Ondergang” door prof. dr. J. Presser’.101 Op 15 november 1965 overhandigde de directeur van de Staatsdrukkerij Presser het eerste exemplaar.
De belangstelling voor de eerste pocketdruk van vijftigduizend exemplaren, die in november 1965 op de markt werd gebracht, was overweldigend. Reeds acht dagen later besloot de Staatsuitgeverij een tweede druk, met dezelfde oplage als de eerste, te laten verschijnen. Met enige nadruk werd in de pers vermeld dat de uitgever zijn best deed de nieuwe druk nog voor Sinterklaas in de winkels te krijgen.
Van joods-zionistische zijde kwam kritiek op de fatalistische teneur van Pressers boek, die eveneens uit de titel spreekt. Dat hij zich in de epiloog pessimistisch had getoond over de toekomst van joden in Nederland was op zichzelf in overeenstemming met de zionistische visie dat het gedaan was met de diaspora. Maar dat Presser had nagelaten naast de verbijstering en vertwijfeling hoopvolle geluiden te laten horen, vooral gericht op Israël, viel bij zionisten niet in goede aarde. In deze kringen was zijn bundel met getuigenissen uit 1961, waarmee Presser een groot lezerspubliek had weten te bereiken, ook al niet goed gevallen. De socialistisch-zionist Theo van Raalte publiceerde in Koemie Orie een open brief aan Presser, waarin hij zijn bezwaren tegen Antwoord aan het kwaad onder woorden bracht. De bundel was in zijn ogen een illustratie
van ‘ons joods masochisme, onze aloude familiekwaal’. Hij betreurde het dat Presser zijn talenten had aangewend om aan de talrijke droevige ervaringen van joden, die ‘als een kostbare schat worden bewaard en bewaakt’, weer nieuwe toe te voegen. De enige uitweg uit de opeenstapeling van lijden en vooral de pathologische gehechtheid aan het lijden, is vanzelfsprekend Israël.102 Tegen deze achtergrond moet de kritiek van joods-zionistische zijde op Ondergang worden gezien.
Gans, die destijds zo kritisch over Herzbergs Kroniek had geschreven, had daarentegen geen bezwaar tegen de titel van Pressers boek. Deze was volgens hem een adequate beschrijving van hetgeen was geschied, in het bijzonder voor degenen zonder relaties. Hij eindigde zijn bespreking in het niw weliswaar met een verwijzing naar de opbouw van het joodse land, maar vermeed zorgvuldig ook maar de indruk te wekken van mening te zijn dat dit achteraf enige zin gaf aan het ondergane leed tijdens de oorlogsjaren.103 Ook J. Melkman, de oud-hoofdredacteur van het niw die in 1957 naar Israël was geëmigreerd, liet in zijn bespreking uitkomen dat hij zijn hoop had gevestigd op de staat Israël. Hij merkte op dat Presser in zijn epiloog spreekt als ‘representant van de meerderheid der Nederlandse joden die een onwrikbaar geloof hadden in hun toekomst in Nederland’. Dit verklaarde volgens Melkman waarom Presser het zwaarst getroffen is door de ‘bereidheid van het overgrote deel van de Nederlandse bevolking om ons te verzaken’. De implicatie is duidelijk: de recensent behoorde tot degenen die op dit punt geen illusies hadden gekoesterd en derhalve hierover niet wezenlijk verrast waren.104
Ook buiten de grenzen trok de Nederlandse editie van Ondergang - in 1968 en 1969 verschenen een Engelse en Amerikaanse editie - de aandacht, niet in de laatste plaats vanwege de wijze waarop deze studie in Nederland was ontvangen. Vooral Israëlische bladen wijdden besprekingen aan het boek.105
In het jaarboek van Yad Vashem verscheen de meest opmerkelijke en zeer uitvoerige bespreking van de hand van Henriëtte Boas. Een Engelse vertaling hiervan werd gepubliceerd in Yad Vashem Studies. Tevens verzorgde zij als buitenlandcorrespondente een aanzienlijk kortere recensie voor het gezaghebbende Israëlische dagblad Ha'aretz. Boas formuleerde
onder meer scherpe kritiek op Pressers veroordeling van de handelwijze van de voorzitters van de Joodse Raad. Ook Presser had zich immers bij het kantoor van de Joodse Raad vervoegd toen zijn vrouw was opgepakt. Aangezien hij onvoldoende op de hoogte zou zijn geweest van en geïnteresseerd in de joodse geschiedenis, was Presser volgens haar bovendien niet de juiste persoon om de lotgevallen van de Nederlandse joden tijdens de oorlog te boekstaven.106
Deze recensie leidde tot een voortzetting van de Nederlandse discussie via Jeruzalem. De Jong sprong voor zijn collega in de bres en stuurde een ingehouden, maar duidelijk zeer geïrriteerde reactie naar het in Jeruzalem verschijnende tijdschrift, waarin hij Pressers veroordeling van het beleid van de Joodse Raad verdedigde. Dit laatste kon, schreef De Jong, geen moment worden losgemaakt ‘van het feit dat joodse levens die zij probeerden te redden, in de eerste plaats hun eigen levens waren’. Hij ging ook in op het verwijt van Boas dat Presser geen zionist is noch een ‘Jood die zichzelf volledig identificeert met Joodse Zaken en Joodse geschiedenis’. Hij wees erop dat de visie van Presser met betrekking tot de Joodse Raad werd gedeeld door veel Nederlandse zionisten en joodse historici. Met tegenzin reageerde De Jong ook op Boas' opmerkingen over Pressers persoonlijk lot. Het feit dat hij zich tijdens de bezetting had gewend tot de Joodse Raad verhinderde hem niet als historicus een afwijzend oordeel over ditzelfde instituut uit te spreken. De wijze waarop Presser zich van zijn taak had gekweten, besloot De Jong, heeft ‘de Nederlandse natie, Joden en niet-Joden, zich zijn tekortkomingen scherper dan ooit tevoren doen realiseren’.
