|
|
|
| |
| | | |
16de Congres van de Limburgse Vereniging voor Dialect- en Naamkunde Lommel, 24
november 1990
| |
Lommel en Limburg, een dialektometrische verkenning*
Joep Kruijsen
De titel van mijn voordracht van vanmiddag is het resultaat van een serie
reducties die ik heb toegepast op de suggestie van de organisatoren van het
congres. Deze hield in dat mijn voordracht zou gaan over de ‘grenzen van
Whet Limburgs’, over dialektgrenzen en grensdialekten, waarbij Lommel dan
het uitgangspunt van de beschouwing zou zijn en waarbij ik me voornamelijk
met de woordenschat zou moeten bezighouden. Dus iets als: de plaats van het
Lommels dialekt tussen Brabants en Limburgs, of: in hoeverre is de Lommelse
woordenschat nog Limburgs?
De alliteratie die uiteindelijk is overgebleven, ‘Lommel en Limburg’ zou
verstaan moeten worden als ‘het Limburgse dialektlandschap, gezien vanuit
Lommel’. Ik zal daartoe eerst het met voetangels en klemmen bezaaide gebied
betreden van de vraag hoe Limburgs Lommel eigenlijk
is, of liever, ik zal de ònderliggende vraag naar de afbakening, de
begrenzing, van het Limburgs proberen te omzeilen door aan te tonen dat het
een schier onmogelijke, haast niet te beantwoorden vraag is, en vervolgens
tòch een uitweg naar dat antwoord zoeken. Als het al mogelijk is de plaats
van Lommel te bepalen in het landschap van de klanklijnen en klankgrenzen
die in de provincies Limburg getekend zijn, dan is daarmee immers nog de
vraag naar het ‘Limburgse gezicht’ van Lommel en naar het aandeel van de
‘Limburgse woordenschat’ ter plekke niet afdoende beantwoord. Voor deze blik
vanuit de zijlijn zal ik de verrekijker van de dialektometrie ter hand
nemen, en daarmee een beknopt woordgeografisch overzicht geven van de
terminologie van de weidebouw, een aflevering van het
Woordenboek van de Limburgse Dialecten
die ik onlangs heb voltooid en die over enkele maanden zal
verschijnen.
Hoe Limburgs is Lommel? Aan het antwoord op deze vraag gaat een andere vraag
vooraf: wat is Limburgs, en wat niet? en bestáát het Limburgs wel? En dat is
nu juist de schier onmogelijke vraag die ik zostraks vermeldde. Dat ik me
daarmee in vertrouwd gezelschap bevind, moge blijken uit het citaat waarmee
Pieter Goossens, in de Inleiding op het WLD, de paragraaf ‘Het bewerkte gebied’ aanvangt; ik
citeer: ‘Een taallandschap is, bepaald als het wordt door factoren van de
meest uiteenlopende aard, een dusdanig gecompliceerde grootheid dat er geen
| | | | enkel criterium te vinden is aan de hand waarvan men tot een
volkomen bevredigende afbakening zou kunnen geraken.’ (WLD,
Inl., 7). Het is een geruststellende gedachte dat vervolgens Lommel
tot ‘het bewerkte gebied’ wordt gerekend!
Notten (1988, 55) zegt boudweg dat het Limburgs
niet bestaat. De vraag is voor hem niet interessant; dat is alleen de
vervolgvraag, die naar

kaart 1
Limburgse klankgrenzen, naar J.
Leenen (1947, 12-13). K 278: Lommel. De belangrijkste
klanklijnen zijn: 1. de Benrather lijn (maken =
machen, water = wasser, enz.: 30) 2. de Uerdinger lijn
(ik = ich, ook = ouch, enz.:
1-2-3-4-5-6-7-8-9-10-11) 2a de Uerdinger zijlijn (het mich-kwartier: 9-12-13-14-15) 3. de -lijk = -lich lijn (26-27-28-29) 4. de
Panninger lijn (st- = sjt-, sl- = sjl, sp- = sjp-,
enz.: 25-24-8-9-10-11) 5. de Panninger zijlijn (sch- = sj-:
16-17-18-19-20-21-22-23-24-8-9-10-11).
| | | | de afzonderlijke Limburgse dialekten. De vraag of het Limburgs
bestaat is dan ook te vergelijken, met excuses, met de vraag of God bestaat.
Ook deze vraag is in zekere zin oninteressant, in elk geval minder
interessant dan die naar de verschijningsvormen ervan!
Ik zal dan ook verschijningsvormen van enkele Limburgse dialekten in
ogenschouw nemen en die vergelijken met verschijningsvormen, i.c. benamingen
voor begrippen, in Lommel.
Wanneer ik in het kader van deze voordracht voorbij mag gaan aan de
historische kwestie, kan men eenvoudigweg niet om de constatering heen dat
Lommel administratief en politiek gezien tot de provincie Limburg behoort.
De provinciegrens loopt aan de westkant van de gemeente. Punt uit.
En dialektologisch? Waar lopen de ‘administratieve’ grenzen daar? Als we de
gebruikelijke dialektologische indelingen van het zuidelijke Nederlandse
taalgebied beschouwen, valt Lommel meedogenloos buiten de Limburgse prijzen.
| 1. | In de meest geciteerde indelingskaart van de Nederlandse dialekten, de
vlakkenkaart van Daan en Blok uit 1969 valt Lommel zonder pardon in het Brabantse
gebied, niet eens in het daar getekende overgangsgebied tussen Limburg
en Brabant. |
| 2. | In de isoglossenkaart die Leenen in 1947
presenteerde van het Limburgse gebied, is er ook maar niet één van de 26
daar getekende klanklijnen die het Lommels omsluit. Lommel valt buiten
alle linies, ook de meest westelijke Uerdinger lijn en de betoningslijn.
