Mijn leven


auteur: Mina Kruseman


bron: Mina Krüseman, Mijn leven. J.P. Revers, Dordrecht 1877  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nieuwsblad van den Boekhandel. 16 Juni 1874.
Nadruk in Indië door Mr. C.P.K. Winckel.

De klachten in Nederland over de Indische pers zyn niet nieuw. - We zyn er aan gewoon geraakt dat men dáar den toon van onze pers onaangenaam vindt.

Zy is, wy weten het, de tolk eener verbitterde maatschappy. Vooral sedert de Indische journalisten een blik hebben geworpen op de toestanden in de Engelsche koloniën en daaruit vergelykingen hebben geput, die gansch niet in het voordeel van het Hollandsche stelsel uitvielen, vooral sedert dien tyd is het onderscheid van hun toon met dien der Hollandsche journalistiek zeer merkbaar. Deze gelooft nu eenmaal dat haar saai party-ge-

[p. 277]

kibbel zelfs voor Indië amusant is, en is ernstig overtuigd dat geen andere toon moet aangeslagen worden dan de hare. Ons Indische lieden laat dat party-gekibbel koel. Het is ons bekend, we hebben van de liberalen even weinig te wachten als van de vereenigde anti-liberalen. Het is een quaestie van geld, en daarin zyn alle Hollanders conservatief.

Of Indië conservatief wordt geëxploiteerd of liberaal, is de meesten onzer volkomen onverschillig. En, daar wij er niets aan doen kunnen, geven we ons gemoed lucht op eene wyze die de Hollanders onaangenaam stemt, die ons den vorm verwyten, om het debat te kunnen afbrengen van het wezen der zaak.

Het is de oude geschiedenis: het gevogelte werd geraadpleegd of men het zou stoven of braden, dan wel met een witte saus nuttigen. ‘We willen niet genuttigd worden’ was het antwoord;1 maar men repliceerde: ge gaat buiten de quaestie, ge zyt niet parlementair! -

Maar thans heeft een orgaan der Hollandsche pers, dat zich, (ten koste van de verdenking, door een catechiseermeester te worden geredigeerd) byzonder ten doel stelt, zedepreken ten beste te geven, en vooral de Indische pers de les te lezen, een andere grief geformuleerd.2

Ik bedoel het Nieuws van den Dag, dat thans beweert dat de Nederlandsche schryvers en drukkers hooge reden tot klagen hebben, daar men hunne werken op Java straffeloos nadrukt. -

Dat blad spreekt trouwens naar aanleiding van een opstel in het tydschrift van Neêrlandsch-Indië, van Dr. F.C.L. Wynmalen. Deze jeugdige geleerde, wiens stuk ik niet voor mij heb, breekt, zegt het N.v.d.D. een lans voor het goed recht der Nederlandsche schrijvers en uitgevers.

Het Hollandsche dagblad stelt zich dus op het standpunt dat de geldelyke belangen der Hollandsche schryvers en uitgevers door de Indische staatsmacht worden miskend. Het standpunt is bekrompen, maar we verwonderen ons daarover niet. Hoe kan men in Holland denken aan het belang der beschaving in het algemeen en van Indië in het byzonder: dat medebrengt dat er zoo veel mogelyk worde gedrukt en gelezen;3 dat tusschen de zucht naar kennis en de mogelykheid om daaraan te voldoen zoo min mogelyk geldbezwaren liggen?

Toch is het verwonderlyk dat de redactie der goedkoopste (en

[p. 278]

dus meest gelezene) courant in Holland zich niet over dien Indischen nadruk verheugt. Indien wy werkelyk zoo verre beneden de Nederlandsche pers staan in goeden toon en ware beschaving, dan moest het den heer de Veer lief zyn, dat wy ons haasten de producten van die pers onder de oogen te brengen van onze lezers. Hy behoorde daarin zelfs een bewys te zien, dat we geenszins verstokt zyn in onze boosheid.

