III. Kunst in de kou
Toen de oude Picasso werd gevraagd wat nu eigenlijk liet wezen van kunst was, of van zijn kunst, spreidde hij voor de tv-camera zijn armen en zei: ‘L'amour!’
Misschien had hij gelijk. Ik zou, desgevraagd, iets anders gezegd hebben, iets over waarheid en afbeelding, in elk geval iets waar niemand wat aan zou hebben gehad en als ik oud ben, zal ik waarschijnlijk geleerd hebben op een eenvoudige vraag een eenvoudig antwoord te geven. Wie weet, zal mij tegen die tijd, als ik het over poëzie heb, ook wel het woord ‘liefde’ over de lippen komen, of ‘warmte’, of ‘contact’.
Veel mensen houden van kunst omdat ze zich eraan kunnen warmen. Ze willen bovendien graag horen dat de kunstenaar, op het moment van scheppen, die warmte ook voelde. Of woede, of verdriet. Als hij maar wat voelt. Want dan voelt degene die van zijn werk kennis neemt hetzelfde - is zo'n beetje de redenering.
Ik herinner me een artikel, waarin het voorstel om het aantal kunstenaars in Nederland te limiteren (i.v.m. de subsidie, er waren er toch genoeg) van de hand werd gewezen met het argument dat er nóóit genoeg kunstenaars zijn in de wereld, omdat juist de kunst warmte voortbrengt en menselijkheid. Hoe meer kunst, des te meer menselijkheid in de wereld. Maar waarom is er dan niet meer kunst?
Het antwoord is eenvoudig. Want kunst kan dan wel warmte e.d. geven (en niets is mij liever dan kunst die mij verwarmt), je moet het ook nog een keer maken.
Wie maakt kunst? Om kunst te maken moet je ‘creatief’ zijn. Wie niet creatief is, maakt geen kunst. ‘Creatief’ wordt