Druk verwekt tegendruk. In de massa der Nederlandse loonarbeiders bestond een latente opstandigheid. Hugo de Groot schrijft weliswaar [pag. 10 der Franse uitgave], dat het Nederlandse volk voordat het tegen Spanje in opstand kwam, grenzenloos vredelievend was geweest, en bereid elke soort van onderdrukking te verdragen, als men het maar in rust liet leven en werken. Op de verzadigde burgerij van de 16e eeuw kon die uitspraak misschien passen, maar wat de lagere volksmassa betreft, spreken de feiten een andere taal. Laat ons ook niet uit het oog verliezen, in welk verband Hugo de Groot deze uitspraak doet: hij wil de verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen op de Spaanse regering afwentelen.
In de 16e eeuw treffen we in de steden een onrustige massa aan, telkens weer zijn er oploopjes en opstootjes, nu eens om econo-
mische, dan weer om politieke redenen. Maar wat deze oproerige lieden bijna altijd ontbreekt, dat is hetzelfde wat de wevers en volders van Gent en Brugge on de 14e eeuw tot een gevreesde macht maakte: organisatie en bewapening.
Waar het textielproletariaat zich nog in een gilde-organisatie verheugde, zoals in de oude Leidse textielindustrie, kwam het ook - trots alle verboden - telkens weer tot georganiseerde stakingen, als protest tegen de verslechting der arbeidsvoorwaarden. Als bijzonder staaklustig golden de volders. De in 1591 voor de vijfde maal herhaalde keur inzake de lakenindustrie bevat dan ook voor de volders - en slechts voor hen - het speciale verbod:
‘.... ende dat zy geen rebellicheyt, opzettinge, vergaderinge noch uytgang en zullen maken, op arbitralicken te werden gestraft’ [Posthumus, Bronnen III no. 165].
Toen dit verbod voor de laatste keer werd herhaald, was het trouwens bijna overbodig geworden. Het beroep van volder was bezig uit te sterven, onder de concurrentie van de voldersmolens [zie hiervoren hfdst. VII 103] ging het zijn dood tegemoet. Reeds de gestadige achteruitgang van de oude lakenindustrie in de 16e eeuw schijnt de ruggegraat van de Leidse volders te hebben gebroken; hun grote stakingen en uittochten vallen alle in de 15e eeuw, waaruit ons voor 1435, 1443, 1455, 1470 en 1478 stakingen worden gemeld. Bij de staking van 1478 waren de volders, om hun eisen kracht bij te zetten, naar Gouda weggetrokken en zij keerden van daar pas terug, nadat men hun concessies had gedaan en hun bovendien straffeloosheid had beloofd [Elsevier, Inventaris II 67]. In de 16e eeuw zien wij slechts twee keer de anders zo veel rustiger wevers in beweging komen, en wel in de jaren 1537 en 1545 [Posthumus, Lakenind. I 308-309]. De achtergrond daarvan is de achteruitgang van het bedrijf en de maatschappelijke ellende, die daarvan het gevolg was. Bij de staking van 1537 gingen de stakers hun onsolidaire vakgenoten met zeer drastische middelen te lijf. De stakers kwamen bijeen in de ‘Blauwe Steen’ en daar lieten zij weten ‘indien yemant van hemluyden ghing weven, men zoude ommegaen ende snyden zijn werck an tween.’ De stedelijke overheid nam daarop agents provocateurs in dienst
om er achter te komen, welke wevers zich aldus hadden geuit: 2 pond 8 schelling bedroeg hun Judasloon volgens een thesauriers-rekening van 19 Februari 1537. Of dat geholpen heeft, vernemen wij niet [Posthumus, Bronnen II 400 no. 1004]. Bij de staking van 1545 horen wij het zelfde dreigement: ‘zoe wye te wercke gaet, dat die geslegen ofte hoere glasen uuyt geslegen zoude worden’, hetgeen de magistraat eveneens tot verweer noopte [no. 1076 l.c.].
Spoedig echter was de toestand van de Leidse textielarbeiders door het verval van deze nijverheid zo hopeloos, dat ook staken hen niet meer kon helpen en velen de uittocht naar andere steden overwogen. Desniettemin is het kenschetsend, dat de magistraat bij de beeldenstorm van 1566 speciaal bang is voor een versterking van de onrustige elementen uit de kringen der wevers en volders [no. 1203 l.c.].
Toen er na het beleg van Leiden een nieuwe industrie opkwam, laaide ook het oude strijdvuur onder de arbeiders weer op: de 17e eeuw is weer getuige van een aantal heftige acties, zoals in 1619, 1637, 1643 en 1671 [IV 95, 391, 386 vlg.l.c., Blok III 196]. In dit verband is het ook de moeite waard de philippica te lezen, die de vriend der ondernemers P. de la Court, zelf een textielindustrieel, in zijn ‘Welvaren der stad Leyden’ [uitg. Wttewaal 71 vlg.] tegen het ‘uitzuigen der arbeiders door hun ondernemers’, zoals hij het noemt, neerschreef.