Het standpunt van het N.v.d.D. is bekrompen. Maar het is ook der moeite waard, aan te toonen dat zyne beweringen ook onjuist zyn. Indië heeft zich over de heeren Nederlandsche uitgevers niet te beroemen. Zy exploiteren het waar zy kunnen.1

Boeken voor Indië bestemd zyn altyd veel duurder dan noodig. Reeds Lion heeft er op gewezen, hoe het een schandaal mocht heeten dat een abonnement op het tydschrift van en voor Neêrlandsch Indië, dat in Holland dertien gulden kost, in Indië er twintig moest bedragen. De Indische pers heeft, tegenover die zucht om van ons te halen wat er te halen is, volkomen gelyk, het beste uit dat tydschrift uit te zoeken en het gratis2 aan hare lezers voor te zetten. Een ander voorbeeld. De Nieuwe Rott. Courant houdt er een mail-editie op na, die den ongehoorden prys van veertig gulden 's jaars kost, terwyl die der Indépendance Belge, heel wat beter, slechts op ƒ19 komt te staan.3

De prys van ƒ0,80 per nummer is ongehoord, wanneer men bedenkt, dat de kosten eener mail-editie zeer luttel zyn. Men laat eenvoudig datgene, wat men er voor bestemt, niet uit elkander nemen. Wat de dagbladen duur maakt, het zetloon, behoeft men hier niet te betalen. De mail-editie der Nieuwe Rott. kon 15 gulden kosten en voordeel afwerpen, door met de Indische couranten te concureren. Thans is het eene dwaasheid er zich op te abonneren. Immers, men krygt hetzelfde in de achtereenvolgende nummers der zooveel goedkooper Indische couranten, met het Indische nieuws en advertenties op den koop toe. Er zyn dus maar weinig abonnenten.

Het komt my voor dat men veel te weinig nadrukt. De geschriften van Multatuli, ziedaar wat men van de andere zyde vooral kan aanvoeren.4 Met wetenschappelyke werken is het,

[p. 279]

geloof ik, nog niet gebeurd. De Hoogleeraar Opzoomer geniet voor zyne redevoeringen de eer1 geregeld te worden voorgesteld aan het Indisch publiek, dat dit genot het eerst aan den heer Huët te danken had. Maar veel verder gaat men niet. Zoo menig wetenschappelyk boek zou in Indië dienst bewyzen. Wanneer de Hoogleeraar de Bosch Kemper b.v. geen tweede druk van zyn meesterstuk wenscht te leveren, en het daarom het vyfdubbele van den oorspronkelyken prys kost, dan zou de Indische nadrukker door zyn bedryf een dienst bewyzen aan de wetenschap, en by den grooten omvang der bedoeling van het strafrecht in Indië is het zelfs de vraag of dergelyke nadruk niet plichtmatig is geworden.2

Er is geen wetgeving, die de ontwikkeling van den mensch meer belet, dan de dusgenaamde letterkundige eigendom. Nu heeft Indië in dit opzicht toevallig vryheid (zoolang het duurt). Nederland krygt zoo veel koffie, suiker en tin van ons, laat het dankbaar zyn als wy ons met de edele wraak vergenoegen, iets van zyne schryvers over te nemen om er gemeen goed van te maken. Laat men ons althans die vryheid gunnen.3

Nadeel hebben de Hollandsche schryvers er niet by, althans niet noemenswaard, al verbeelden ze het zich misschien. Behalve dat verscheidene Nederlandsche geleerden en geletterden Indische honoraria trekken, moet men niet vergeten dat al werden de redevoeringen van den hoogleeraar Opzoomer niet in de Indische couranten overgedrukt, er toch geen vijftig ex. in Indië van zouden verkocht worden, niet uit gemis aan belangstelling, maar omdat de boekhandel in Indië nog slechts in zyne kindsheid is.

