De mij toegankelike spraakkunsten behandelen de vorm van de verkleinwoorden slechts terloops; in elk geval worden de moeilikheden van dit onderwerp voorzover ik weet nooit gekonstateerd, laat staan opgelost. Ofschoon ik het laatste ook niet volledig kan, wil ik toch pogen een bijdrage tot oplossing te geven, na eerst de problemen gesteld te hebben.
Men kan zeggen dat de gewone verkleiningsuitgangen in het Nederlands van de beschaafden1) zijn -je, -tje, en -etje. Men gebruikt -etje:
als een woord (zelfstandig of bijvoeglik naamwoord) uitgaat op een gedekte klinker + vloeiende medeklinker: balletje, belletje; dolletjes.
Men gebruikt -tje als een woord uitgaat:
| 1o. op klinker of tweeklank: paatje, nieuwtje, eitje. |
| 2o. op vrije klinker + vloeiende medeklinker: boontje, kooltje, eiertjes. |
Maar: boompje, bloempje, enz.
Men gebruikt -je:
als een woord uitgaat op een gesloten of open medeklinker (met of zonder klinkerwisseling): slaapje, bakje, hapje, scheepje; dagje, daagje; neefje; gezelligjes.
Bij dit laatste is op te merken dat s + je wordt tot (šə), en dat in woorden op (t) en (-nt) de t en nt eveneens gepalataliseerd worden: katje, mandje. Ook de klinker wordt dan min of meer gewijzigd.
De vragen die zich nu voordoen zijn o. a. deze:
| 1. Waarom hebben we de uitgang -etje als een woord uitgaat op vloeiende medeklinker voorafgegaan door gedekte klinker, daarentegen -tje als de vloeiende medeklinker wordt voorafgegaan door een vrije klinker? Dus pannetje, maar baantje. |
| 2. Waarom verandert de gedekte klinker vóór -je soms wel, soms niet in een vrije klinker? Dus bakje, maar scheepje; en beide: dagje en daagje. Of ook: waarom wordt het verkleinwoord soms gevormd van de stam van het enkelvoud (stadje), soms van de stam van het meervoud (scheepje), soms van de beide (dagje, daagje; ook eitje, eiertjes)? |
| 3. Waarom wordt de uitgang -(e)tje gebruikt na klinkers en vloeiende medeklinkers, -je na andere medeklinkers? |
| 4. Waarom, blijft de gesloten of open medeklinker vóór de uitgang -je altijd geademd, terwijl zo'n medeklinker in andere, schijnbaar volkomen parallelle, gevallen stemhebbend is? Dus snuifje met f, maar waarom snuif je met v? |
Op de laatste twee vragen wil ik proberen enig antwoord te geven; ze staan in nauw verband met elkaar.
Als we zeggen dat het verkleinwoord van huis gevormd wordt door -je, zeggen we dat onder invloed van de spelling. In werkelikheid wordt de eindmedeklinker van huis vervangen door (šə). De oorzaak van die verandering kan nu evengoed -tje zijn. Zo is immers ook (šə) te horen in de verkleinwoorden van woorden op -st: puistje, vestje, kastje, enz.
Zo gaat het ook bij de andere woorden die men zegt dat de uitgang -je hebben. Al was de uitgang -tje het resultaat zou bij de verkleinwoorden van slaap, bak, hap, schip, dag, neef, enz. toch hetzelfde zijn; ook bij boompje, enz. Immers de t zou tussen de open of gesloten medeklinker (en m) en de j niet gehoord worden.
Dus kan men evengoed zeggen dat in huisje, bakje enz. de uitgang -tje is? Neen, niet evengoed, maar met meer recht. Want als we aannemen dat de uitgang -tje is dan is duidelik waarom de eindmedeklinker in woorden als snuifje, boefje geademd blijft, terwijl in waarom snuif je, geloof je iedereen wel een v zal zeggen.
De uitgangen van de verkleinwoorden zijn dus slechts tweeërlei: tje of etje. De verklaring van het gebruik van -etje en de antwoorden op de eerste twee bovengestelde vragen zijn mij onbekend.
E. Kruisinga.