terug  begin  verderprepost

XVIII Katholicisme en absolutisme

Het lagere volk nam aan de stendenoppositie vrijwel alleen als toeschouwer deel. Alleen de handwerkslieden der vier Brabantse hoofdsteden speelden nog een actieve rol in de vertegenwoordiging; hun representanten vormden de radicale vleugel der oppositie, hun actie bepaalde zich meestal tot de bestrijding van nieuwe belastingeisen en was daarmee ook uitgeput, hun bekrompen kleinburgerlijke karakter stelde de gildemeesters niet in staat verder te zien.

De oppositie kon bij vrijwel alles wat zij ondernam op de sympathie der bevolking rekenen, dank zij de smeulende, gistende ontevredenheid der massa's met de regering en de heersende toestanden. Doch de oppositie vergiste zich, wanneer

[p. 178]

zij geloofde, dat het volk zich met haar identificeerde. De stemming der massa's verlangde er naar zich op eigen wijze te uiten, de opgekropte gevoelens zochten naar een mogelijkheid zich te ontladen in een beweging, waarin zij een actieve rol konden spelen. Zo'n beweging was de Calvinistische secte in opkomst.

In de strijd van de oude met de nieuwe religie weerspiegelen zich in geen geval alleen religieuze tegenstellingen. Dat de priesters der oude religie hartstochtelijk een mededinger bestreden, die hen dreigde te stoten uit al hun voordelige ambten en praebenden, laat zich makkelijk begrijpen. Maar wat noopte de regering om de zaak van het katholicisme geheel en al tot de hare te maken? Alleen de toevallige omstandigheid, dat Philips II een bekrompen fanaticus was? Doch wij zagen reeds, dat hij in de grond genomen op godsdienstig gebied niets deed, wat niet overeenkwam met de politiek van zijn vader en voorganger [zie hiervoor hfdst. XIV 155]. Ons is ook geen geval bekend, dat Philips met zijn politieke adviseurs over de grondtrekken van zijn godsdienstpolitiek ernstig in conflict is gekomen. Integendeel, als exponent van de Spaanse natie kon de koning niet anders handelen dan hij deed. In een ogenblik van allerdiepste neerslachtigheid bekende Philips' latere plaatsvervanger in de Nederlanden, de grootcommandeur Requesens eens, dat al het ongeluk dat de Spaanse wapenen had getroffen, misschien het gevolg was van de zelfoverschatting, waarmee de Spanjaarden meenden, dat zij alleen door God waren geroepen om zijn geloof over de gehele wereld te verbreiden [vgl. Corr. Phil. III 60]. Maar dat meenden zij nu eenmaal inderdaad, zolang zij de hoop konden koesteren, dat zij onder dit devies de wereldheerschappij konden veroveren [zie hiervoor 158].

Daarnaast was er nog op het gebied der binnenlandse politiek een groot belang, dat de monarch van het Spaanse wereldrijk aan de katholieke kerk bond: slechts in samenwerking met haar liet het absolutisme zich doorvoeren. Reeds Karel V zag in haar een pijler van zijn macht. Hugo de Groot schrijft [pag. 15 der Franse uitgave]:

‘Hij [Karel] was er geheel van overtuigd, dat men, als men eenmaal
[p. 179]
in eerbied jegens de priesters tekort zou schieten, ook hem spoedig ongehoorzaam zou worden.’

In Spanje had de ‘Heilige Inquisitie’ het absolutisme geweldig voorbereid. Zij had, met soortgelijke methodes als door de tegenwoordige geheime polities der dictaturen worden toegepast, elke meningsvrijheid verstikt en een atmosfeer van voortdurende vrees over het gehele land helpen verwekken. Door haar spionnen was zij overal aanwezig, geen enkele rechtswaarborg beschermde voor haar ingrijpen, een enkel onbedachtzaam woord, een vage denunciatie waren voldoende om het slachtoffer aan haar over te leveren. Van meet af aan beschouwde Karel V deze instelling als de belangrijkste steun van zijn heerschappij. De instructie, die hij in 1520 de Staten gaf, zegt:

‘Datgene wat het H. Officium der Inquisitie en de godsdienst betreft, noemen wij aan het slot, opdat gijlieden het des te beter in gedachten houdt, want hoofdzakelijk daarvan hangt de handhaving en uitbreiding van onze staat en van onze koninklijke autoriteit af’ [Gec. naar Baumgarten I 340].