De Jongs ingezonden brief werd geplaatst in Yad Vashem Bulletin tezamen met zijn reactie op een later artikel van Boas in dit bulletin. Hierin had zij een samenvatting gegeven van Schöffers recensie van Ondergang. De tweede ingezonden brief van De Jong bestond voornamelijk uit citaten van positieve kwalificaties in de betreffende bespreking, omdat Boas zich had beperkt tot de negatieve.107
Al met al was De Jong zeer verbolgen over de toon en inhoud van het stuk van Boas over het werk van zijn vroegere leermeester. Hij achtte haar ‘felle animositeit’ tegen Presser ‘onwetenschappelijk’ en vond het onbegrijpelijk dat de redactie in elk geval haar tweede bijdrage een plaats had waardig geacht. Hij weigerde verder met haar te corresponderen ‘zolang je niet tot enig besef komt, welk onrecht je Presser, en daarmee het instituut en dus ook mijzelf, aangedaan hebt [...]’.108
Maar Presser had de persoonlijke beoordeling - van Boas - voor een
belangrijk deel aan zichzelf te danken. Dit meende althans A.E. Cohen, die naar aanleiding van Ondergang met Boas een levendige correspondentie voerde. Hij herinnerde eraan dat Presser ten aanzien van het werk van de Joodse Raad ‘zeker geen volstrekt afzijdige’ was geweest. Cohen meende dat Presser te selectief was geweest in de vermelding van zijn eigen ervaringen. ‘Presser vraagt door zijn wijze van schrijven erom, persoonlijk beoordeeld te worden.’109
In respectievelijk 1968 en 1969 verschenen een Engelse en Amerikaanse editie van Ondergang, die door De Jong waren verzorgd.110 Boas wierp zich opnieuw op als scherp critica van Presser en zijn boek, deze keer niet alleen in Israëlische maar ook in Amerikaans-joodse bladen zoals Commentary. Zij beklemtoonde wederom zijn gebrekkige kennis van het jodendom en de joodse geschiedenis, en zijn betrekkelijk bevoorrechte omstandigheden tijdens en na de bezetting. Voorts was zijn monografie volgens haar te subjectief om voor de op het omslag vermelde kwalificatie, ‘het definitieve verslag van de Holocaust in Nederland’, in aanmerking te komen.
Zijn ideologische bevangenheid, stelde zij, had hem ertoe gebracht ten onrechte overal, en derhalve ook in de tragedie van de Nederlandse joden, klassenstrijd te ontwaren. Hierbij doelde zij op Pressers beschuldiging van klassenpolitiek aan het adres van de joodse leiders. Zij bracht dit, zij het met enige voorzichtigheid, in verband met de zogeheten ‘overlevingsschuld’ die Presser zou hebben achtervolgd. In zijn behandeling van het optreden van de Joodse Raad was Presser, vervolgde zij, te eenzijdig geweest. Zij wees erop dat Pressers interpretatie herinnerde aan de controverse rond Hannah Arendts uitspraken over de Joodse Raden van enkele jaren daarvoor. Voorts had zij een hoofdstuk gemist over de joodse gemeenschap in de jaren voor de oorlog en was zij van mening dat Presser te weinig aandacht had besteed aan het belangrijke culturele werk dat de Joodse Raad tijdens de bezetting had verricht. Ten slotte had zij zich gestoord aan zijn ‘egocentrisme’, waarmee zij doelde op de aandacht voor zijn eigen ervaringen tijdens de bezetting.111
Naar aanleiding van deze bespreking plaatste Commentary een ingezonden brief van Robert M.W. Kempner, die namens de Verenigde Staten destijds nauw betrokken was bij de processen van Neurenberg en de latere processen tegen Seyss-Inquart en ss-generaal Wilhelm Harster. Hij vond het van ‘very bad taste’ getuigen dat Boas de wereldwijde morele afkeuring van de joodse collaboratie ‘fashionable’ had genoemd. Zij impliceerde, schreef Kempner, dat een ieder die, zoals Presser, deze
medewerking afwijst ‘is questionable as far as his Jewishness is concerned’. Zich baserend op zijn eigen ervaringen en studie kwam hij tot de slotsom dat Pressers boek zowel objectief als wetenschappelijk is en hij noemde het ‘a Standard work [that] [...] merits high praise’.112
Kempner zond een afschrift van zijn brief aan de redactie van Commentary aan Presser, die blij was met zijn steun. Uit dit afschrift blijkt dat Kempner zich in zijn oorspronkelijke brief in nog krachtiger bewoordingen had uitgelaten: hij noemde de bijdrage van Boas ‘most disgusting’. Daarnaast wilde hij van Presser weten ‘was [...] die Boas eigentlich fuer eine Type [ist]’. Omdat Presser ernstig ziek was, gaf De Jong antwoord op deze vraag: ‘[...] although she has many qualities, she has a complete lack of common sense. It's a great pity that her silly comments were published in a respectable paper like “Commentary”.’113
