[p. 11]
de tombe van hadewijch
De vogelen hebben lange gezwegen,
want ik leef heden al een eeuwigheid.
Daarmee verlies je het besef van tijd.
Kom ik nou jou, of kom jij mij nu tegen?
Komt tijd, komt raad, weten we het terdege,
maar nu, pas op de plaats, is wijd noch zijd
een handwijzer te zien die ons bevrijdt
en afleidt van waar wij ons niet bewegen.
Hoe minne de minne met minnen ere-
ik had geen tijd dan voor dat ene ding.
Zo kwam het dat ik niet met jou omging:
te jong en oud om elkaar maar te leren
kennen. Kennen is zien, in een flits. Zing
met mij mee, deze zonsverduistering.