Bovendien de rechtsgeleerde en staatswetenschap heeft zich reeds tegen de beperking der vryheid van nadruk verklaard.4

[p. 280]

Waarop is die beperking gegrond? Wanneer ik een belangwekkend onderhoud in de sociëteit hoor, mag ik het opschryven en in druk geven, maar is dit door den spreker reeds gedaan dan niet. Dat gesprek is dan een eigendom geworden, zoo redeneert een verouderde wetgeving,1 van hem die het heeft gehouden. Niets is minder waar.2 Wat de denkbeelden betreft3 ze zyn zoo goed als nooit nieuw.4 En ook wat den vorm aangaat, geen schryver is zoo oorspronkelyk, dat zyn geschrift niet als het gevolg zyner opvoeding kan beschouwd worden, en van de lezing zyner voorgangers.5 De taal die hy spreekt zelfs hebben zyne medeburgers hem geleerd.

Men ziet het, ik behoor tot hen die zich geen begrip kunnen vormen van letterkundigen eigendom. Wanneer ik een diamant bezit en gy, waarde lezer, dien van mij ten geschenke6 aanneemt, dan ben ik hem kwijt, maar wanneer gy my een meesterstuk van uw hand hebt voorgelezen, dan hebt gy het daarom nog niet verloren,7 integendeel, het kan zyn dat gy door de voorlezing nog een vlekje8 aan het juweel hebt bemerkt dat ge dan kunt herstellen. Toch is het dan ook myn eigendom geworden9 - Wildet ge dat niet, ge kondt het voor u houden.10

[p. 281]

De geheele theorie van den letterkundigen eigendom is misschien uitgedacht in het belang der schryvers, maar ze werkt enkel in het belang der uitgevers.1 Dezen trachten een intellectueel monopolie te scheppen en dat streven moet in het belang der menschelyke ontwikkeling worden tegengegaan.2 Dat zy hierdoor grooter honoraria aan de schryvers kunnen betalen is een voordeel dat men niet moet overschatten. De waarde der letterkundige produkten moet men niet naar de honorarie afmeten, de lichtzinnige romans worden het best betaald evenals Offenbach meer trekt dan Beethoven ooit gedaan heeft.3

Het belang der schryvers zou nog op andere wyze kunnen behartigd worden. Bovendien telt Nederland nog geen half dozyn4 lieden die om het honorarium boeken schryven,5 als men er de handleidingen voor schoolgebruik buiten laat.

By afschaffing van den letterkundigen eigendom zullen dus enkel de uitgevers lyden, en, tegenover eenige winstderving op een enkel artikel staat dan nog, dat zy, door op hun beurt na te drukken, wederom goede zaken kunnen maken.6 De boeken zullen goedkooper worden, vooral ook omdat men in Duitschland zal moeten laten drukken7 meer nog dan nu om de concurentie het hoofd te bieden.

De minister dus, die den letterkundigen eigendom op nieuw zou regelen, zou een schadelyk monopoliestelsel bestendigen.8 En die de Indische samenleving door dergelyke regeling aan een

[p. 282]

nieuwen band zou willen leggen, zou meer nemen dan hy, die de staatsexploitatie van koffie, tin en suiker nog een weinig zou kunnen opvoeren. Hy zou zich vergrypen aan de intellectueele belangen der bevolking1 van een groot ryk2 en dat ter wille van een ondergeschikte tak van Nederlandsche nyverheid. De tyden zyn er niet meer naar. Men legt niet meer een geheel handelsvertier aan banden3 ter wille der reeders van den Kinderdyk of der assuradeuren onder de Boompjes. En zou het staatsmanswysheid zyn, ons te beletten de Indische lezers kennis te doen dragen van het boek, dat wordt geproduceerd in het moederland?

Dit althans kan het misschien nog verzoenen met veel wat bovendien daaruit overwaait en wat minder lief is.

__________

 

Let wel, publiek. Hier is La part du Lion.

 

Wet van den 12den Augustus 1849 (Staatsblad No. 36).

 

Art. 2. Het uitsluitend recht van drukken en uitgeven der Pharmacopoea Neerlandica4 en der Nederlandsche Apotheek wordt aan den Staat voorbehouden.

De drukker, uitgever, verkooper en verspreider van eenig exemplaar van dit formulierboek, niet van Staatswege gedrukt, uitgegeven en gewaarmerkt, worden gestraft met eene boete van ƒ100 voor ieder exemplaar, door hen gedrukt, uitgegeven, verkocht, verspreid of nog in hun bezit gevonden; en, ingeval van onvermogen om die boete te betalen, met gevangenis van éene maand tot twee jaren.

