terug  begin  verderprepost

Mejufvrouw J.K. 's Gravenhage.
Ginneken 28 November 59.

.........................

Hartelijk dank voor uw vriendelijk aanbod, van ons met uwe hulp te willen bijstaan. Wij vinden het allerliefst van u allen dat gij aan ons gedacht hebt, maar wij zijn tegenwoordig zoo ruim van alles voorzien, dat ons niets meer te wenschen overschiet, wat met mogelijkheid door menschen zou kunnen gegeven worden. Mama is gedurende den laatsten tijd bijzonder schielijk verergerd. De pijnen zijn veel minder hevig, maar de krachten nemen bij het oogenblik af en de koorts is aanhoudend. Door het gebruik van verdoovende middelen is Mama meestal dommelig, terwijl de nachtrust ongestoord is. Mama weet zeer goed dat zij niet lang meer leven kan, en, daar zij hare positie door en door kent, zoo spreekt zij met de meeste kalmte over den dood, dien zij met de grootste onderworpenheid en gelatenheid afwacht en waarnaar zij nu zelfs begint te verlangen. De Pleegzuster1 is onverbeterlijk, zoowel in den huiselijken kring, als op de ziekenkamer. Zij ziet nergens tegen op, helpt Mama zoo als eene Pleegzuster alleen maar helpen kan, en heeft een bestendig, tevreden en opgeruimd humeur, waarin zij Mama ongemerkt laat deelen. Het verbinden gaat nu ook veel beter dan toen wij dit moesten doen.2

.........................

Reeds verscheidene malen is de zuster, na het verbinden, naar eene van onze kamers geloopen om zoo mogelijk, door hare oogen op iets anders te vestigen, de opene wond uit hare gedachten te verdrijven. Verleden vonden wij haar in den tuin staan, waar zij tegen de schutting leunde om zich staande te houden, en toen vertelde zij ons dat zij reeds eens op het portaal boven geheel buiten kennis geweest was, alleen door het zien van de wond. Alle gevoel nu daargelaten, maar hoe zouden wij het in deze omstandigheden gemaakt hebben zonder haar, en hoe zouden wij ons gehouden hebben, wanneer eene pleeg-

[p. 21]

zuster, die zoo aan ellende gewoon is, van akeligheid reeds flaauw valt?

.........................

Ik beken ronduit dat ik van dat soi-disant spiritisme niets begrijp, dan dat het eene duistere boel is, en niets geloof dan dat er iets bestaat en dat dat iets niet unique is, maar confrères of handlangers moet hebben, daar er te veel tegenstrijdigs in is om één te kunnen wezen. Daarom houd ik het niet voor één geest, terwijl ook het idée van geesten van afgestorvenen geheel bij mij heeft afgedaan. Zou het niet mogelijk zijn dat wij door wezens omringd zijn, die, zonder nu juist afgestorvene menschen te wezen, toch tot het rijk der geesten behoorden? Kunnen er geene wezens bestaan, die, hoewel onligchamelijk, toch geestelijke overeenkomst met ons, menschen, kunnen hebben? Moet juist de mensch unique zijn? Kan hij ook geene 's gelijken hebben? Kunnen er geene geesten of zielen, zoo als men ze noemen wil, bestaan, die aan de hunnen gelijk zijn, zonder juist aan een ligchaam, als het hunne, verbonden te wezen? - Ik weet het niet. En hoe meer ik er over nadenk, hoe verder mijne gedachten zich uitstrekken en hoe minder ik er van begrijp. Van den steen op de plant kunnen wij eenen overgang vinden, even als van de plant op het dier, en van het dier op den mensch. Allen zijn in soorten verdeeld, maar toch door de eene of andere schakel aan elkander verbonden; zóóveel kunnen wij ten minste in de voor ons zigtbare natuur opmerken, dat er geene gapingen of kloven zijn, en zou dan bij den mensch die keten verbroken worden? Zou er geene schakel kunnen wezen tusschen hem en hoogere wezens? En kan die schakel niet even goed geestelijk wezen, als die op aarde ligchamelijk zijn?

Enfin, ik weet er niets van. Ik zal maar basta zeggen, want daar eindig ik toch altijd weder mede.

.........................

30 November.

.........................

Het is opvallend zoo veel deelneming als wij bij deze gelegenheid van wildvreemde menschen ondervonden hebben. Menschen die wij ter naauwernood bij naam kenden, hebben ons met oud linnen en pluksel overladen, terwijl wij zelfs een paar maal goed gekregen hebben zonder te weten van wie. Gisteren of eergisteren nog kregen wij een mandje overheerlijke druiven van Mevrouw Z. eene dame hier in het Ginneken, die wij slechts eens ontmoet hadden.

.........................

 

Mina.

1Zuster Hengevelt, uit Amsterdam.
2Ik heb meer dan ééns, vooral mannen, hooren zeggen, ‘O die zusters geven om niets, al wat zij doen, doen zij voor haar eigen zaligheid, maar hart hebben zij eigenlijk niet.’ Ik heb nooit geloofd aan zelfopoffering zonder hart.
1877.

prepostterug  begin  verder