en zoals je op zijn tijd graag naar droevige muziek luistert, of een angstwekkende film bekijkt: in de veilige zekerheid dat het jezelf goed gaat - zo wil je, als je leest, wel 's genieten van andermans ellende, i.c. de ellende van de man over wie je leest. Menig lezer ook verlangt ernaar dingen te lezen die hij zelf niet zo zou durven zeggen, of zelfs niet durft te beleven, maar wel zou wíllen beleven. Tussen lezer en boek bestaat een los-vaste verbinding, een tweeaderig snoer zou je kunnen zeggen, van verlangen (+) en vrees (-), om alle mogelijke leesgevoelens maar 's tussen deze twee polen op te hangen. De schrijver weet hier wel weg mee. Hij heeft, tijdens het schrijven van het boek, net zo goed zijn verlangen en zijn vrees. Maar hij wordt gedreven door nog een derde kracht: de noodzaak om het verhaal dat hij zit te verzinnen, geloofwaardig te maken.
Nu is het niet moeilijk een lezer met sterke verlangens te lokken met een verhaal en dat verhaal mag best slecht geschreven zijn. Goedgelovige lezers lezen slechte verhalen.
Minder goedgelovige lezers lezen helemaal geen verhalen en als ze een verhaal lezen, stellen ze daaraan bijzondere eisen. Ze lezen goede schrijvers. Wat is het verschil? De motieven van de goede schrijver zijn dezelfde als die van de slechte schrijver: de aandacht van zijn publiek te boeien. Het is het publiek dat het niveau van de schrijver bepaalt.
Het beste publiek is het publiek dat weet dat alles wat op papier staat gelogen is. De schrijver die daar geen rekening mee houdt, levert in het algemeen onwaarachtige, onechte produkten af. De schrijver die daar wél rekening mee houdt, zal in zijn verhaal een doek inbouwen dat hij kan laten zakken op zijn tijd - dat doek is eigenlijk het enige echte in zijn boek. Een roman met een doek, of hoe je dit buitenge-beurlijke attribuut ook wilt noemen, is een echte roman. Om een echte roman te schrijven is het nodig dat de schrijver zijn eigen echtheid inbrengt. Waar de schrijver zijn eigen echtheid inbrengt, kun je het verhaal autobiografisch noemen.6