Alle zoodanige exemplaren, waar ook gevonden, worden in beslag genomen en ten behoeve van den Staat verbeurd verklaard.

Brussel, 21 Juni 1874.

Aan den Red. v.h. Soerabaia's Handelsblad.

 

Geachte Redakteur!

Hoe heb ik 't toch met u? Ik zie daar tot mijn verbazing dat

[p. 283]

gy myn ‘Huwelijk in Indië’ gebruikt hebt als feuilleton in uw Soerabaia's Handelsblad! Hoe zyt gy daartoe gekomen? -

Hebt gy recht myn werk te publiceeren op eene wyze, waarop ik het niet gepubliceerd wil hebben?

Bestaat er één wet die iemand anders meer recht op een werk toekent dan den auteur zelf?

Ik heb geweigerd myn ‘Huwelyk’ te verkoopen, eerst aan M. Nyhoff en later aan G. Kolff, die 't my voor Indië vroeg; wie kan my nu uitleggen hoe 't in uw blad gekomen is, buiten myn weten en tegen myn wil?

De heer Kolff beweert, dat nadrukken op Java wettelyk is - 't is mogelyk, er zyn zoo veel wetten die niet deugen! - maar ik noem nadrukken, 't zij dan mèt of tègen de wet, diefstal.

Van twee dingen één. Of men heeft in Indië 't recht van nadrukken, waarom wilde men dan myn werk koopen? Of men heeft dat recht niet, waarom steelt men 't dan?

Ik ben pas uit Rome terug en heb nog geen tyd gehad my met Nederlandsche wetten bezig te houden - een verward werkje! - daarom zal ik maar beginnen met in deze zaak zelve uitspraak te doen.

Hebt gy myn ‘Huwelyk in Indië’ overgenomen, zonder daartoe door de wet gerechtigd te zyn, wees dan zoo eerlyk my twee duizend gulden te betalen voor 't nadrukken van een werk, dat myn eigendom is en blyft; en hebt gy volgens de wet gehandeld, doe my dan het genoegen my met een enkel woordje te zeggen; waar ik de wet kan vinden die den auteur het recht op zyn eigen werk ontneemt.

In beide gevallen zal ik u dankbaar zyn voor uwe hulp.

Geloof my, enz.

 

Mina Krüseman.

 

P.S. Ook tegen procedeeren ben ik niet, integendeel!

 

Zie hier het antwoord op myn schryven.

Malang, 20 Augustus 1874.

Mejuffrouw!

De tegenwoordige Redakteur van het Soerabaia's Handelsblad zendt my uw schryven van 21 Juni, met verzoek het te beantwoorden, omdat de opneming van uw roman ‘Een Huwelyk in Indië’ tijdens myne redactie plaats vond.

De toedragt der zaak is deze:

In Indië bestaan geen wetten op den letterkundigen eigendom1

[p. 284]

dat wil zeggen, het staat een ieder vry elk werk na te drukken waar het ter wereld ook verschenen mogt zyn. In Indië gepubliceerde werken, kunnen zelfs hier, zoowel als in Europa straffeloos worden nagedrukt. Daarvan wordt echter in Europa zoowel als in de Kolonie zelden gebruik, of liever misbruik gemaakt, en ook ik, of liever de uitgever van het Soerab. Hand. deden het niet; enkele couranten-artikels misschien uitgezonderd.

By werken van eenigen omvang, hebben zy van den schryvers of van de uitgevers1 verlof gekregen, soms tegen soms zonder eenige geldelyke vergoeding. Zy volgen dit uit een gevoel van moraliteit.2 - Want hoewel het nadrukken niet verboden - en verlof daartoe geheel onnoodig is - stuit het hun tegen de borst om van die leemte in de wet gebruik te maken, ook meenen zy dat de schryvers van wier talenten zy gebruik willen maken, recht3 hebben daarin gekend te worden.