Ten slotte schreef een uit Duitsland afkomstige Israëliër die enige tijd als vluchteling in Nederland had gewoond, een kritische bespreking in het Duitstalige Israëlische dagblad Jedioth Chadashoth. Hij suggereerde dat een eventuele verkorte uitgave van Ondergang voor het onderwijs zich tot de feiten zou moeten beperken. De emotionele wijze waarop Presser te werk was gegaan, was naar zijn mening voor tijdgenoten vanzelfsprekend en alleen maar menselijk, maar voor ‘buitenstaanders’ achtte hij dit kennelijk bezwaarlijk.
Ten aanzien van de Joodse Raad drong zich volgens hem de conclusie op dat Arendt wat Nederland betreft gelijk had met haar omstreden stelling dat zonder de Joodse Raden veel meer joden zich hadden kunnen redden. Ten slotte bracht hij, zij het voorzichtig, een verklarende factor ter sprake, die niet eerder in het geding was gebracht: de diepe afkeer van chaos, die volgens de recensent samenhing met het joodse karakter, en het specifieke karakter van het historisch bewustzijn onder joden. Dit had volgens hem tot de opvatting geleid dat het joodse gemeenschapsleven onder alle omstandigheden diende te worden georganiseerd.114
In de Verenigde Staten publiceerde Book World een bewogen recensie waarin de collaboratie en nalatigheid van Nederlandse instellingen en bevolking centraal stonden. De recensente, Mary Ellmann, destilleerde een contemporaine politieke boodschap uit Pressers monografie door de aandacht te vestigen op het feit dat Nederlandse studenten die destijds wilden protesteren tegen het ontslag van joodse docenten, door professoren werden overgehaald hiervan af te zien. Voor haar is de boodschap duidelijk: wantrouw functionarissen en heb medelijden met
de armen die in elke crisis door de autoriteiten in de steek worden gelaten.115
Misschien was deze laatste bespreking het resultaat van Pressers tournee langs Amerikaanse universiteiten in het najaar van 1967. Sedert 1964 onderhield hij contact met enkele marxistische historici en intellectuelen in de Verenigde Staten, onder wie Herbert Aptheker, wiens werk hij had benut voor Amerika. Maar Presser correspondeerde vooral met de filosoof Howard L. Parsons, die vice-voorzitter was van de Society for the Philosophical Study of Dialectical Materialism. Deze nodigde Presser uit naar de Verenigde Staten te komen en bood aan een lezingenprogramma voor hem te organiseren. Parsons moet bijzonder onder de indruk zijn geweest van Presser, want in een van zijn brieven schreef hij: ‘A man with the perspective of a historian, the imagination of a poet, the cleverness of a detective-story writer, and a deep Dutch humanism - ought to be able to do anything.’116 Presser liet - aanmerkelijk minder enthousiast dan Parsons - weten wel te voelen voor een tournee en noemde twee onderwerpen waarover hij lezingen zou kunnen houden: ‘Joods verzet in Nederland 1940-1945’ en ‘Armoede in de Gouden Eeuw’.117 Aptheker, die begin jaren zestig in New York The American Institute for Marxist Studies (aims) had opgericht, reageerde onmiddellijk op het rondschrijven van Parsons en gaf de voorkeur aan de verzetslezing. ‘We could assure you a very large and very informed audience.’118 Voorts toonden een progressief joods blad en het yivo in New York belangstelling, eveneens voor de lezing over joods verzet. Hoewel Presser de reis aanvankelijk wilde uitstellen tot Ondergang in Amerika zou verschijnen, maakte hij toch in het najaar van 1967 de oversteek. Wellicht gaf het yivo-colloquium de doorslag, dat in december 1967 in New York werd gehouden en dat hij samen met De Jong bijwoonde. Helaas blijkt het programma van zijn verblijf niet uit de beschikbare bronnen.119
Ten slotte kon de kritiek van Boas niet verhinderen dat de in New York gevestigde World Association of Bergen Belsen Survivors Presser voor zijn boek de zogeheten Remembrance Award for Excellence in Literature on the Nazi Atrocities against European Jewry toekende. In de jury hadden onder anderen Elie Wiesel, André Schwarz-Bart en George Steiner zitting.120
De bestudering van de reacties op Ondergang rechtvaardigt de conclusie dat dit boek in Nederland insloeg als een bom. De intensiteit en omvang
van de respons op Ondergang, die Presser typeerde als een uitbarsting, moeten worden beschouwd als een climax van een proces van groeiende belangstelling voor de jodenvervolging, dat reeds in de tweede helft van de jaren vijftig was ingezet. Als gevolg van Pressers Ondergang kwam het lot van de joden tijdens de nazi-heerschappij centraal te staan in de terugblik op de oorlog.