Lommel heeft daarmee dezelfde positie in Limburg als bij voorbeeld Meyel en de kop van Nederlands
Noord-Limburg. (zie kaart 1) |
| 3. | Ook in de indelingskaart van het Zuidnederfrankisch die Jan Goossens (1977, krt. 13) in zijn
Inleiding tot de Nederlandse Dialectologie
opneemt en waarin hij het overgangsgebied tussen Brabants en
Limburgs wat ruimhartiger tekent dan. Daan en Blok dat deden, zeker aan
de Brabantse kant, is Lommel onontkoombaar Brabants. (zie kaart
2) |
Wat zijn dergelijke indelingen, dergelijke ‘samenlopen van omstandigheden’
waard voor het beantwoorden van de vraag of een bepaalde plaats nu Limburgs
(of Brabants, of Fries) is of niet? Op de eerste plaats moet dus gezegd zijn
dat Lommel in Limburg ligt en hoewel de politieke administrateurs soms
terdege rekening gehouden hebben met de talige werkelijkheid, --ik behoef
maar te refereren aan de vastlegging van de taalgrens in 1962-- mag uit het
bovenstaande wel duidelijk zijn dat zij niet de dikte van isoglossenbundels
hebben nagemeten voor ze een voorstel deden tot het trekken van de
provinciegrenzen tussen Brabant en Lim- | | | | burg! Gemeten naar de
klanklijnen is Lommel géén Limburg, behoort het
niet tot het gebied met Limburgse klankverschijnselen.
In zekere zin is Nottens apodictische ‘Er bestaat geen Limburgs’ een verre
echo van een in de geschiedenis van de dialektologie zeer oude ‘kwestie’,
nl. die van de afgrensbaarheid van dialekten en, daarmee verbandhoudend, van
het bestaansrecht van dialektgrenzen. De kwestie heeft al heel wat stof doen
opwaaien. In 1888, om precies te zijn, schreef de toenmalige paus van de
romanistiek, Gaston Paris, in een pamflet: ‘Il n'y a réellement pas de
dialectes...’. Het is bijna een variant op de 25 jaar later beroemd geworden
ontboezeming van Jules Destrée: ‘Sire, il n'y a pas de Belges...’1.
En je hoeft geen Belg of dialektspreker of Limburger te zijn om het
prikkelende, ja bijna bijtende, van dergelijke stellingen na te voelen.
kaart 2
Indelingskaart van het
Zuidnederfrankisch naar J. Goossens (1977, 60; ook in J. Goossens, Die
Gliederung des Südniederfränkischen, in Rhein.
Vierteljahrsblätter 30 (1969), 79-84) Lommel in de
cirkel. De Panninger zijlijn (5) splitst zich benoorden Genk om het
Centraallimburgs - Westlimburgs overgangsgebied te vormen waarvan de
oostelijke begrenzing wordt gevormd door de brief = breef,
boek = book lijn (6); de Uerdinger lijn splitst zich ten zuiden
van Lommel en vormt het Zuidbrabants - Westlimburgs overgangsgebied: het
Getelands.
| | | |
Notten (1988, 55) is natuurlijk het eerst verontschuldigd, want hij laat
meteen op zijn stelling volgen: ‘maar er zijn vele plaatselijke Limburgse
dialekten’, en dan vinden we elkaar meteen weer.
Voor Gaston Paris ligt de zaak wel wat complexer. Hagen heeft in 1984 een
boeiende beschouwing gegeven over de controverse tussen Paris en Meyer en
hun leerlingen (met name Gilliéron) aan de ene kant en Ascoli en zijn school
aan de andere en over de doorwerking van deze controverse tot in onze dagen.
Hagen kiest partij voor Ascoli en de zijnen waar dezen tot definities en
begrenzingen van dialekten komen door het laten samenvallen van
gecombineerde en gewogen dialektkenmerken; voor hem is het
‘anti-regularisme’ in de dialektologie, d.w.z. de geringe theoretische
profilering van de op het woord gerichte dialektstudies, waarover met name
taalkundigen uit de algemene disciplines onophoudelijk klagen, een direct
gevolg van de grote invloed van Gilliéron, met zijn concentratie op het
woord als object van onderzoek. Het axioma dat ‘ieder woord zijn eigen
geschiedenis’: heeft, zoals Jaberg (1908, 6) het formuleerde, heeft de
onderzoeksenergie gedurende lange tijd op afzonderlijke woorden en
woordvelden geconcentreerd, en tegelijkertijd verhinderd dat grenzen van
verschijnselen die het woord overstijgen, vaste dialektgrenzen derhalve, een
volwaardige kans in het onderzoek kregen. Lange tijd werden immers degenen
die (nog) in de dialektgrenzen geloofden als ‘kinderlijk naïef’ (Gauchat,
geciteerd door Hagen (1984, 26)) versleten. Met de woorden van Hagen (1984,
27): ‘Het dilemma van enerzijds de neogrammatische klankwettigheid en de
daarbij behorende vastheid der dialektgrenzen en anderzijds de
dialektologische bevindingen dat klankverschijnselen zich niet in alle
woorden op hetzelfde tijdstip en in de dezelfde ruimtelijke configuratie
voordoen, heeft als het ware voortdurend om een oplossing geschreeuwd.’ Voor
hem moet de synthese van dit dilemma gezocht worden in de methode van de
lexikale diffusie, de hypothese dat klankveranderingen zich ‘lexikaal
geleidelijk’ voltrekken, zoals die sinds de 70-er jaren wordt geformuleerd.
