terug  begin  verderprepost

Mevrouw v.T.
Brussel, 15 Junij 1866.

Lieve beste Mevrouw!

Daar ben ik1 dan toch eindelijk! Ik ben opgeknapt, niet waar? En omdat ik nu zoo mooi ben, kom ik eens gaauw overvliegen om u en mijnheer v.T. van harte geluk te wenschen met uwen nieuwen kleinen engel, dien gij stellig reeds lief zult hebben met alle mogelijke hoop op eene gelukkige toekomst, welke, God geve het, voor het kleine aapje zoo schoon moge wezen als wij allen het hem en zijne goede ouders toewenschen.

‘En waarom heb je me dit niet reeds eerder geschreven?’ zult gij mogelijk zeggen. Omdat ik het weder druk gehad heb op alle mogelijke manieren. Eerst heeft mijne vriendin, mevr. C. hier eene week of wat gelogeerd, om een quartier naar haren zin te zoeken enz. enz. en daarna heeft zij mij mede gepakt naar Parijs, waar ik, dol prettig, drie weken bij haar heb doorgebragt. Lieve Mevrouw, wat is Parijs toch mooi! Ik ben er letterlijk van de eene extase in de andere gevallen over al de prachtige gebouwen, monumenten, schilderijen, enz. enz. enz. Verbeeld u dat wij woonden op de Champs Elysées, in een van die énorme huizen, waar ik nooit de daken van te zien kon krijgen, de pantoffel-parade vóór de deur, regts, op het einde

[p. 69]

der Champs Elysées, de Arc de Triomphe de l'Etoile, en links, aan het begin een groot plein met een prachtige colonne1 in het midden en twee fonteinen aan de kanten, waarop de tuinen van de Tuileriën volgden, alles even mooi! Enfin, ik zal maar uitscheiden over Parijs, anders lacht gij mij ook nog uit, even als de zusters doen, die mij den geheelen dag door aan het vertellen willen hebben, en, als ik een oogenblikje stil zit, zeggen: ‘Frik is weer naar Parijs gevlogen!’ Neen, één ding moet gij toch nog weten, namelijk dat wij bij Allan Cardec geweest zijn (de schrijver van al die spiritische werken) waar wij eene scéance spirite hebben bijgewoond en weder wonderen gezien hebben welke voldoende zouden geweest zijn om half Breda op de vlugt te jagen!

.........................

en mijn oud monstertje (portretje) aan de poes geven om mede te spelen, want nu ik zoo mooi geworden ben, wil ik niet meer weten dat ik vroeger zoo leelijk ben geweest. ‘Als niet komt tot iet, enz.’ zegt het spreekwoord, en het heeft er waarlijk veel van!

Zóó vier pagina's met een brommend naaimachine in den eenen hoek der kamer, en een paar pratende zusjes, eene naaister en eene meid om mij henen, ik dacht waarlijk niet dat ik het nog zoo ver gebragt zou hebben.

.........................

 

Mina Krüseman.

1Portretje.
1Al wat van steen was, en zoo alleen recht op stond in het midden van een plein, was, in dien tijd, een colonne voor mij, van obélisques wist ik niets af.
1877.
prepostterug  begin  verder