ordening. Niet een ordening zoals je die objectief kunt waarnemen, of vaststellen, maar een ordening zoals die zich manifesteert op het moment dat het verhaal geschreven wordt - in 's schrijvers hoofd: ‘Niet de werkelijkheid die beschreven wordt is van het grootste belang, maar de beschrijver. Het is namelijk een eigenaardigheid van de mens dat hij de chaotische werkelijkheid die hem omringt, toch beschrijven moet. Hij beschrijft hem alsof hij geordend was. Hij wil er een orde in leggen. Misschien weet hij dit, weet hij dat het zijn hoogst persoonlijke orde is die hij erin legt, maar hij kan het niet laten.’
Dit zijn gouden woorden. De vraag is alleen hoe we ons die orde, of dat verband, in het algemeen moeten voorstellen. Laten we, om die vraag te beantwoorden, aannemen dat het verhaal elementen bevat die echt zijn gebeurd én elementen die ‘zijn ontsproten aan de fantasie van de schrijver’. Wat de man niet echt heeft beleefd, dat stelt hij zich maar voor, door zich in die historie in te leven, als een toneelspeler. Werkelijkheid en fantasie - men zal het beamen. Maar wat men niet weet en zelfs de schrijver heeft het niet altijd door, is dat werkelijkheid en fantasie zich vaak manifesteren in één en dezelfde zin. Dan is dat verband dus die zin zelf.
Je kunt het vergelijken met de manier waarop je, door elektrische stroompjes door een draad te laten lopen, soortgelijke stroompjes opwekt in een draad die daaraan evenwijdig loopt. Bijvoorbeeld: je bent een keer, lopend van Landsmeer naar Ilpendam, erg gelukkig geweest. Dat kun je beschrijven omdat je het beleefd hebt. Maar als je op het moment van schrijven je niet opnieuw inleeft in dat gevoel, komt het niet op papier terecht en dan gelooft de lezer je niet en heb je het niet goed beschreven. Als je daarentegen schrijft dat je, lopend van Le Bacarès naar Perpignan, met het zicht op de besneeuwde Pyreneeën, erg gelukkig geweest bent, wat dus niet waar is, want je bent er nooit geweest, dan dwing je jezelf daarmee je in het beoogde ge-