De internationale ontspanning die volgde op de dooi in de Koude Oorlog, creëerde ruimte voor bezinning op het recente verleden. Daarnaast liep de naoorlogse periode van economisch herstel ten einde en was er in de jaren zestig sprake van een toenemend verval van het nationalisme.121 De verzwakking van de nationale oriëntatie was een belangrijke voorwaarde voor het ontstaan van aandacht voor het specifieke karakter van de jodenvervolging binnen het oorlogsverleden van Nederland als geheel en voor de collaboratie van Nederlandse bevolking en instanties.
Zoals dikwijls is opgemerkt, waren de belangrijkste woordvoerders oorlogskinderen.122 Zij hadden de bezetting als kind meegemaakt en toen zij de jaren des onderscheids hadden bereikt, drong het onder meer door lezing van Ondergang tot hen door wat zich in hun kinderjaren precies had afgespeeld. Maar het is onjuist om de intense respons uitsluitend op rekening van de oorlogskinderen te schrijven. Onder degenen die in buitengewoon emotionele bewoordingen op Pressers boek reageerden waren opvallend veel oud-verzetslieden.
In vrijwel alle besprekingen, althans van niet-joodse zijde, klinkt behalve diep respect voor de auteur, een besef van collectief falen en tenminste passieve schuld door jegens de joodse landgenoten tijdens de Tweede Wereldoorlog, met Herzbergs reactie in de Volkskrant als opvallende uitzondering. Overheersend waren de eerbied en het ontzag waarmee Pressers tweedelige studie werd ontvangen. Als gevolg hiervan werd in dag- en weekbladen vrijwel geen kritiek geformuleerd op de emotionele aspecten van Ondergang. De historicus Schöffer plaatste kritische kanttekeningen bij het in elkaar overlopen van documentatie, aanklacht en beschrijving. Voorts is het opvallend dat de overgrote meerderheid van de recensenten zich onthield van commentaar op Pressers veroordeling van het optreden van de Joodse Raad, die zij overigens wel uitgebreid afdrukten. Naast het schuldbesef waren de oproep tot bezinning en de drang om lessen te trekken overheersend.
De scherpste kritiek kwam van joods-zionistische zijde. De aanvallen van Boas, Meijer en Dasberg, die zich niet alleen op het werk maar ook
op de persoon richtten, grepen Presser sterk aan. Men nam Presser kwalijk dat hij zich niet voegde naar de conclusies die zionisten trokken uit de massamoord op de joden. Dit neemt niet weg dat Ondergang vooral bij jongeren leidde tot een heroverweging van de verhouding tot de Nederlandse samenleving.
Commentaar op Pressers beoordeling van het joodse leiderschap werd al dan niet bewust overgelaten aan joodse recensenten. Deze waren kritisch in hun reacties op Pressers behandeling van het vraagstuk van (joodse) collaboratie en passiviteit. Verschillende recensenten stelden zich op het standpunt dat het gezien de omstandigheden onmogelijk was tot een oordeel te geraken.
