‘Komen twee waterdruppels met elkaar in contact, dan zullen ze samenvloeien tot één grote druppel. Het omgekeerde proces, het spontane splitsen van een grote druppel, komt niet voor.’ Kurt Mendelssohn.
Ieder mens heeft zijn eigen wereld. Er zijn dus net zoveel werelden als er mensen zijn. Als mensen met elkaar praten, blijven ze zitten waar ze zitten, maar hun werelden verenigen zich, tot op zekere hoogte, en daarom blijven ze praten. Als twee werelden zich verenigen, dan kun je op de plaats waar dat gebeurt:

niet zien of je in de ene wereld verkeert of in de andere; het is één en dezelfde wereld, die twee werelden verbindt zoals de thee in het kopje verbonden is met de thee in de pot door de tuit - op het moment dat er geschonken wordt. Communiceren heet dat, en zo kun je je voorstellen dat ook mensen communiceren: door in elkaar op te gaan.
Een kunstenaar doet dat anders. De wereld waarin hij leeft is een wereld die niet gevoed wordt door andere werelden, maar eentje die hij zelf maakt. De bouwstenen die hij daarvoor gebruikt zijn precies de elementen die in zijn werk tot uitdrukking zijn gekomen en andere elementen laat hij in zijn wereld niet toe. Sterker: hij zorgt ervoor dat zijn wereld zoveel mogelijk van iedere andere wereld verschilt. Dat brengt met zich mee dat hij zich met geen enkele wereld kan verenigen, noch daarmee kan communiceren: een kunstenaar onderscheidt zich van gewone mensen hierin dat hij niet communiceert. Hij wil dat ook niet, want het is zijn functie niet. Zijn functie is: afbeelden. Zo:

Je kunt het ook transformeren noemen, of creëren desnoods, maar ik heb een voorliefde voor het woord ‘afbeelden’, omdat het in een wiskundige context veronderstelt dat het hierbij gaat om een relatie tussen twee ongelijksoortige zaken die dus, per definitie, niets met elkaar gemeen hebben. Positiever: pas als twee werelden voldoende van elkaar verschillen lukt het je de ene op de andere af te beelden, of: de ene met de andere te vangen.
Er zijn mensen die ten overstaan van Het melkmeisje van Vermeer zich bewonderend uitlaten over de natuurlijkheid van het portret. Die bewondering is op zijn plaats: zij geldt
het vermogen van de kunstenaar om illusies te scheppen en dat is goed. Kunst die je niet de illusie geeft dat je iets beleeft is geen kunst. Maar de illusie wordt gebruikt zoals je één been nodig hebt als vast punt: om met het andere te stappen. De illusie van het echte, natuurlijke meisje dat iedereen herkent dient om de illusie op te wekken van iets dat niemand herkent en ook nooit eerder gezien heeft - dáárvoor is dat schilderij gemaakt.
Om dezelfde reden worden er romans geschreven: je vertelt een verhaal, zodanig dat de lezer gelooft wat er staat en doorleest, maar wat je wilt zeggen is iets nieuws. Je lokt de lezer met dingen die hij herkent, dat vindt hij prettig, maar waar 't je om te doen is, is iets dat hij niet herkent. Je vertelt de lezer iets waar hij nog nooit van gehoord heeft: wereld A (lezer) wordt afgebeeld op wereld B (boek) die van A verschilt, zodat A, tenminste als hij er nota van neemt, verschillen gaat van zichzelf.
Het gaat hierbij om iets dat niet bestaat, buiten het boek. En als hij het onthoudt, de lezer, bestaat het ook alleen maar in zijn hoofd. Het vormt geen deel van enige werkelijkheid (daarom heet het ook kunst) en het bestaat bij de gratie van het papier waarop het is meegedeeld. Ik citeer de schilder Dubuffet: ‘Het doel van schilderen is leven te brengen op een oppervlak dat per definitie tweedimensionaal is en zonder diepte. Je verrijkt dit oppervlak niet door te gaan werken met reliëfs of schaduwpartijen; nee, je verkracht het, en maakt het voor gebruik ongeschikt.’
Het gevoel dat je hebt als kunstenaar, overal waar werelden op elkaar gaan lijken en mensen dezelfde dingen gaan zeggen en elkaar zogenaamd begrijpen: dat je moet breken en snijden.
Wie niet breken kan, en snijden, en vernietigen, is geen kunstenaar.