Daarnaast hebben andere indelingscriteria die tot het vastleggen van grenzen
moeten leiden, waaronder die van Ascoli, zich niet onbetuigd gelaten, zeker
ook niet in het Nederlandse taalgebied. Goossens heeft ze in zijn De indeling van de Nederlandse Dialekten uit 1970 de revue
laten passeren. Als een van de meest veelbelovende noemde hij toen de
struktuurgeografische methode, gefundeerd op vergelijkingen uit de
structurele fonologie.
Voor nog een mogelijk antwoord op het geschetste dilemma, ga ik terug naar
Limburg.
In dezelfde Bijdragen van de Amsterdamse Dialektencommissie waaruit ik
zostraks Leenens ‘Limburgse Klankgrenzen’ citeerde, heeft
Winand | | | | Roukens een bijdrage
geschreven over ‘Dialectbegrenzing in Limburg, vooral met betrekking
tot lexicologische en syntactische isoglossen’. Roukens'
voornaamste aandacht ging daarbij uit naar de, vanuit Lommel gezien,
tegenovergestelde hoek van het Limburgse taalgebied, naar het zuidoosten, en
daar situeert hij dan ook zijn isoglossenstrengen. Toch is ook voor onze
beschouwing zijn methode niet onbelangrijk.
Tegenover het ‘ontmoedigingsbeleid’ van Meyer, Paris en Gilliéron om nog
langer naar dialektgrenzen te zoeken, bekent Roukens vooreerst zijn geloof
in de kwantitatieve benadering: al lijken dan op het eerste gezicht de
kaartbeelden van een taalatlas, i.c. zijn dissertatie (Roukens 1937), een
volkomen grillig patroon te volgen, intensieve vergelijking van die patronen
leidt tot concentratiegebieden, bundels van verschijnselen waarvoor
motiveringen te geven zijn. Roukens leidt deze motiveringen af uit wat hij
de ‘human geography’ noemt: geografische, economische en sociale factoren
zijn van invloed op de begrenzingen van dialekten en hij beschouwt deze
laatste als een speciaal geval uit de sociale geografie. Het is, zeker in
het licht van wat er na Roukens aan oostelijk Nederlands-Duits
taalgrensonderzoek is verschenen, duidelijk hoezeer zijn stelling juist was.
We moeten ons ook hier wel hoeden over overmatige stelligheid: er is bij het
bepalen van dialektgrenzen van méér sprake dan van sociaal-geografische
factoren alleen!
Roukens heeft de ongeveer 120 woordkaarten van zijn dissertatie als het ware
over elkaar gelegd en heeft de daaruit naar voren komende sterk sprekende
isoglossenstrengen gefilterd en in enkele kaarten samengevat. Voor de
resultaten van deze vergelijking mag ik naar het genoemde artikel verwijzen.
Enkele conclusies laat ik hier niet onvermeld: uitgenomen in het zuidoosten
van Nederlands Limburg is de Duits-Nederlandse staatsgrens overal een sterk
taalgrensvormende kracht, sterker dan men op grond van het Rijnlands
continuum zou mogen verwachten. Kremer (1979) en
Cajot (1989) hebben dit later bevestigd.
Volgens Roukens (1947, 39) is in de woordgeografie de differentiërende
kracht van deze staatsgrens, de invloed van de cultuurgeografie derhalve,
krachtiger dan in de klankgeografie. Ook de scheidende kracht van de Peel is
groot; die van de Maas en de Belgisch-Nederlandse landsgrens is echter
relatief zwak: de Maas is veeleer een verbindende schakel dan een scheidende
factor, zowel bij de klank- als bij de woordgeografie. ‘Het langgezochte
ideaal (ik citeer hier Roukens en beluister ook in zijn formulering de
doorwerking van de oude typologische “kwestie”) der absolute scheiding (i.e.
grensvorming) zullen wij -en daarover behoeven wij niet te treurenniet
vinden, omdat deze nergens bestaat tussen twee wezens, twee groepen, twee
culturen, die met elkaar contact hebben.’ In deze laatste woorden van
Roukens, culturen in contact, ligt wellicht een sleutel verborgen. Enkele
jaren na dit opstel verschijnt in de Verenigde Staten een baanbrekend boek:
Languages in contact. In de doorwerking van dit boek
richt | | | | de aandacht van de dialektologen zich minder op hetgeen de
dialekten scheidt, dan wel op wat ze onderling verbindt.
Wat verbindt Lommel dan wèl met Limburg?
Op grond van het voorgaande mag duidelijk zijn dat ik dat verband wil
aantonen met behulp van de woordenschat, maar dan niet als een atomistische
factor die elementen scheidt, maar als aanzet tot synthese van op het eerste
gezicht grillige en ordeloze onderscheidingen die uit kaartbeelden of
lemma's naar voren komen.
Daartoe ben ik te rade gegaan bij de dialektometrie. De term (analoog aan
econometrie en sociometrie die 20 jaar geleden al bestonden) en ook de zaak
zelve zijn afkomstig van Jean Séguy, auteur van de Atlas
linguistique et ethnographique de la Gascogne. Aanvankelijk maakte
Séguy, buiten zijn directe medewerkers in Toulouse en Henri Guiter, zelf ook
taalatlas-auteur, met wie hij nauw samenwerkte, niet veel school. Alan
Thomas uit Wales, Wolfgang Viereck met de Survey of English Dialects en
Louis Remacle, met materiaal uit de Waalse taalatlas, hebben met
dialektometrische analyses gewerkt. Maar het is vooral door toedoen van Hans
Goebl, romanist in Salzburg, dat de dialektometrie bekend is geworden. Hij
is een onvermoeibare pleitbezorger van Séguy's methoden, die in tientallen
voordrachten en artikelen zijn onderzoeksresultaten in Noord-Italië en
Normandië met veel verve toont, wiskundige en andere competentie te hulp
roept om zijn onderzoek te staven, en hij heeft een handboek over de
dialektometrie geschreven.
