Gegriefde Mevrouw!
L'esprit du mal de la ville maudite heeft u waarschijnlijk den brief geinspireerd, welken ik u ten minste nooit geschreven zoude hebben, indien gij in mijne plaats geweest waart en ik in de uwe, daar de drie Bredasche woorden ‘op fatsoen trekken’, die slechts in de volksdictionnaire van het vulgaire Noord-Braband te huis behooren, nimmer een plaatsje hadden kunnen vinden, groot genoeg om er zich in te dringen, tusschen mij en eene beschaafde vrouw, met wie ik gewoon was vriendschappelijk om te gaan. Maar basta hierover. Gij weet beter dan elk ander dat ik niet gewoon ben mij zelve te verdedigen, dat doe ik bijna nooit, daar ik slechts zeer zelden iemand aantref, voor wien ik mij die moeite geven wil, de meeste menschen te ver beneden mij achtende, om ze rekenschap te willen geven van mijne handelingen, die ze voor mijn part kunnen opvatten en uitleggen, geheel zoo als hun dit het aangenaamst of het voordeeligst voorkomt. Dit hebt gij het best met *** kunnen zien, met wien ik malgré tout, zonder verwijten en zonder verantwoorden, even stilzwijgend gebroken heb, als met meer anderen, die mij minder schelen konden. De menschen denken dat hij die zwijgt ongelijk heeft; ik zal u bewijzen dat dit het geval niet altijd is. Ik, ten minste, kan mij doorgaans vrij pleiten van de croustilleuse crimes, waarvan ik verdacht word, doe ik het niet, dan wil ik het niet doen. Bij uitzondering dus, zal ik uwen brief van gisteren beantwoorden, hetgeen gij wel op prijs moogt stellen, daar het de eerste en de laatste maal zal wezen, dat ik mij de moeite geven zal, van zoovele oude papiertjes bij elkaar te zoeken om iemand te bewijzen dat hij ongelijk heeft. Ik haat elk hard woord, zwart op wit, ça sonne trop mal, en, om dus zoo min mogelijk dezen oorlog à deux te voeren, zal ik maar beginnen met u alleen aan het woord te laten. (Hier volgen eenige uitknipsels van haar eigen brieven.)
.........................
Zie zoo, nu heb ik u, geloof ik, op al wat u eenigszins intéresseren kan, tamelijk breedvoerig geantwoord, en blijft mij dus niets meer over te doen, dan u mijne excuses te maken over de massa satelliten van dit énorm épistel. Neem mij niet kwalijk dat ik u niet de geheele brieven zend. Wat deze stukjes betreft, je n'y tiens plus; de rest kan mij later mogelijk nog te pas komen, niet voor u of voor een ander, maar voor mijne eigene satisfactie.
Gij zult u mogelijk verwonderen over deze voorzichtigheid, welke gij van mij niet verwacht had, maar ik heb dit met de meeste oogenschijnlijk ligtzinnige menschen gemeen, dat men nooit op mijne sufheid rekenen moet, wanneer ik niet suf meer wezen wil, noch op mijne vergeetachtigheid of geringschatting van wat het ook zijn moge, wanneer die mij van den regten weg zouden kunnen afhelpen, daar ik in sommige gevallen eene mieren-volharding en een olyfanten-memorie heb.
.........................
Deze brief is een antwoord op den uwen, anders niet, het is de eenigste in dit genre dien gij ooit van mij ontvangen zult. Hebt gij dus mogelijk weer eens iets dat u hindert en mogt het u goed doen daarvoor den eersten den besten met een extrait de Breda te overgieten, ne vous gênez pas, na dit épistel stel ik mij geheel ter uwer dispositie, gij hebt zelfs geene repliques meer daarop te verwachten. Zoo gij mij voor iets anders noodig mogt hebben, zult gij nooit te vergeefs uwe toevlucht zoeken tot
Uwe oude Mina.
P.S. Indien gij dezen ooit aan iemand lezen laat, vergeet dan de satellietjes niet.