Kort na verschijning van Ondergang verschoof de publieke aandacht weer naar de voormalige bezetter, toen Nederland in de ban raakte van het voorgenomen huwelijk van prinses Beatrix met de Duitser Claus von Amsberg. In mei en juni beheersten speculaties over diens oorlogsverleden het nieuws. Oud-verzetslieden verklaarden ‘[...] het een onverdraaglijke gedachte [te vinden], dat prinses Beatrix van plan is een stap te doen, die haar straks samen met een Duitser, die in de tijd van onze bitterste nationale nood met de arm omhoogstond en “Heil Hitler” riep, naar de herdenkingsplechtigheden voor onze doden zal brengen’. Uit het antecedentenonderzoek, dat De Jong in opdracht van de regering uitvoerde, bleek dat Von Amsberg gedurende de laatste maanden van de oorlog deel had uitgemaakt van een pantserdivisie en verplicht lid was geweest van de Hitlerjugend. Belangrijk was dat hij slechts in de Wehrmacht had gediend, maar geen lid van de ss was geweest. De huwelijkssluiting in Amsterdam op 10 maart 1966 werd de provo's als het ware in de schoot geworpen - ‘Men zou haast zeggen, dat zij [prinses Beatrix - ck] een provo was.’123 Onder verwijzing naar de ervaring van oorlog en bezetting lieten zij weten het feest te zullen verstoren. Maar ook verschillende Amsterdamse raadsleden en de leiding van drie joodse kerkgenootschappen waren niet aanwezig bij de sluiting van het burgerlijk huwelijk in het Amsterdamse stadhuis. De tocht van het bruidspaar door het centrum ging gepaard met relletjes waartegen de politie hard optrad.124
Het jaar daarop barstte publieke verontwaardiging los over het be-
sluit van minister van Justitie Ivo Samkalden de straf van de Duitse oorlogsmisdadiger Willy Lages vanwege zijn kritiek geachte gezondheidstoestand te onderbreken. In 1952 had de omzetting van de doodstraf van Lages in levenslang al tot grote protesten geleid.125 Door de emoties die de strafonderbreking in 1966 opriep was gratiëring van de Vier van Breda, waartoe in de jaren daarvoor voorzichtige voorbereidingen waren getroffen, voorlopig onbespreekbaar. De recensent van Levend Joods Geloof, maandblad van de Liberaal Joodse Gemeente, had na lezing van Ondergang al geschreven: ‘Wie zal na dit boek nog over verjaring of over gratie durven spreken?’126
Toen het kabinet-Biesheuvel, in de persoon van minister van Justitie A.A.M. van Agt, in 1972 een weinig tactvolle poging deed de overgebleven drie Duitse oorlogsmisdadigers alsnog in vrijheid te stellen, stak er opnieuw een storm van verontwaardiging op. De door de Tweede Kamer georganiseerde hoorzitting met vertegenwoordigers van de organisaties van oorlogsslachtoffers en de voormalige illegaliteit had een dramatisch verloop. Het resultaat was dat een meerderheid in de Tweede Kamer tegen het voornemen van het kabinet stemde. Bovendien beloofde Van Agt, hoewel het gratierecht een prerogatief van de Kroon is, in de toekomst vooraf de Tweede Kamer te zullen raadplegen.
De hoorzitting en het debat in de Tweede Kamer droegen ertoe bij dat de Rijksgroepsregeling voor oorlogsslachtoffers, die sedert 1968 onderdeel uitmaakte van de Algemene Bijstandswet, werd omgezet in een zelfstandige regeling: de Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers (wuv). Deze werd in 1973 van kracht.127
In de geruchtmakende Weinreb-affaire, die een rechtstreeks gevolg was van Ondergang, stond de houding van de Nederlanders centraal. Friedrich Weinreb had tijdens de oorlog onder joden een reputatie opgebouwd met wat de ‘Weinreb-lijsten’ werden genoemd. Plaatsing op deze lijsten zou hen vrijwaren van deportatie. In 1947 werd Weinreb door het Haagse Bijzondere Gerechtshof en in 1948 door de Bijzondere Raad van Cassatie veroordeeld wegens celspionage, verraad en wegens het gebruik van geld dat door bedrieglijke middelen was verkregen, voor andere doeleinden dan waarvoor zijn ‘klanten’ dit hadden gegeven.128 Naar de mening van Presser was deze veroordeling onrechtvaardig en was de jood Weinreb tot ‘zondebok’ gemaakt die voor het tekortschieten van talloze niet-Joden heeft geboet.129
Op Pressers passage over de zaak-Weinreb kwam van verschillende kanten fundamentele kritiek. H. Drion noemde deze in het Hollands
Maandblad ‘een dieptepunt in zijn boek [... ] en in de moderne Nederlandse geschiedschrijving in het algemeen’.130 Schöffer nam Pressers aanpak van de kwestie Weinreb als voorbeeld voor een kritische uiteenzetting over de werkwijze van de auteur. Deze had zijns inziens onvoldoende gegevens gepresenteerd om zijn conclusies te schragen, en Schöffer hield met nadruk de mogelijkheid open dat Presser ‘zijn bronnen wellicht eenzijdig heeft geïnterpreteerd’.131