Bemerkte ik dat er in Holland een werk zou verschynen, dat ik gaarne in het Soerab. Hand. zag opgenomen, dan vroeg ik de uitgevers daarvoor verlof, dat gereedelyk gegeven werd.4 Zelfs ontving ik van sommigen de afgedrukte bladen of eene copie vóor dat het werk in Nederland verscheen, zoo dat de publicatie te gelyk, zelfs van sommige werken eerder dan in Nederland plaats vond, zooals byv. Keller's roman ‘Gederailleerd’ - welke eenige maanden na de opneming in het Soerab. Hand. in Nederland werd uitgegeven5.

Toen ik hoorde dat van uwe hand een roman zou verschynen verzochten de uitgevers den heer Kolff te Leiden van u de toestemming te vragen dien in het Soerab. Hand. als feuilleton op te nemen, op zoodanige voorwaarden als door hem billijk geacht zouden worden, terwyl zy haar ook, als ik my goed herinner, van den uitgever hadden verzocht6.

[p. 285]

Hoewel die toestemming niet noodig was wilden zy toch hun principe getrouw blyven. Ik kon niet veronderstellen dat u iets zou weigeren hetgeen niet belet kon worden en aarzelde niet, toen het werk in Indië arriveerde, vóor het antwoord uit Holland te hebben ontvangen1 met de publicering een aanvang te maken. Aan de gedane zaak was niet meer te veranderen.2 Hadden wy uw refus eerder gekregen dan zou uw ‘Huwelyk’ niet gepubliceerd zyn geworden.

Ik geloof dat zoo u een werk over Rome denkt uit te geven,3 de tegenwoordige redacteur van het Soerab. Hand. het gaarne als feuilleton zal opnemen, wil u daartoe verlof geven? Ik ben overtuigd dat hy, by refus, zoo beleefd zal zyn uw wenschen te eerbiedigen.

U spreekt van procederen, zegt zelfs dat u er niet tegen opziet! Ik wel, doch in dit geval is het my onverschillig, bestond er eene wet die het nadrukken toestond, dan zou er nog gevaar bestaan, dat de een of andere handige advocaat er iets dubbelzinnigs in vond,4 dat tot myn nadeel kon uitgelegd worden,

[p. 286]

doch nu er volstrekt geen wet bestaat, behoef ik zelfs daarvoor niet te vreezen. Als redacteur neem ik cchter de geheele verantwoording op my, zoodat de uitgevers gevrywaard blyven.

Intusschen zyn wy (als ik in dit schryven het woord wy gebruik, doe ik zulks uit naam der uitgevers) verlangend naar eene wet op den letterkundigen eigendom in Indië. Zy zal in ons voordeel zyn, want er bestaat veel meer gevaar1 dat een uit de duizend boekverkoopers die Holland bezit, een wezenlyk verkoopbaar werk, in Indië gepubliceerd, nadrukt, dan dat een uit het halve dozyn Indische boekverkoopers daartoe overgaat.2

Kan u met uw talent een beweging in het leven roepen, die den minister er toe brengt een wet in bedoelde geest te ontwerpen; honderd tegen éen dat de kamers ze aannemen, want zy tellen vele leden - auteurs, of ten minsten genoeg die zich verbeelden het te zyn. Dat dit nog niet is geschied schryf ik alleen daaraan toe3 dat nadruk in den eigenlyken zin van het woord, uit het mercantiel oogpunt gedaan, om nagedrukte boekwerken in den handel te brengen - nog niet is voorgekomen,4 omdat zelfs van het meest gevierde werk geen tiende gedeelte der onkosten zou te dekken zyn.

Ten slotte eene opmerking: door het publiceren van uw ‘Huwelyk in Indië’ in het Soerab. Hand. heeft u materieel geen schade geleden, zy die het boek wenschten te koopen hebben het gekocht, en zelfs konden de uitgevers van genoemd blad, tevens boekverkoopers, bemerken dat het feuilleton als een réclame, gunstig op het debiet heeft gewerkt.5

Ik hoop dat u overtuigd zal wezen, dat door my geen onrechtmatige daad is gepleegd. -

Met de meeste onderscheiding heb ik de eer my te noemen

 

Uw dienstw. Dienaar,

6W. Thieme.