Nu recentelijk grote computersystemen en elektronisch manipuleerbare
databanken voor taalgeografisch onderzoek kunnen worden ingezet (met name de
onderzoeksgroep voor de automatische kartografie rond Wolfgang Putschke in
Marburg moet hier genoemd worden) en deze zelfs gemeengoed beginnen te
worden in de atlasondernemingen, wordt de dialektometrie een vruchtbare tak
aan de dialektologische boom, zoals in de dialektologenconferentie van deze
zomer in Bamberg bleek.
Het is niet toevallig dat juist taalatlasauteurs aan de basis staan van deze
methode, die ontworpen is om door de bomen het bos te kunnen blijven
zien2. Met de woorden van Séguy zelf3: ‘L'idée fixe qui me hantait depuis
trente ans est réalisée: à partir de 47 miliard de chiures de mouches
scrupuleusement intégrées, arriver, par une série d'abstractions à la fois
mathématiques et réalistes, à faire tenir le gascon dans une formule ou un
schéma’. Dat lijkt een aanlokkelijk perspectief: ‘arriver à faire tenir le
limbourgeois’.
Ik heb vanmiddag bij lange niet de pretentie ‘het Limburgs innerlijke
samenhang en afgrenzing naar buiten toe te verschaffen’ (zo zou ik dat
‘faire tenir’ vertalen) door middel van dialektometrische analysen. Het
tweede deel van de titel van deze voordracht bevat dan ook niet meer dan | | | | de bescheiden term ‘verkenning’. Ik zal de methode kort
toelichten en een stukje ervan toepassen op de relatie tussen Lommel en
enkele peilpunten in Limburg.
Goebl heeft, met een keur van theoretische overwegingen die ik hier niet zal
herhalen, matrices opgesteld voor twee onderzoeksgebieden, Noord-Italie (uit
de AIS) en Normandië (uit de ALF), daaruit gelijksoortigheidsschalen
afgeleid voor de onderzoekspunten en deze klassifikatie weer in kaart
gebracht. Omdat de dialektometrie tenminste de schijn tegen zich heeft de
resultaten achter dikke wiskundige formules te manipuleren, zal ik hier, om
de betrouwbaarheid van de conclusies te vergroten, stilstaan bij de
gebruikte methode. Alle berekeningen worden afgeleid van een matrix. Zo'n
matrix bestaat uit twee assen; de x-as bevat de meetpunten van de atlas (het
net van onderzoeksplaatsen); de y-as een beargumenteerde keuze uit de
kaarten: het gefilterde materiaal.
De eerste operatie voor de opbouw van de matrix bestaat erin het ruwe
taalatlasmateriaal (het taxandum in de terminologie van de
dialektometrist) geschikt te maken om in de matrix onder te brengen: de taxanda moeten tot taxaten worden
gereduceerd. Dat lijkt -en ìs ook wanneer men van een taalatlas waarin de
dialektvarianten diplomatisch zijn opgetekend vertrekt- een hele operatie,
die goed en objectiveerbaar moet worden beschreven om de resulaten
geloofwaardigheid te verschaffen. Die operatie is echter voor redacteuren èn
lezers van het WLD een vertrouwde zaak. Daar immers zijn
de duizenden varianten (de chiures de mouche, de
‘vliegepoepjes’ van Séguy) al ondergebracht in woordtypen, rite
et more etymologicorum, dat wil zeggen dat die woordtypen de
wezenlijke eigenschappen van een groep varianten, gelijkaardige vormen,
samenvatten4. Ik mag op deze plaats voorbijgaan aan de overigens
interessante discussie over deze similariteitskwestie en over het gewicht
dat aan de verschillende soorten onderscheidingen (fonetisch-fonologisch,
morfologisch, etymologisch en ook syntactisch) toegekend moet worden.
Opgemerkt moet wel worden dat in de woordtypen van het WLD
niet alleen etymologisch onderscheid, maar ook, en zeer vaak, morfologisch
onderscheid, afleidingen en woordvorming, aan de oppervlakte worden
gebracht. Goebl's taxaten zijn onze woordtypen en we zijn derhalve
gerechtigd in ons geval een belangrijke stap in de dialektometrische
procedures -Goebl zelf noemt het de lastigste- over te slaan.
Als materiaalbasis heb ik, zoals gezegd, de aflevering over de weidebouw van
het WLD genomen. Het is een afgerond maar willekeurig deel
van het lexikon en vanzelfsprekend niet representatief voor de gehele
(‘algemene’) woordenschat. Op de beperkingen die deze keuze met zich
meebrengt kom ik in de conclusies nog terug. Beide provincies Limburg zijn
in het materiaal ongeveer gelijkelijk vertegenwoordigd. De aflevering | | | | bestaat uit 125 lemma's, kernbegrippen, waarvoor benamingen
afkomstig uit de 556 plaatsen van het onderzoeksgebied zijn opgetekend.
Idealiter zouden voor elk begrip 556 opgaven moeten staan, maar dat ideaal
wordt niet gehaald. Lang niet altijd is er materiaal voor àlle plaatsen
voorhanden en van de andere kant is er vaak meer dan één variant of ook meer
dan één woordtype voor een onderzoeksplaats, afhankelijk van de intensiteit
waarmee de plaats onderzocht is, of, nog beter, van de talige werkelijkheid
in die plaats.