Maar het voorbeeld van Leiden mag men niet als typisch voor de 16e eeuw beschouwen. Hier klonk een echo van de grote gildenstrijd der Middeleeuwen. In de hoofdcentra der Nieuwe Draperie ontbrak het de bijeengeraapte en -gewaaide arbeiders-massa's aan elk onderling verband. Zij hadden geen gilden, hun sociale afkomst liep zo ver mogelijk uiteen: de eertijds zelfstandige drapenier werkte naast de vroegere landloper; bovendien bestonden er tussen de verschillende categorieën arbeiders grote verschillen van positie. De huiswever beschouwde zichzelf nog vaak als een zelfstandige handwerksman, die boven de fabrieksdagloner stond; ja, het kwam voor, dat hij zelf nog een of twee gezellen aan het werk had. Maar anderzijds stond de kleine drapenier, die zelf aan het weefgetouw mééwerkte, nog met een been in het proletariaat en ten gevolge van de concur-
rentie van zijn grote collega's voelde hij zich zelf misschien ook meer bij de handwerkers dan bij de ondernemers te behoren. Vaak dus ontbraken de materiële voorwaarden voor een duidelijke scheiding tussen de klassen. Maar de strijdbaarheid der arbeiders werd vooral verzwakt door de onoverzichtelijke verspreiding der industrie over een groot aantal vlekken en dorpen. Dat kwam tegelijk neer op de permanente aanwezigheid van een oncontroleerbaar industrieel reserveleger, bestaande uit arme dorpers, invaliden, landlopers, gepasporteerde soldaten en alle mogelijke andere elementen.
Zo horen wij uit een plaats als Hondschoote niets van arbeidsconflicten zoals te Leiden. Maar het zou niet juist zijn daaruit te concluderen, dat er dan een toestand van algemene tevredenheid heerste. De open strijd werd vervangen door de onderaardse, de staking door sabotage, diefstal van grondstoffen, dreigementen en wraakoefeningen.
‘De voortdurende herhaling van deze collectieve gewelddadigheden’, aldus Coornaert [429], ‘getuigt van een permanente toestand van opstandigheid en, in zekere zin, van een werkelijke klasse-oppositie.’
‘Het zal dra nodig zijn, dat de armen het van de rijken halen,’ luidt het typische dreigement van een Hondschooter sajetwever tegenover zijn heer in 1556 [ib.].
Een duurzaam resultaat kon men echter op die manier niet behalen, en zo bleef er voor de enkeling, die zijn lot ondraaglijk ging vinden, alleen nog maar de vlucht uit deze slavernij naar de vogelvrijheid van de vagebondage over - een weg, die maar al te vaak werd ingeslagen, al trachtte men ook deze deur te sluiten: de regeling der armenzorg volgens het Yperse stelsel was daartoe één manier, het bedelaarsplakkaat van Karel V van 1531 [vgl. de studie van Croos] een ander middel. Dat plakkaat verbood de bedelarij in het gehele land en voor iedereen met uitzondering van de bedelmonniken en de melaatsen. Veel schijnt het niet te hebben uitgewerkt, in elk geval besloot men bij de vernieuwing van het plakkaat in 1556 tot een paar nieuwe uitzonderingen: lieden, die nawijsbaar van hun arbeid niet konden leven, mochten in hun geboorteplaats bedelen [pag. 12 l.c.].
Niettegenstaande alle mogelijke afschrikwekkende straffen,
geselen, afsnijden van oren, afhakken van vingers, namen de bedelarij en het zwerven gestadig toe. Het Leidse rapport van 1577 bewijst, hoe weinig uitwerking de plakkaten van de regering hadden. Geen wonder, want de oorzaak van bedelarij en massapauperisme, de industrialisering van het land, stond nog in volle fleur. Datzelfde pauperisme werd verergerd door de verwoestende oorlogen, die steden en dorpen in de as legden en de bewoners als bedelaars de straat opdreven. Na elke vrede echter werd het leger der vagebonden door dat der afgedankte soldaten vergroot. De lichamelijk nog niet al te sterk gedegenereerde proletariër had in tijd van oorlog de mogelijkheid, zich in plaats van zich door de industrie te laten uitbuiten, als kanonnenvlees te verhuren; echter werd daarbij aan bewoners van landelijke streken de voorkeur gegeven. Was de oorlog voorbij, dan werden de legers - zonder dat men zich verder om de soldaten bekommerde - afgedankt. ‘De soldaat, die eens de wapens heeft gedragen, keert zelden naar de ploeg terug’, schrijft P. Payen [I 279]. Deze afgedankte soldaten trokken ‘gaardend’ door het land, bedelend en rovend. Zo werd tevens de massa doortrokken met elementen, die geoefend waren in de wapenhandel, hetgeen bij opstanden van belang mocht heten, gelijk reeds tegen het eind van 1566 zou blijken. En wat bleef er voor een massa, die noch over politieke rechten noch over economische strijdmiddelen beschikte, anders over dan overal waar zij daartoe een mogelijkheid zag, tot oproer over te gaan, - zulks in de vage hoop, dat ook haar door een algemene omwenteling der dingen een beter lot ten deel zou vallen?