terug  begin  verderprepost
[p. 73]

23. Over concreet en abstract. Over waarheid in termen van de retorica

Als ik een boek na een tijdje wegleg omdat het me niet boeit, kan dat twee redenen hebben. Het boek bevat te weinig ideeën, of het bevat genoeg ideeën, maar te weinig verhaal.

In hoeverre moet de schrijver van een boek een verteller zijn, en in hoeverre een filosoof - dat is de vraag. Als verteller heeft hij het voordeel van een korte aanlooptijd: een boek dat vertelt, is vaak al spannend voordat het begint. Maar de filosoof heeft op de verteller voor, dat zijn activiteiten in dienst staan van iets dat wij uiteindelijk allemaal willen: de waarheid. Geen filosoof die niet zal beweren, en volhouden, dat alles wat hij geschreven heeft, hoe dan ook, waar is. Een verteller laat dit in het midden.

Het verschil in hun houding t.o.v. de waarheid kan hierdoor worden verklaard, dat een verteller concrete dingen beschrijft en een filosoof algemene, abstracte uitspraken doet. Een filosoof zoekt al schrijvende de waarheid en iemand die concrete dingen beschrijft, heeft de waarheid allang gevonden, hij zoekt blijkbaar iets anders. Want wat is concreet? Concreet is datgene waar allerlei uitspraken zich (alsof het een voorwerp is, in onze vloeibare, geestelijke wereld een pièce de résistance) tegen aanvlijen, bijvoorbeeld door het te beschrijven, zonder dat het daardoor verandert. Wat er verandert aan het concrete zijn onze uitspraken erover en waarom veranderen die uitspraken: omdat we van het concrete voorwerp een ander beeld willen hebben, maar wat

[p. 74]

we ermee bedoelen blijft precies hetzelfde.

Iets dat abstract is gedraagt zich anders. Ook een verzameling van uitspraken die zich om iets heen vlijen, maar met het effect dat wat ze beschrijven daardoor verschuift, of zelfs op drift raakt, omdat zo'n abstractie niets anders is dan de verzameling uitspraken waardoor zij beschreven wordt, daar is het nu juist een abstractie voor. Dus elke uitspraak heeft invloed op die abstractie, kan 'm zelfs vernietigen en er voor in de plaats iets anders oproepen.

Hiermee hebben we nu twee types schrijvers gedefinieerd: de concrete schrijver die de wereld om zich heen beschrijft zoals hij die ziet en die uit vrees door zijn personages ter verantwoording te worden geroepen misschien beweren zal dat hij het allemaal verzonnen heeft - en de abstracte schrijver die iets beschrijft dat niet gebeurt en beweert dat dát de waarheid is. Geen van beide types is afzonderlijk interessant, weshalve ze opgaan in een mengvorm: de verteller/denker die a) zijn vertrouwde omgeving beschrijft en b) een abstract heelal beschrijft en beweert, met al dat geschrijf, dat dit hetzelfde is. In die activiteit zijn de rollen omgekeerd: de verteller vertelt de waarheid en het is de denker die verzint. En als de lezer wil begrijpen wat de denker bedoelt dan leest hij alleen maar wat de verteller hem vertelt, dat vult hij gewoon in. De kunst van de schrijver nu bestaat hierin dat hij, de lezer, dat doet.

Daarmee zijn we aangekomen bij de definitie van wat waarheid is. Een bewering is waar, zegt de neo-positivist, als ze een beschrijving is van iets dat zo is. We hebben gezien: voor iets dat bestaat, geldt dit altijd, voor iets dat niet bestaat, geldt het nooit. We moeten blijkbaar bij het besluit om een bewering voor waar te verklaren, ook het oordeel van de lezer betrekken: een bewering is waar als zij overtuigt, een oude retorische wijsheid die de ontoereikendheid aangeeft van bijvoorbeeld de logica met behulp waarvan je moet aantonen dat elke bewering die je gebruikt hebt waar

[p. 75]

is. Dat is niet nodig. Je mag ook onware dingen beweren, als de lezer ze maar begrijpt, en doorleest, meer is niet nodig.

Als hij het boek dat hij leest maar mooi vindt, en uitleest. Dat is voldoende om de twee, drie zinnen die hem hebben overtuigd, te onthouden. Zonder dat boek zou hij ze niet hebben gelezen, en zonder het boek er om heen had hij ze niet begrepen.

prepostterug  begin  verder