Varianten heb ik niet geteld; het moeten er enkele tienduizenden zijn5. Het totaal aantal
woordtypen of taxaten is uit het register op de woordtypen af te leiden; het
zijn er 2709. Zodoende heeft de maximale matrix een x-as met de 556
onderzoekspunten, een y-as met de 125 lemma's en ze is gevuld met de 2709
taxaten (hier aangegeven met a -- z), schematisch gezien op de volgende
manier:
(figuur 1)
De minst complexe afgeleide van deze matrix -en ik zal me daartoe
beperken6- is de analyse op gelijksoortigheid (‘Ähnlichkeit’,
‘similitude’): voor twee plaatsen van het net is af te lezen in hoeveel
procent van de gevallen de opgaven aan elkaar gelijk (lees: gelijksoortig,
we hebben immers de taxanda tot taxaten teruggebracht) zijn. Goebl spreekt
niet van | | | | | | | | gelijk of ongelijk, maar, voorzichtigheidshalve van
respektievelijk ‘Koïdentität’ en van ‘Kodifferenz’. In de schematische
voorstelling van figuur 1 kunnen we die operatie inzichtelijk maken door de
matrix te beperken tot de linkerbenedenhoek. Voor de eerste vier gevallen in
de y-as is plaats K 278 voor 75% gelijksoortig aan plaats K 278a (drie van
de vier gevallen); voor 50% gelijksoortig aan plaats K 314 (twee van de vier
gevallen en voor 33% gelijksoortig aan plaats K 314a (X staat voor een
nul-opgave, dus voor twee van de drie gevallen). Hoe groter het aantal
gevallen dat men in de vergelijking betrekt, m.a.w. hoe groter het aantal
gegevens in de y-as, des te groter zal ook de statistische
waarschijnlijkheid van de resultaten zijn.
Het moge duidelijk zijn dat een dergelijke matrix, zelfs voor een
betrekkelijke kleine aflevering van het WLD als die van de
weidebouw, niet meer met de hand te besturen valt. Daarvoor is zwaarder
materieel, een computer, nodig. Ik heb die hele matrix niet aangemaakt -want
het invoeren alleen al is een zeer tijdrovend karwei- maar ik heb voor een
kleine uitsnede ervan de computer wel kunnen gebruiken, zodat men niet
bevreesd behoeft te zijn voor al te veel menselijke rekenfouten. Ook al om
te bezien of het de moeite zou lonen voor het gebied van het WLD een dergelijke operatie eens helemaal door te rekenen, heb ik
die grote matrix tot de volgende kleine teruggebracht.
Van de 556 punten van de x-as heb ik er 13 uitgekozen (nog net in de grote
menigte plaatscodes in een lemma van het woordenboek te memoriseren) en wel
Lommel (K 278) en 12 andere meetpunten die ik
heb uitgezet op 4 lijnen7. Bij de keuze
van deze 12 plaatsen heb ik op de eerste plaats rekening gehouden met de
klanklijnen en de indeling van het Limburgs zoals Goossens die had opgesteld, en daarbij met de hoeveelheid
informatie die er uit die plaats voorhanden is; het had weinig zin een op de
kaart wel fraaigelegen plaast te kiezen, als er weinig of geen beantwoorde
vragenlijsten uit afkomstig zijn. Vandaar dat ik soms (dit geval deed zich
met name voor bij Venlo, Beek en Heerlen) naar een buurplaats heb
moeten uitwijken, die dan steeds aan dezelfde condities als de eigenlijke
plaats moest voldoen. Die grondkaart ziet er als volgt uit. (kaart 3)
Lijn 1, Lommel - Beringen - Borgloon, doorsnijdt niet de grote
noordzuid-lopende isoglossen, maar loopt van Brabants (Lommel), via het
Zuidbrabants-Westlimburgse overgangsgebied (Beringen) naar het Haspengouws-Westlimburgs (Borgloon).
Lijn 2 doorkruist het Limburgs van noordwest tot zuidoost: Lommel - Peer - Opglabeek - Beek - Heerlen - Kerkrade en doorsnijdt alle belangrijke isoglossen:
de Uerdinger lijn, de Panninger zijlijn, de Pan- | | | | ninger lijn, de
lijk/lich-lijn en de Benrather lijn. De lijn loopt zodoende van Brabants,
via Westlimburgs, Centraallimburgs, Oostlimburgs en het
Oostlimburgs-Ripuarisch overgangsgebied tot in het Ripuarisch.
Lijn 3: Lommel - Neerpelt - Bree - Roermond, kruist eerst de Uerdinger
lijn en gaat het Westlimburgs in; dan de Panninger zijlijn en gaat het
Centraallimburgs in en tenslotte de Panninger lijn tot in het Oostlimburgs.
Lijn 4 tenslotte blijft boven de Uerdinger lijn: Lommel - Meyel - Venlo (of een andere plaats uit het mich-kwartier).
Hiermee is de x-as gevuld.
Ook voor de y-as zijn enkele reducties in de ideale matrix aan te brengen.
Van de 125 lemma's moeten de drie die als klankkaart zijn opgenomen
weggestreept worden, want die leveren geen vergelijkbare woordtypen op; twee
andere vallen door hun bijzondere aard weg (oude
grassoorten is een verzamellemma en geen begrip, en gras
zaaien is een tussenlemma, dat alleen als titel is opgenomen) en
verder vallen nog 24 lemma's af waarvoor in Lommel geen materiaal is
opgegeven; het zijn ten dele zeer kleine lemma's (zoals graspol, wis gras om de strekel te zavelen of vloeistof in de slijpbus) ofwel gaat het om begrippen,
instrumenten of gebruiken die in Lommel onbekend zijn (zoals strooien band om een bussel hooi, vregelstok, vregelpaal, e.d).
(figuur 2)
| | | |
De y-as van de matrix bestaat nu uit 96 (125 minus 29) eenheden. Voordat we
gaan rekenen moeten er nog twee wijzigingen in deze y-as worden aangebracht:
die voor de dubbele opgaven in Lommel en die voor de unica.
