Echter, naarmate de grote hoop zich sterker bewapende en meer revolutionnair van gezindheid werd, kreeg een deel der aanstichters van het verzet ‘angst voor de eigen moed’. Met name in het Verbond der Edelen gingen zich onder de dreiging ener volksbeweging tekenen van onenigheid vertonen. Daarvan getuigt de brief van de heer van Noyelles, waarvan in het vorige hoofdstuk werd gewag gemaakt. De schrijver van die brief beroept zich uitdrukkelijk op de gelofte door de leden van het Verbond afgelegd, dat zij zich tegen alle tumult en opstandigheid des volks zullen teweer stellen en hij eist van de leiding van het Verbond een authentieke interpretatie dier clausule,
‘en dit wel hierom, omdat ik dagelijks te horen krijg, dat andere heren van het verbond tot de predikaties aanzetten en die ondersteunen, hetgeen in rechtstreekse tegenstelling staat tot onze oogmerken en tot de afgelegde beloften.’
Op de keper beschouwd, had de schrijver van deze brief volkomen gelijk. Inderdaad heerste er in de rijen van de bond de grootste verwarring. De een reed in volle wapenrusting mee in de Calvinistische bewakingstroep - zoals b.v. te Doornik de heer van Landas -, de ander daarentegen trachtte de predikaties met geweld te verhinderen, zoals te Valenciennes met de verbondsleden Audregnies en Wingle het geval was. Audregnies - dezelfde die in 1562 een Calvinist, die een psalm zong, daarbij overhoop stak - was in 1566 zeker geen tegenstander meer van het Calvinisme, want hij bleef in de leiding van het Verbond ook nà de bijeenkomst van St. Truyen, waar tot steun aan de gereformeerden was besloten. En Wingle hoorde zelfs
tot de kapiteins van Brederode bij diens poging tot opstand in 1567 en bekocht die houding met de dood. Er kan dus slechts sprake zijn geweest van afschuw tegen de revolutie van onder op, die hen tot hun optreden bracht [vgl. Paillard, Interrogatoires 226; Groen, Archives II 135; C.C. Gr. II 657]. Nadat Audregnies er werkelijk in was geslaagd, het begin der predikaties bij Valenciennes ongeveer een week tegen te houden, zien wij te zelfder plaatse bij de veertiende hagepreek vier edellieden van het Verbond in de bewakingstroep meerijden!
De leden van het Verbond werkten dus volledig tegen elkaar in. De leiding zag zich daardoor voor een moeilijk dilemma geplaatst: zij moest thans kleur bekennen, zij moest verklaren of het haar met haar beloften van loyaliteit ernst was, dan wel of zij daarmee de regering slechts om de tuin had willen leiden. Een verklaring in de eerste zin ware uiteraard een slag in het gezicht der radicalen en der massa's; een verklaring in de laatste zin zou haar van de gematigden vervreemden.
De leiding had de dingen lange tijd eenvoudig maar op hun beloop gelaten, zelfs de correspondentie tussen de leidende figuren rustte bijna geheel [Groen, Archives II 129]. Doch men kon zich nu niet langer dood houden. Op de 4e Juli vond er eindelijk te Lier bij Antwerpen een vergadering der leidende heren plaats. Men besloot tegen het midden van de maand een algemene verbondsvergadering bijeen te roepen, die te St. Trond [St. Truyen] op het gebied van de bisschop van Luik, dat buiten het machtsbereik van Philips lag, zou plaats vinden. Als voornaamste motief voor dit besluit noemt Bor [II 78] uitdrukkelijk: het gevaar van grote volksopstanden en algemene bewapening des volks.
Doch nog voor de vergadering kon plaats vinden noopten de gebeurtenissen het Verbond tot daadwerkelijk ingrijpen. Uit het nabije Antwerpen, waar de beslissing van een kleinigheid af kon hangen, drong een dringende kreet om hulp tot Lier door.
In de grote steden van het land had de beweging eensdeels de partijschappen in de burgerij verscherpt, anderdeels nieuwe doen ontstaan. De aan het bewind zijnde magistraten gingen bijna overal achter de landsregering staan. Als zij al concessies aan de Calvinistische beweging deden, was dat slechts uit een
gevoel van zwakte, omdat zij niet meer volledig op de burgerwachten staat konden maken.
Deze magistraten echter vormden - dank zij het feit, dat zij door de afgesloten vroedschappen werden gekozen - niet veel meer dan een ineengegroeide côterie van een klein aantal grootburgerlijke families [na de overwinning zouden zij dat blijven en zelfs in verhoogde mate]. Zij streefden er voor alles naar, alles wat niet bij hen hoorde van de macht verre te houden. Natuurlijk bood die macht ook grote economische voordelen, die men zich, veelal op zeer onrechtmatige wijze, wist te verschaffen [vgl. hierover de reeds vaak geciteerde ‘doleantie’ van de Amsterdamse oppositie van 1564]. Dit wekte uiteraard de afgunst van anderen, die inmiddels een vermogen hadden bijeengegaard, doch die zich de toegang tot de voederkrib der magistratuur versperd zagen. Zo ontstonden er vijandige klieken onder de grote burgerij zelve, en deze zagen in de nieuwe beweging een stormram, met behulp waarvan zij in de bestaande vroedschappen een bres konden slaan om aldus zelf ‘op het kussen’ te komen. Zo stonden de zaken b.v. te Amsterdam, waar de onderlinge strijd van beide klieken pas in 1578 definitief ten gunste der gereformeerden beslist werd [vgl. Coops, De opheffing der Satisfactie van Amsterdam, Inleiding].