[p. 287]

Menschlievende, hulpvaardige, kunstminnende, talentbeschermende, geldmakende Indische uitgevers, redakteurs en boekverkoopers! -

Ik betuig u allen by dezen myn welmeenenden dank voor de moeite die gy u gegeven hebt, ten eerste om myn werk na te drukken en in uw voordeel te verkoopen en ten tweede om het te recenseeren en te beschimpen met eenige scheldwoorden aan myn adres (Ds. Huët, zie Prof. van Vloten's Nederlandsche Kunstbode no. 5) - met het godvruchtig doel om réclames voor me te maken en myn ‘al te weelderige natuur’ binnen de perken van het ordinaire beteugeld te houden. -

Gy zyt wél goed!

Dankje Heeren. -

 

Zie zoo, nu ben ik toch beleefd geweest! Ik heb bedankt voor de réclame en voor de recensie en voor de scheldwoorden ook. Heeft iemand van u, die uit pure weldadigheid gespekuleerd heeft met myn naam - of met myn talent, nog iets van my te reclameeren? -

Zoo ja, hy spreke.

Zoo neen, hy luistere.

Réclames in Indië verlang ik niet - zoo dra ik die noodig zal hebben zal ik zelve op Java komen, en ze maken op myn manier:

 

WERKEND.

[p. 288]

Wet van den 25en January 1817 (Staatsblad No. 5).

Art. 1. Het recht van kopy of van kopiëeren door den druk is, voor oorspronkelyke letter- en kunstwerken, het uitsluitend recht van diegenen welke daarvan auteurs zyn, en hunne rechtverkrygenden, om hunne oorspronkelyke letter- en kunstwerken, geheel of gedeeltelyk, verkort of verkleind, zonder onderscheid van vorm of inkleeding, in eene of meer talen, met of zonder hulp der graveerkunst, of eenige andere tusschenkomende kunst, door den druk gemeen te maken, te verkoopen en te doen verkoopen.

Art. 4. Alle inbreuk op het voorzeid kopyrecht, hetzy by eene eerste uitgave van eenig nog niet gedrukt boek- of kunstwerk, hetzy by herdruk van hetgeen reeds in druk was, zal als nadruk aangemerkt en als zoodanig gestraft worden, met confiscatie van alle binnen dit ryk voorhanden zynde ongedebiteerde exemplaren van den nadruk, ten voordeele van den eigenaar van den oorspronkelyken druk, alsmede met betaling, aan denzelfden eigenaar, van de waarde van 2000 exemplaren van het nagedrukte boek of kunstwerk, te berekenen naar den boekverkoopersprys van den wettigen druk en zulks behalve de betaling eener boete, niet te boven gaande de som van duizend gulden, en niet minder dan honderd, ten behoeve van de algemeene armen van de woonplaats des nadrukkers; en zal de nadrukker bovendien, in geval van herhaald misdryf en naar gelang der omstandigheden onbekwaam kunnen worden verklaard om in het vervolg het beroep van boek- of kunstdrukker of verkooper te kunnen uitoefenen, alles onverminderd de bepalingen en straffen, welke tegen vervalsching by de algemeene wetten zyn, of mochten worden gestatueerd.

Op dezelfde wyze, als hier boven is bepaald, zal worden gestraft het invoeren, verspreiden of verkoopen van buiten het koninkryk nagedrukte oorspronkelijke letter- en kunstwerken of vertalingen, waarvan men hier te lande het kopyrecht bezit.

 

En nu, zelfs krachtens deze oude wet van 1817 verklaar ik aan alle uitgevers (waar ook) dat al wat ik tot dus verre geschreven heb, uitsluitend mijn eigendom is en blijft en even als een huis, een ezel, een rijtuig of een boek te koop of te huur wordt aangeboden (tegen overeen te komen betaling) door de eenige eigenares

 

Mina Krüseman.