Voor de dubbelopgaven kan een nieuwe vergelijkingslijn worden ingevoerd onder
de noemer van het lemma. Omdat Lommel spiegelpunt is, uitgangspunt voor alle
komende vergelijkingen met andere punten, kunnen de in Lommel gegeven
woordtypen de lemmatitels op de y-as vervangen en daar worden aangegeven met
een +. Daarmee verdwijnen tegelijkertijd de verder onnodige 0-opgaven van
Lommel uit de matrix. In de 96 overgebleven lemma's komt Lommel met 122
opgaven voor; deze 122 plussen vormen nu de y-as. Waar voor de 12 andere
plaatsen hetzelfde woordtype voorkomt als in Lommel, krijgen deze ook een +
in de matrix. En daarmee is het korpus voor onze verdere beschouwingen
gereed. Zie voor een schematische weergave figuur 2.
Van die 122 opgaven in Lommel zijn er 22 unica (zoals in figuur 2 de lijn x);
18% van het korpus komt alleen in Lommel voor en nergens anders in de
matrix, en dat is de eerste beduidende afleiding die we maken: in 18% van de
onderzochte gevallen keert Lommel zich volledig van Limburg af.
Aan het andere uiterste staat een horizontale lijn met alleen plussen (zoals
in figuur 2 de lijn y); het woordtype in Lommel komt in àlle andere 12
peilpunten ook voor (terwijl er toch lexikale variatie is in de plaatsen
buiten onze matrix; we hadden immers de klankkaarten al afgezonderd): dit
komt 6 maal voor, d.w.z. in 5% van de gevallen.
We zonderen nu ook de 22 unica van de matrix af, en zullen ons verder
beperken tot de lijnen met lexikale variatie waarin Lommel meedoet. We
houden dan precies 100 opgaven over en kunnen nu gaan zien hoeveel van deze
gemakkelijk te verwerken 100 (het absolute aantal is tevens het percentage)
er in de 12 andere plaatsen van het meetpuntennet overblijven.
Die lijst ziet er als volgt uit: zie figuur 3 en de grafieken in de figuren 4
en 5.
Achter de percentages coïdentiteit in figuur 3 staat de onderlinge rangorde
van de 12 plaatsen; in de twee laatste kolommen heb ik de afstand in
kilometers tot Lommel en eveneens hiervan de rangorde van de 12 plaatsen
opgenomen.
In de onderste regel van figuur 5 is het aantal hoofdklanklijnen aangegeven
dat men overschrijdt als men van Lommel komt.
| | | |
|
|
% coïdentiteit K278 |
rangorde |
afstand km K278 |
rangorde |
| lijn 1: |
|
|
|
|
|
| K 358 |
Beringen |
65 |
1 |
21 |
3 |
| Q 156 |
Borgloon |
38 |
10 |
47 |
8 |
| lijn 2: |
|
|
|
|
|
| L 355 |
Peer |
57 |
4 |
15 |
2 |
| L 416 |
Opglabeek |
54 |
5 |
28 |
5 |
| Q 19 |
Beek |
43 |
8 |
47 |
7 |
| Q 113 |
Heerlen |
34 |
11 |
61 |
1 |
| Q 121 |
Kerkrade |
29 |
12 |
67 |
12 |
| lijn 3: |
|
|
|
|
|
| L 312 |
Neerpelt |
63 |
2 |
9 |
1 |
| L 360 |
Bree |
63 |
3 |
23 |
4 |
| L 329 |
Roermond |
45 |
6 |
48 |
9 |
| lijn 4: |
|
|
|
|
|
| L 265 |
Meyel |
44 |
7 |
42 |
6 |
| L 271 |
Venlo |
42 |
9 |
62 |
11 |
(figuur 3)
(figuur 4: staafdiagram van de vier
‘lijnen’)
| | | |
(figuur 5: grafiek naar de rangordening van de 12
plaatsen)
Enkele zaken springen in het oog:
| 1. | Binnen de vier lijnen correleert de geografische afstand met wat ik
voor het gemak de linguïstische afstand zal noemen: hoe dichter bij
Lommel, hoe hoger het percentage coïdentieit; het leek voor de hand te
liggen, en het komt uit. |
| 2. | In lijn 1 valt de vooral de grote sprong op tussen enerzijds Beringen, dat het dichtst bij Lommel aansluit met 65% coïdenteit en anderzijds de lage
positie van Borgloon (Q 156), op de 10de
plaats: niet alleen op grote afstand van de lijngenoot Beringen, maar
ook van de andere Westlimburgse plaatsen Neerpelt en Peer. In de matrix staat
het verder van Lommel verwijderd dan Venlo en
Beek en laat het alleen Heerlen en Kerkrade achter zich.
