Aan de nagedachtenis van Wouter Nijhoff

Karel V. Naar een houtsnede uit Die excellente Cronike van Brabant, Vlaenderen, Hollant, Zeelant. Antwerpen, Jan van Doesborch, 1530. (verkleind).
Wie theologische beschouwingen over de Kerkhervorming verwacht, zal hier zijn gading niet vinden. Ik heb er mij toe bepaald te verhalen, op welke wijze tal van verboden boeken in de eerste decennia der nieuwe beweging, spijt het verzet van de overheid, toch hun bestemming bereikt hebben en dan vooral, dank zij de onovertroffen vindingrijkheid en de moed van de drukkers. Uitingen van de Hervorming dus, maar uitsluitend van een speciale kant bezien.
Samengevat en verwerkt werd in dit boekje, hetgeen mij altijd het meest heeft aangetrokken gedurende de veeljarige werkzaamheid aan de Nederlandsche Bibliographie van 1500 tot 1540, door Wouter Nijhoff begonnen en door mij voortgezet. Men kan het beschouwen als een compilatie, doch sterk aangevuld, van de stof, die ik in menig tijdschriftartikel of voordracht heb behandeld. In de benauwde jaren, die achter ons liggen, is de fiere houding van de opstandigen uit vroegere tijden nog meer voor me gaan leven.
Bibliograaf met hart en ziel, voel ik in het werk een tekortkoming. Herhaaldelijk, en het meest in het vierde en zevende hoofdstuk, worden boeken, ongetekend of onder een schuiladres verschenen, met volslagen zekerheid aan een bepaalde drukker toegeschreven, zonder nadere motivering. Misschien zal dit op een buitenstaander de indruk maken van gegoochel met toeschrijvingen. Ten onrechte. Want iedere toewijzing is volmaakt verantwoord. Alleen was het niet mogelijk in een boek, dat ook de wens heeft leesbaar te zijn, de uitvoerige, zuiver technische uiteenzettingen
te lassen, die het terechtbrengen der niet-getekende drukken staven. Met dat al dank ik persoonlijk te veel aan het moderne, streng wetenschappelijk gefundeerde typenonderzoek, om de omissie niet te betreuren. Maar zelfs reeds het verhaal, hoe dit typenonderzoek, in de aanvang vooral toegepast op de incunabelen, omtrent 1870 door Henry Bradshaw gegrondvest en later door bekwame Engelse bibliografen en Konrad Haebler vervolmaakt werd, zou te lang worden.
De noten zijn uitsluitend bestemd voor wie nadere inlichtingen omtrent het verhaalde wenst. Een gewoon lezer behoeft ze niet op te slaan.
Tot slot herdenk ik dankbaar, dat ik nog meer dan eens met mijn betreurde vriend Wouter Nijhoff over de samenstelling van het boek heb kunnen spreken. Ook zijn warme belangstelling is altijd uitgegaan naar de verboden uitgaven en naar de drukkers, ‘dont plusieurs ont payé leur dévouement de leur liberté ou de leur vie’.
's-Gravenhage, November 1947.