Geen wonder, dat de Nederlandse politieke oppositie niets zo zeer vreesde als die zelfde instelling in de Nederlanden. Want dan was het met haar gedaan.

‘Zij zagen in’, schrijft Wesembeke [85], ‘dat zij, die zo lang hun vrijheid hadden kunnen handhaven, de ellendigste slaven ter wereld zouden worden, als dit instrument zou worden ingevoerd. Zij zouden geen uur meer van hun leven en hun eigendommen zeker zijn, doch steeds onderworpen aan de begerigheid en denunciatie van een afgunstige vijand, een gierige buurman, ja van de minste dienaar van hun huis.’

De strijd voor en tegen de inquisitie was een verkapte strijd voor en tegen het absolutisme. Graaf Hooghstraten, die zich niettegenstaande zijn katholieke geloofsovertuiging tot aan zijn dood, in 1568, aan de zijde der oppositie schaarde, motiveerde zijn houding aldus:

‘De koning wil in ons land de Spaanse inquisitie en, onder het voorwendsel van de godsdienst, een absolutistisch en tyranniek bewind invoeren’ [P. Payen I 75-76].

Evenals zijn vader was Philips II er bij al zijn godsdienstige dweepzucht van overtuigd, dat het belang zijner monarchie

[p. 180]

ten nauwste met de handhaving van het katholicisme was verbonden. Voor zijn vertrek in 1559 geeft hij aan de te Gent bijeengekomen Staten-Generaal te kennen, dat zij zich vooral moesten wijden aan de handhaving der religie, want als die zou worden gewijzigd, zouden niet alleen de dienst Gods, doch ook rust en orde daaronder lijden [Hooft I 27]. Nog duidelijker spreekt hij zich uit in een brief, in 1569 aan keizer Maximiliaan gericht, die Philips tot tolerantie jegens de ketters had vermaand. Daarop antwoordt Philips:

‘De tijdsomstandigheden, waarop de keizer zich beroept, zijn er juist niet naar om hem op zijn besluiten te doen terugkomen. Het voorbeeld van andere landen bewijst, dat het staatsbelang en de handhaving van de katholieke godsdienst zo zeer samengaan, dat noch de autoriteit van de vorsten, noch de eendracht der onderdanen, noch de openbare vrede bij twee verschillende religies kunnen bestaan’ [Corr. Phil. II 55].

Dezelfde gedachtengang treffen wij aan in tal van brieven van Granvelle, die zijn vrienden steeds weer tracht in te prenten [b.v. C.C. Gr. I 206; Corr. Phil. I CLXXI vlg.], dat het welzijn van de staat geen tolerantie gedoogt. Zodra het een iegelijk vrij staat te geloven wat hij wil, ontstaat er de grootste verwarring en ten slotte eindigt men bij de Wederdopers, de veelwijverij en de gemeenschap van goederen.

‘Het staatsbelang eiste de eenheid der kerk’, luidde het standpunt van Karel V reeds [Kühler 92]. Men kan daaruit de volgende conclusie trekken:

Het belang van de oppositie eiste de splitsing der kerk. De oppositie vond daarbij het beste aangrijpingspunt in de talloze kerkelijke misstanden. Hier behoefde de strijd niet gevoerd te worden in exclusieve vertegenwoordigende lichamen, doch hij kon op elk terrein worden uitgevochten, in elk gesprek van twee vrienden, bij elke herbergtwist, aan elke huistafel. Waar men een ziel voor het nieuwe geloof won, leed de kerk een nederlaag: aan deze strijd kon ook de kleine man, kon het gehele volk met lijf en ziel deelnemen.

prepostterug  begin  verder