Zie ook de onderste lijn in figuur 5. De absolute afstand (47 km, de
8ste in rangorde) kan ermee te maken hebben. Waarschijnlijker is echter
dat zich hier het speciale karakter van de materiaalbasis openbaart: het
materiaal is immers afkomstig van de aflevering over de weidebouw van
het WLD. Borgloon ligt, overi- |
| | | | | | | |
| gens evenals Heerlen en Kerkrade in het löss-gebied; de weidebouw
heeft er een andere functie en plaats in de landbouw dan in het zandof
kleigebied, en daarmede ook de weidebouwterminologie. In elk geval is
er, gezien vanuit Lommel, in het Westlimburgs iets aan de hand in onze
matrix: de afstand tussen Borgloon en de beide noordelijke Westlimburgse
punten Peer en Neerpelt is opvallend groot. |
| 3. | In lijn 2 verloopt de grafiek het geleidelijkst. Aan de oostelijke
kant scoren Heerlen en Kerkrade het laagst, en dat was te verwachten;
daarbij liggen de scores van de Beek, Roermond,
Meyel en Venlo opvallend dicht bij elkaar
op respectievelijk 43, 45, 44 en 42%. In de aan Lommel tegenovergestelde
hoek van het Limburgs is er regelmaat. |
| 4. | Opvallend is ook, in lijn 3, dat niet alleen Neerpelt maar ook Bree, dat toch in het Centraallimburgse gebied
ligt, dichter bij Lommel staan dan Peer. Neerpelt en Bree scoren niet
alleen gelijk, maar ook hoog. |
| 5. | In vergelijking daarmee is de coïdentiteit van Meyel en Venlo laag, in
elk geval lager dan men op grond van de gemeenschappelijke plaatsing
buiten de grote klanklijnen zou verwachten. |
Wanneer we de gelijksoortigheidsmaat in stappen van 10%8 ten opzichte van Lommel in
een kaart (zie kaart 4) zouden uitzetten, dan liggen de grootste afstanden
eerst in het uiterste zuidoosten èn in het zuidelijk gebied (de driekwart
gevulde punten), daarna in het oosten (rechtsgevuld); de kleinste in het
Brabants overgangsgebied en de noordelijke Kempen (voor een kwart gevuld),
terwijl Peer en Opglabeek in de centrale Kempen een
overgangszone vormen (diagonaal gevuld).
In grote lijnen spreekt deze kaart de klassieke indelingskaart met de
uitwaaieringen vanuit het Ripuarisch niet tegen, zeker niet als we lijn 2,
de grote diagonaal, volgen. De opvallendste afwijkingen liggen in het zuiden
en zuidwesten (de positie van Borgloon), waarover we al iets opmerkten in
verband met de representativiteit van de materiaalbasis, en in de
noordwestelijke Kempen.
Het sprekendst van deze vergelijkingen lijkt wel enerzijds het aantal unica
in Lommel, en anderzijds de verhouding van Lommel tot de noordwesthoek van
het Limburgs: Neerpelt, Bree, Peer en Beringen. De vraag rijst of deze twee
constateringen iets met elkaar gemeen hebben. Wanneer we bezien of Lommel
samen met één of enkele van de noordwestelijke plaatsen zich afzet tegen de
overige meetpunten in Limburg, dan blijkt dat in lijn 1:
| - | Lommel en Beringen, met uitsluiting van alle andere plaatsen: 2 ×; |
| - | Lommel en Beringen en Borgloon (idem): 1 × |
voorkomt. In het centrum, lijn 2 en 3, komen
| - | Lommel en Peer, weer met uitsluiting van alle andere plaatsen: 0 ×; |
| - | Lommel, Neerpelt en Peer (idem): 3 ×; |
| - | Lommel, Neerpelt, Peer en Beringen (idem): 3 × |
| | | |
voor, maar:
| - | Lommel en Neerpelt (alleen): 0 ×; |
| - | en Lommel en Neerpelt, met de verder noordelijke punten: 3 ×. |
We mogen hieruit afleiden dat de betrekkelijke grote exclusiviteit van
Lommel niet wordt voortgezet door Lommel met omliggende punten te verbinden.
Hetzelfde verschijnsel zien we ten noorden van de Uerdinger lijn:
| - | Lommel en Meyel, met uitsluiting van de andere meetpunten: 1 ×; |
| - | Lommel en Meyel en Venlo: 1 ×. |
Zonder Lommel nu helemaal ‘buiten de Limburgse prijzen te laten vallen’,
zoals in de klankkaarten gebeurde op grond van fonetisch-fonologische
criteria, is toch ook op grond van de lexikale criteria de afstand groot en
de grens tussen Lommel en de overige plaatsen zwaarwegend. De sprong Lommel
- Beringen (35 punten verschil) is maar één puntje kleiner dan de sprong
Beringen - Kerkrade (36 punten).
Toen Remacle (1975/76) halverwege zijn dialektometrisch avontuur was met het
materiaal van de Waalse taalatlas, schreef hij de indruk te hebben met een
aantrekkelijk, ja aanlokkelijk projet bezig te zijn. Hij was ook op zoek
naar dialektgrenzen; dàt deze bestaan was voor hem evident, maar de
problemen beginnen als men de eerste lijn op papier zet. Hij had eerst het
werk van een Amerikaan, Atwood, die alle fonetische opposities uit de eerste
100 kaarten van de ALW met de hand had geteld en in kaart
gebracht9, nagerekend, maar dan volgens de werkwijze van Séguy et
Guiter. Remacles bevindingen op grond van de lexikale verhoudingen in
eveneens 100 kaarten van de ALW kloppen dan verrassend met
Atwoods bevindingen, zo verrassend en ‘aanlokkelijk’, dat hij allerlei
verfijningen gaat aanbrengen en verder gaat afleiden. Op dat punt bevind ik
mij nu ook.
De paralellie èn de afwijkingen die deze enkele berekeningen laten zien ten
opzichte van de bekende indelingskaarten, verleiden tot verder onderzoek,
tot het uitbreiden van de x-as met veel meer dan de 13 plaatsen, misschien
zelfs wel alle 556; tot het beredeneerd kiezen van de hier willekeurige
y-as, door een evenwichtigere en representatievere materiaalbasis te nemen
waarin de algemene woordenschat goed is vertegenwoordigd; tot het betrekken
van de 0-opgaven om het verschil tussen taalatlas en woordenboek beter recht
te doen. Ze verleiden ertoe niet alleen Lommel, of Meyel, aan de zijlijnen
van het Limburgs, tot spiegelpunt van vergelijking te maken, maar ook andere
plaatsen, het mich-kwartier, een Ripuarische plaats, een Haspengouwse
kluster, of Bree in het centrum, en dat alles ‘pour mieux faire tenir le
limbourgeois’...
| |
| | | |
Bibliografie:
| Cajot, J. (1989), Neue Sprachschranken im ‘Land ohne
Grenzen’? [Rheinisches Archiv 121: I, II], Köln/Wien. |
| Daan, Jo en D.P. Blok (1969), Van randstad tot landrand.