Vele, vooral jongere, lezers voelden zich echter aangesproken door het non-conformisme van Weinreb, die op inventieve wijze de vervolgden te hulp was geschoten.132 Toen Weinreb vervolgens, aangespoord en bijgestaan door de publiciste Renate Rubinstein en Aad Nuis, in 1969 zijn memoires in drie delen publiceerde onder de titel Collaboratie en verzet 1940-1945. Een poging tot ontmythologisering, met een voorwoord van Presser, werd een affaire onvermijdelijk. Rubinstein en Nuis beschouwden Weinreb wegens zijn specifieke vorm van illegaal werk ten behoeve van joden als een lichtend voorbeeld voor de rest van Nederland. In een nabeschouwing analyseerden zij het vonnis en arrest van respectievelijk 1947 en 1948 en voerden zij tal van positieve getuigenverklaringen op.133 Menigeen was in het revolutionaire klimaat van het eind van de jaren zestig gevoelig voor deze interpretatie, waarin het establishment als collaborerend en volgzaam werd afgeschilderd. Na oproepen tot een nieuw gerechtelijk onderzoek, onder meer door De Jong, en vragen in de Tweede Kamer, verstrekte de regering in 1970 aan het Rijks-instituut voor Oorlogsdocumentatie de opdracht de gedragingen van Weinreb tijdens de oorlog te onderzoeken. Het zeventienhonderd bladzijden tellende rapport, dat pas in 1976 het licht zag, was vernietigend voor Friedrich Weinreb en daarmee dus ook voor dit gedeelte uit Pressers Ondergang.134
Overigens heeft Presser zich na publicatie van Ondergang publiekelijk niet meer uitgelaten over deze kwestie, hetgeen hem door verschillende personen kwalijk is genomen. Bij de presentatie van de pocketeditie van Ondergang beloofde hij nog zich opnieuw in de zaak-Weinreb te zullen verdiepen.135 Maar nadien liet hij meermalen weten dat hij niet meer in staat was opnieuw in de materie te duiken. De enige nuancering die hij in 1970, vlak voor zijn dood, wenste aan te brengen was dat Weinreb ‘de zondebok [was] geworden van niet-joden en joden samen’.136
Meerdere onderzoekers hebben de generatiekloof, die veelal als verklaring voor de veranderingen in de jaren zestig wordt aangevoerd, gerelativeerd. De verworvenheden van de jaren zestig waren al daarvoor
in de dominante cultuur van de oudere generatie aanwezig en de elites hebben actief meegewerkt aan de ‘culturele revolutie’.137 Dit geldt ook voor het debat over het gedrag van Nederland tijdens de oorlogsjaren, dat niet in de eerste plaats of uitsluitend door de naoorlogse generatie werd aangezwengeld, maar juist door personen die de oorlog als kind of als volwassene hadden meegemaakt.
Dit neemt niet weg dat jongeren die na de oorlog waren geboren, aan Pressers Ondergang argumenten ontleenden ter rechtvaardiging van de politieke strijd van de jaren zestig en zeventig. Onder de indruk van de passiviteit en nalatigheid van autoriteiten en bevolking tijdens de bezetting, die Presser aan de kaak had gesteld, werd menigeen bevangen door plaatsvervangende schaamte. En onvermijdelijk rees de vraag: Wat zou ik zelf hebben gedaan? Op zichzelf is het stellen van deze vraag te beschouwen als een poging, hoe onbeholpen ook, de breuk in de solidariteit met de joodse medeburgers te herstellen.138 Voor sommigen was dit zonder twijfel een oprechte poging zich rekenschap te geven van het oorlogsverleden. Hoewel het moeilijk is vast te stellen in hoeverre verwijzingen naar de Duitse bezetting duiden op serieuze reflectie op het oorlogsverleden,139 lijkt het niettemin aannemelijk dat plaatsvervangende schaamte, althans bij sommigen, politieke keuzes en stellingnamen bepaalde.
Een illustratie van de wisselwerking tussen met name Pressers boek en het activisme in de jaren zestig is te vinden in een terugblik van Constant Vecht (1947), later cpn-lid en in de jaren tachtig hoofdredacteur van De Waarheid, op zijn activistische verleden. Hij was destijds betrokken bij een studentenprotest tegen een bloedbad dat in Mexico was aangericht onder studenten die protesteerden tegen de geldverslindende Olympische Spelen (1968). Tot verontwaardiging van zijn moeder hadden de organisatoren om hun demonstratie kracht bij te zetten in een pamflet naar de Februaristaking verwezen. Hierop wendde zij zich schriftelijk tot ‘Professor Presser’ met de dringende vraag of hij van mening was dat ‘deze jongelui het recht hebben dit voor ons zo aangrijpende begrip “Februaristaking” als gemeengoed te behandelen en te gebruiken als propagandamateriaal’? Tot verbazing van mevrouw Vecht toonde Presser begrip voor de studenten. We eren de februaristaking nog, ‘omdat men toen opkwam voor zeer hoge waarden’ hield Presser haar voor. Hij vond het alleszins begrijpelijk dat jongeren ‘gruw[d]en van een wereld met allerwegen onvrijheid, onmenselijkheid, genocide; van een toekomst, waarin een derde wereldoorlog steeds meer onver-
