In de vorige paragraaf hebben we gezien hoe een bepaald woord door een ongewone context een betekenis kan krijgen die het voordien niet had. Hogere woordkunst heb ik het genoemd en ik heb me laten verleiden tot het geven van een paar voorbeelden, zodat ik niet meer toekwam aan de behandeling van het begrip waar het me eigenlijk om begonnen was: de evocatie. Een schrijver evoceert, hij roept een bepaald gevoel op dat nog niet eerder is gevoeld en derhalve waarschijnlijk ook niet bestond. Na een geslaagde evocatie bestaat dat gevoel wél en van alle gevoelens die er zijn, kun je zeggen dat het geëvoceerde gevoel het best omschreven wordt door de woorden waarmee het zojuist is opgeroepen. Het is hier waar de literatuur zich manifesteert in haar zuiverste vorm, en in haar zuiverste inhoud: het is hier waar deze vorm en inhoud één zijn.
Wanneer is een evocatie geslaagd?
Guépin heeft 's, een aantal jaren terug, uitvoerig laten zien dat je geen zin kunt bedenken die onzin is. Probeer het maar, prik maar in het woordenboek en stel je zin maar samen. Sterker: elke zin kan alles betekenen: ‘het vermogen van de mens om in iets iets anders te herkennen is onbeperkt’.
Dit is zo. Bijgevolg kan iedereen een regel schrijven die iets nieuws betekent, en iedereen kan een regel schrijven die een nieuw gevoel oproept en zo kan iedereen de bewering volhouden een literator te zijn. Ook dit is zo. De gewone
man die bij het zien van ‘moderne’ poëzie zich verontwaardigd voelt en roept dat ie ‘dat ook wel kan’, heeft in principe gelijk. In de praktijk echter niet, want hij doet het niet. Hij schrijft niet. In de praktijk is alleen hij een dichter die ook inderdaad gedichten schrijft, en ze daarna publiceert.
Elke dichter vindt zichzelf een goeie dichter. Toch geven al die dichters mij gelijk als ik zeg dat er heel wat slechte dichters zijn.
Een slechte dichter laat met elke regel zien dat hij evocatief is. Beginnende dichters doen dat vaak. Een goede, ervaren dichter beseft veel beter dat hij zich met zijn gedicht richt tot mensen die van niets weten en dat, als hij gevoelens bij zichzelf evoceert, de kans groot is dat hij niet wordt verstaan. Het grootste gedeelte van zijn gedicht zal daarom zijn: inleiding, zetting, klankkast, redundantie. Hij richt zich tot zijn publiek in termen die begrijpelijk zijn; veel van zijn regels zijn juist niet evocatief. Een goed gedicht bevat meestal maar twee of drie evocaties.
Kan de psychologie een nieuw gevoel ontdekken, zo vraagt J. van Heerden zich af in een gelijknamig essay. Het antwoord dat hij na enig nadenken geeft, is ontkennend: de psychologie kan dit niet, en wil dit ook niet. Van Heerden wil het eigenlijk wel, en wij natuurlijk ook, en aan het eind biedt hij ons een troostrijk perspectief: als je maar genoeg meemaakt, zul je nog genoeg nieuwe gevoelens ervaren, want ‘men kent gevoelens uit ervaring’. En zo zal er een gevoel zijn dat nog niemand ooit eerder heeft gehad. Hoe dit gevoel genoemd moet worden? Hij stelt, heel aardig, voor dat het, naar analogie van de gewoonte in de scheikunde, de naam krijgt van de ontdekker.
Het is bekend dat onze gevoelens niets anders zijn dan gewaarwordingen van eigen chemische reacties. Sommige reacties hebben wij nog nooit ervaren. De kunst van de schrijver nu bestaat hierin, voor zo'n nieuwe reactie een oud woord te vinden. En we zien nu ook waarom hij daar-
toe zoveel schrijven moet: om de lezer van de nodige ervaring te voorzien.