Toelichting bij de kaart: Dialecten en Naamkunde [BMDC 39],
Amsterdam. |
| Goebl, H. (1984), Dialektometrische Studien
[Beihefte ZRPh 191: I, II, III], Tübingen. |
| Goossens, J. (1970), De indeling van de Nederlandse Dialecten, in: Driemaandelijke Bladen 22, 56-73. |
| Goossens, J. (1977), Inleiding tot de Nederlandse
Dialectologie, 2de druk, Groningen. |
| Hagen, A. (1984), Het eerste taalgrensdebat en de ontmoediging der
dialectologen, in: Grenzen en Grensproblemen
[Nedersaksische Studies 7], Groningen, 21-29. |
| Jaberg, K. (1908), Sprachgeographie, Beitrag zum
Verständnis des Atlas linguistique de la France, Aarau. |
| Jaberg, K. (1947), Géographie linguistique et expressivisme
phonétique. Les noms de la balançoire en portugais, in: Revista portuguesa de filologia, 1, 1-44. |
| Kremer, L. (1979), Grenzmundarten und Mundartgrenzen.
Untersuchungen zur wortgeographischen Funktion der Staatsgrenze im
ostniederländisch-westfälischen Grenzgebiet [Niederdeutsche
Studien 28], Köln/Wien. |
| Leenen, J. (1947), Limburgse klankgrenzen, in: J. Leenen e.a., Limburgse dialectgrenzen [BMDC 9], Amsterdam, 1-13
(met krt). |
| Malkiel, Y. (1967), Each word has a history on its own, in Glossa, A Journal of Linguistics 1:2, 137-149. |
| Notten, J.G.M. (1988), De Chinezen van Nederland,
2de druk, Valkenburg. |
| Remacle, L. (1975/76), La différenciation lexicale en Belgique romane,
in: Les Dialectes de Wallonie 4, 5-32. |
| Roukens, Win. (1937), Wort- und Sachgeographie
Südostniederlands und der umliegende Gebiete, Nijmegen. |
| Roukens, W. (1947), Dialectbegrenzing in Limburg, vooral met
betrekking tot lexicologische en syntactische isoglossen, in: J. Leenen
e.a., Limburgse dialectgrenzen [BMDC 9], Amsterdam,
31-47 (met krtn). |
| Séguy, J. (1973a), La dialectométrie dans l'Atlas linguistique de la
Gascogne, in: Revue de Linguistique Romane 35, 1-24. |
| Séguy, J. (1973b), Atlas linguistique et ethnographique
de la Gascogne (ALG), Vol V, VI: 1, 2, Paris. |
| Weinreich, U. (1953), Languages in contact. Findings and
Problems, New York. |
| WLD: Woordenboek van de Limburgse Dialecten, Assen
1983--; hier: |
| | | |
| A. Weijnen, J. Goossens en P. Goossens
(1983), Inleiding; en: J. Kruijsen en J. Goossens (te
verschijnen), Aflevering I.1.3, Weidebouw. |
|
*Na de voordacht ontspon zich een levendige
gedachtenwisseling met enkele deelnemers van het congres. Ik heb enige
zeer nuttige aanvullingen en verduidelijkingen die daarin naar voren
kwamen in de hier voorliggende tekst verwerkt en dank dan ook de leden
M. de Bruijn, J. Cajot, D. Janssen, J. Goossens en A. Stevens voor hun
inbreng in de discussie.
1Zie Geert van Istendael, Het Belgisch labyrint.
De schoonheid der wanstaltigheid, Amsterdam 1989, 151.
2Volgens Yakov Malkiel zijn het zelfs méér
dan alleen de bomen die het ‘zicht’ (vgl. Gr. theoria)
op het bos beperken: ‘As regards the luxuriance of data, dialectologists
and lexicologists are notoriously weak in practicing selectivity. Why
should they? Their approach, by defenition, stresses diversity, what an
inspired Sapir once called pointillisme. This kind of
infatuation with the inexhaustible stock of local idiosyncrasis makes it
difficult for them to recognize the forest, since they are inthralled by
the trees, in fact by the leaves, the branches, the twigs, the roots and
rootlets, the petals, and the pollens.’ (citaat in Goebl, 1984, 15 en
17).
3geciteerd door X. Ravier (1976), J. Séguy et la traversée du langage
gascon. Réfelexions sur la typogénèse géolinguistique, in: RLiR 40, 389-402.
4Vgl. Jaberg (1947, 6): Le mot-type
(...) résume les caractères essentiels d'un faisceau de formes
similaires’.
5Voor de betrokken WLD aflevering I.1.3 zijn tussen de
70.000 en 80.000 materiaalfiches verwerkt.
6Goebl (1984) verfijnt de
gelijksoortigheidsschalen verder en komt via driehoeksmeting
(Triangulierung, p.91) en intervalalgoritmen (p.93) om gemiddelde
waarden vast te stellen, tot ‘chloropletenkaarten’ in Deel III van zijn
handboek.
7Ook Remacle (1975/76, 24-25)
heeft in zijn dialektometrische studie met materiaal van de Waalse
taalatlas (ALW) met dergelijke ‘lijnen’ gewerkt die
dwars door het onderzoeksgebied lopen en die voor hem als een controle
dienden voor de afleidingen uit de gehele matrix.
8Deze wiskundige maat lijkt het objectiefst, maar men kan
zich ook andere stappen voorstellen.
9E. Bagby Atwood (1955), The Phonological
Divisions of Belgo-Romance, in: Orbis 4,
367-389.
|
|