.........................
Ik heb mijn best gedaan om de schapen voort te helpen, en als zij, uit nijd over een japon of een lint niet geholpen willen worden, dan stap ik maar weer verder, altijd even kalm en koud, zonder met iets mijn hoofd te breken. Als ik naar Holland ga, lach ik reeds van te voren over al de boosaardige menschen welke ik weêr ontmoeten zal, en dan neem ik mij heel ernstig voor om nooit kwaad met kwaad te beantwoorden, maar eenvoudig op mij zelve te blijven, hoe geëntoureerd ik ook wezen mag, tenzij ik iets heel bijzonders ontmoeten mogt, zoo als men in ons arm landje echter al te zelden ontmoet. Zóó ben ik ook in Arnhem geweest. Ik was er slechts om door te trekken, voor weinige dagen, vreemd, zonder iets te verlangen van wie het ook zijn mogt, niets, dan hetgeen waarop ik regt had, een weinig beleefdheid, de koelste de meest geréserveerde zoude mij natuurlijk het aangenaamst geweest zijn. Van hier mijn oorlog met ***.
*** is een lange, magere, bleeke, bijna oude jonge heer, niet mooi, niet aardig, niet bevallig, en vooral niet beleefd, maar goedig en, naar ik veronderstel, zeer rijk, daar de geheele dameswereld, Mevr. X en dochter aan het hoofd, hem vreeselijk het hof maakte, en op alle wijzen aanhaalde. De groote wereldmagneet had echter in het geheel geen aantrekkingskracht voor mij, daar ik niets verlangde van den man zijn geld, en hem dus daarvoor hoegenaamd geene waarde toe kon kennen. Was
hij rijk, tant mieux pour lui; maar was hij gewoon om door de dames geïdolatreerd te worden; en verwachtte hij hetzelfde van mij, dan had hij het mis; tant pis pour lui! Reeds den dag mijner aankomst begon onze oorlog met allerhande kleine heerenzetten om opgemerkt te worden, die ik allen voorbij liet gaan, en faisant semblant van ze niet op te merken. Toen begon hij onbeleefd te worden. Ook al peine perdue, ik wilde geene onbeleefdheden zien; en daarna begon hij bij te krabbelen en mij complimenten te maken, die natuurlijk onbeantwoord bleven en geacceuilleerd werden als door eene doove, ofschoon zij mij zoo goed als in het oor gefluisterd werden. Toen begon men zich met de guerre sourde te bemoeijen, en kwam men mij van alle kanten vragen wat ik toch tegen mijnheer *** had?
‘Niets, ik ken hem volstrekt niet.’
‘Hè!’ en ‘O!’ - ‘Neen, dat moet u niet zeggen!’ - ‘Die lange heer, die altijd in uw buurt zit, en waartegen u nooit spreken wil!’
‘O, mijn antipathie! Neen, dien ken ik volstrekt niet.’
Van dat oogenblik af is hij door de kinderwereld ‘de antipathie van Jufje’ genoemd geworden. Toch kwam men mij nog vertellen dat hij zoo goed was.
‘'t Is wel mogelijk,’ antwoordde ik heel laconiek. En dat hij zoo gaarne met mij in kennis wilde komen.
‘Neen, daarvoor is het te laat. Mijnheer *** is voor mij een vreemdeling en zal zijn leven lang een vreemdeling voor mij blijven. Had hij kennis met mij willen maken, dan had hij, even als de andere heeren, zich terstond aan mij kunnen laten voorstellen, maar daarvoor is het nu te laat, daar het, dunkt mij, een beetje gek zou wezen om, na acht dagen zamen te zijn geweest, kennis te gaan maken op de treê van den trein die wegrijdt!’
.........................
Mina.