mijdelijk lijkt? En staan hier nu werkelijk niet die “zeer hoge waarden” weer op het spel [...]?’140 Presser zou zich ook scharen aan de zijde van degenen die eind jaren zestig protesteerden tegen de aanwezigheid van de Amerikanen in Vietnam. Presser stond niet alleen in zijn sympathie voor de idealen van de jeugd. Vooral de zogeheten nieuwe professionelen koesterden begrip voor de opstandige jongeren, maar ook veel geestelijken, intellectuelen en politici konden zich vinden in hun maatschappijkritiek.141
Van een geheel andere orde was de Zesdaagse Oorlog in het Midden-Oosten in juni 1967, die een reactie was op de ernstige bedreiging van Israël door de Arabische staten. Joden en niet-joden werden door de dramatische situatie herinnerd aan de vervolging en vernietiging van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De regering en de Tweede Kamer kozen de zijde van Israël, er werden demonstraties en solidariteits-bijeenkomsten gehouden en er werd op verschillende manieren geld ingezameld voor de jonge staat in het nauw. Vooral joden, maar ook niet-joden, meldden zich aan om als vrijwilliger naar de joodse staat af te reizen.142 Voor niet-joden was de confrontatie met de bedreiging van Israël een nieuwe herinnering aan het lot van de joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. De sterke gevoelens van solidariteit met Israël hadden het karakter van een morele verplichting, ja, van compensatie voor nalatigheid tijdens de Duitse bezettting. Voor joden betekende de crisis dikwijls een abrupte en intensieve identificatie met Israël. Dit gold ook voor Presser en De Jong, die uit de gebeurtenissen de conclusie trokken dat Israël weerbaar diende te zijn om bedreigingen te kunnen weerstaan.
De solidariteit met Israël werd echter gecompliceerd door de Palestijnse kwestie en soms abrupt terzijde geschoven toen Israël na 1967 onderdrukker van de Palestijnen werd. Zo kon solidariteit verkeren in zijn tegendeel. Zionisme werd gelijkgesteld met imperialisme, dat in linkse kringen sterk werd afgekeurd. Als gevolg van de eenzijdige sympathie van linkse zijde voor de onderdrukte Palestijnen rees de verdenking dat het antizionisme slechts een nieuwe gedaante was van antisemitisme.143
Mede door zijn onverkorte steun aan Israël was De Jong, aan wie in 1962 nog door de televisiecritici de Nipkowschijf was toegekend voor de pre-
sentatie van ‘De Bezetting’ en zijn buitenlandcommentaren eind jaren zestig, toen het eerste deel van Het Koninkrijk verscheen in de publieke opinie een omstreden figuur geworden. Naast zijn beschouwingen over Israël deden zijn pleidooien voor een krachtige defensie, zijn afwijzing van communistische regimes, en vooral zijn verdediging van het Vietnam-beleid van de Verenigde Staten afbreuk aan zijn aanzien in progressieve kringen.144
Alvorens de reacties op De Jongs geschiedschrijving van de jodenvervolging te bespreken, is het belangrijk nog eens vast te stellen dat de jodenvervolging slechts een van de vele thema's was die in De Jongs levenswerk naast elkaar aan bod kwamen. Deel 8, dat in zijn geheel is gewijd aan het lot van gevangenen en gedeporteerden, vormt enigszins een uitzondering, maar ook hierin houdt De Jong zich niet alleen met joodse gevangenen en gedeporteerden bezig, maar met alle categorieën Nederlanders in Duitse gevangenissen en concentratiekampen.
Dit gegeven wordt weerspiegeld in de besprekingen van de achtereenvolgende delen, waarin de recensenten hun aandacht moesten verdelen over tal van thema's en groepen van de Nederlandse bevolking. De verdunning die hiervan het gevolg is, wordt nog versterkt door de chronologische opzet van Het Koninkrijk. Ook het verhaal van de jodenvervolging ontvouwt zich slechts geleidelijk en met grote tussenpozen.
Het eerste deel van Het Koninkrijk (Voorspel) (1969), waarin De Jong verschillende aspecten behandelt van Nederland in het interbellum, vloog de winkels uit.145 De totale oplage van deel 1 kwam uit op 200.000 exemplaren. Als aanvulling op Pressers Ondergang wijdt De Jong enkele tientallen bladzijden aan de positie en samenstelling van de joodse groep. In de besprekingen werd vooral de aandacht gevestigd op het beleid ten aanzien van de Duits-joodse vluchtelingen, dat de recensenten beschouwden als een beschamende en pijnlijke episode.
Jan Rogier zou vanuit een linkse maar niet-communistische optiek De Jong, die hij tooide met het predikaat ‘Geschiedschrijver des Rijks’,146 tot en met deel 8 uiterst kritisch volgen met recensies in Vrij Nederland. Hij vond het chapiter over het vluchtelingenbeleid behoren ‘tot de meest boeiende en tegelijkertijd meest beschamende hoofdstukken’ van het eerste deel. Het restrictieve toelatingsbeleid van verschillende Nederlandse ministers vond hij ‘uiterst pijnlijk’. Rogier had geen moeite met De Jongs behandeling van het beleid van het Comité voor Joodse Vluchtelingen, dat door hem al bijna collaboratie werd genoemd. Hij kwalificeerde dit gedeelte als ‘een trieste inleiding achteraf

Loe de Jong en Ben Sijes bij de presentatie van deel 1 van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, 10 februari 1969.
op wat Presser over de Joodse Raad [...] heeft geschreven’.147
Daarentegen vroeg de recensent van de Nieuwe Rotterdamse Courant, J.W. van der Meulen, zich af of De Jong het beleid van het vluchtelingencomité ten aanzien van de selectie van de uitgeweken Duitse joden niet ten onrechte had beoordeeld als een vooruitwijzing naar het beleid van de Joodse Raad tijdens de bezettingsjaren. ‘Is het niet mogelijk het inderdaad zeer pijnlijke optreden van het vluchtelingencomité voornamelijk als een uitvloeisel van de economische crisis te zien en de gedragingen van de Joodse Raad toe te schrijven aan menselijke, al te menselijke omstandigheden?’148
Het eerste deel van Het Koninkrijk trok ook de aandacht in het buitenland, vooral in Duitsland. Der Stern publiceerde een bespreking die geheel en al was gewijd aan het vluchtelingenbeleid. In Die Zeit verscheen een uitvoerige recensie van de hand van de Nederlandse historicus Ger van Roon, waarin het lot van de Duitse vluchtelingen als een donkere bladzijde uit de contemporaine Nederlandse geschiedenis werd beschreven.149 Overigens waren degenen die in de internationale pers schreven over de opeenvolgende delen van Het Koninkrijk - evenals bij Pressers Ondergang het geval was geweest - in meerderheid hetzij Ne-
derlanders hetzij door familie- of professionele banden met Nederland of het riod verbonden. Voor anderen was de Nederlandse taal een onoverkomelijke barrière.
In joodse kring was het hoofdstuk over de genoemde comités, waarin Asscher en Cohen leidinggevende figuren waren, aanleiding voor een bitter debat dat teruggreep op de politieke verdeeldheid in de vooroorlogse jaren. In het niw besprak Sam de Jong, die in 1965 ook Ondergang had gerecenseerd, het door Loe de Jong bekritiseerde beleid van het vluchtelingencomité. De recensent weet dit, in overeenstemming met de zionistische analyse, aan het ontbreken van ‘een integrale bewust nationaal-joodse solidariteit’ onder de meerderheid van de joden in Nederland.150 Een jaar later zou dezelfde De Jong in De Joodse Wachter naar aanleiding van het derde deel (Mei 1940) zijn kritiek op het Comité voor Joodse Vluchtelingen verder aanscherpen. Hij betreurde het dat zijn naamgenoot in dit deel uitsluitend het vertrek van de Westerbork-geïnterneerden, zevenhonderdvijftig Duits-joodse vluchtelingen, op de tiende mei 1940 naar Leeuwarden onder leiding van rabbijn A.S. Levisson had vermeld, maar niet hun terugkeer kort na de capitulatie. Hiertoe hadden zij een sommatie ontvangen van het Vluchtelingen-comité, die in de ogen van De Jong een ‘jammerlijke voortijdige morele capitulatie’ was. In wezen, meende hij, was toen de Joodse Raad al opgericht.151
Eveneens in het niwwees Chariefarius, waarschijnlijk nom de plume van Hartog Beem (1892-1987), erop dat De Jongs visie er een was van een socialist én jood. Hij vond het ‘bijzonder gelukkig’ dat een joods historicus dit werk voor zijn rekening nam, aangezien hij behalve vertrouwd met het jodendom, niet geremd zou zijn bij het waarderen van intern-joodse verhoudingen. De Jongs verwijt aan de joodse gemeenschap dat het vluchtelingenwerk in de jaren voor de oorlog in handen van de bourgeoisie lag, was in zijn ogen anachronistisch. ‘Iedereen vond dat toen doodnormaal - ook in de kringen der socialisten.’ Verder onderstreepte hij dat slechts enkele joodse socialisten het joodse vraagstuk tot onderdeel van hun programma hadden gemaakt. ‘De overgrote meerderheid was bezig de banden met het jodendom te verbreken en wachtte op de broederschap tussen alle mensen resp. de dictatuur van het proletariaat.’ In een naschrift bij dit artikel merkte Boas op dat De Jongs opvattingen over Israël en het zionisme in de periode dat hij werkte aan Het Koninkrijk, en zeker na zijn eerste bezoek aan Israël in 1965, waren ‘geëvolueerd’. Zij betreurde het dat hij zijn passages over het
vluchtelingenwerk, die volgens haar nog in de periode daarvoor waren geschreven, nadien niet meer had herschreven. De betreffende gedeelten getuigden volgens haar van gebrek aan begrip voor de zionistische beweging.