Te Antwerpen was het nog een beetje gecompliceerder. Hier werd een belangrijk bestanddeel der grote burgerij gevormd door de vreemde kooplieden. Dezen echter vielen, al naar ieders land van herkomst, in godsdienstig opzicht in drie delen uiteen: Spanjaarden en Italianen hielden stevig vast aan het katholicisme, Duitsers en Oosterlingen stoelden meestal op de Augsburgse Confessie, Engelsen en Maranen schaarden zich onder de Calvinisten. De magistraat der stad met de fungerende burgemeesters H. van Berchem en J. van der Heyden voorop was ook hier zowel gouvernementeel als katholiek gezind, slechts de vroegere burgemeester Van Straelen, de vriend van de Zwijger, en de raadspensionaris Wesembeke vormden hierop een uitzondering.
Het volk daarentegen, de handwerkslieden uit de gilden en de daaronder staande arbeiders, vormde een geradicaliseerde en tot opstand bereide massa. Zij schaarden zich achter alles wat
oppositioneel was: een deel helde over naar het Lutherdom, een groter gedeelte echter koos partij voor de scherper optredende Calvinisten. Ook de Doperse secten hadden hier een belangrijke aanhang [in de bronnen is sprake van tweeduizend Doopsgezinden, of dat cijfer klopt, laten wij in het midden; de angst van de regeerders voor het opnieuw opduiken van de secte was in elk geval ongegrond, het waren geen Wederdopers meer van het oude slag]. In Antwerpen - zoals trouwens in alle vier grote steden van Brabant - was het van onmiddellijk politiek belang hoe de volksmassa's gezind waren, want hier berustte het stadsbestuur nog enigermate op democratische grondslag: weliswaar waren de belangrijkste functies en ambten uitsluitend in handen der grote burgerij, doch de handwerkers maakten het vierde deel van de raad uit en beheersten door hun aantal bovendien de ‘breede raad’, het democratische element der stedelijke regering. Ook de wijkmeesters, die in het administratief bestuur der stad een belangrijke rol speelden, en de schuttersgilden helden naar het volk over. Steunend op de brede massa der bevolking konden al deze organen van zelfbestuur de magistraat onder stevige druk zetten en allerlei maatregelen, die tegen de godsdienstige beweging gericht waren, verhinderen of saboteren. Aldus zag de magistraat zich tamelijk hulpeloos tegenover een met de dag sterker wordende oppositie geplaatst. Alleen van de landsregering kon zij daartegenover nog hulp verwachten.
Deze begreep zeer goed, wat het bezit van de grootste en rijkste stad in die tijd betekende, doch zij beschikte slechts over geringe middelen. Aan twee van haar betrouwbaarste steunpilaren, de stadhouder van Gelderland, graaf Meghem, en die van Friesland, graaf Aremberg, gaf zij opdracht soldaten naar de stad te dirigeren en met hulp daarvan het gezag van de magistraat te herstellen. Meghem toefde reeds persoonlijk in de stad, om te bereiken dat de poorten voor zijn soldaten geopend zouden worden, Aremberg werd elke dag verwacht.
In deze gevaarlijke situatie riep de oppositie de hulp in van de leiders van het Verbond der Edelen, die te Lier vergaderd waren. Dit keer namen de heren een besluit en handelden met spoed: Brederode vertrok onmiddellijk met een gevolg van 150 ruiters en vertoonde zich daarmee in de stad. Zijn aankomst gaf de
oppositie weer nieuwe moed: een paar dagen later kwam het tot een opstootje, waarbij men de sleutels der stad van de magistraat afnam en ze aan de meer volksgezinde wijkmeesters gaf. Het gevaar, dat er vreemde troepen binnen de stad zouden worden gelaten, was daarmee van de baan. Tegelijkertijd ging, terwijl de magistraat formeel in functie bleef, de feitelijke macht over op de ‘breede raad’ [Groen, Archives II 148].
Men zou nu denken dat de ‘grote geus’, zoals Brederode door zijn vrienden werd genoemd, zich hier volledig in zijn element voelde. Nu had hij de prachtigste gelegenheid om het plan van Februari, dat op Oranje's veto was afgestuit, uit te voeren, zich met de wijkmeesters en handwerkslieden te solidariseren en 's lands rijkste havenstad in naam der Geuzen te overmeesteren. Ja, wel beschouwd noopte het lot de verbonden edelen juist datgene te ondernemen, wat zij zich oorspronkelijk hadden voorgenomen, doch niet hadden durven uitvoeren. Toegegeven, een gevolg van 150 man was nu niet bepaald een indrukwekkende legermacht, maar een half jaar later lukte het Bomberghen, een aanhanger van Brederode, zich zonder dat hij enig gevolg had meegebracht, van Den Bosch meester te maken. En de regering was er bij de weinige machtsmiddelen, waarover zij toenmaals beschikte, in genen dele toe in staat Antwerpen te heroveren; pas een half jaar nadien waagde zij zich aan het naar verhouding veel gemakkelijker beleg van Valenciennes en zelfs daardoor werd bijna haar gehele militaire kracht gebonden.
Brederode echter zat gevangen in de boeien zijner loyaliteits-politiek. Het was zijn noodlot, dat hij pas begon te handelen, toen het reeds lang te laat was. Dit was het ogenblik, doch hij verzuimde het. Uit zijn brieven aan graaf Lodewijk van Nassau [Groen, Archives II 140] spreekt alles behalve een naar actie hakende revolutionnair: ‘Wij bevinden ons hier in de muil van de wolf’, zucht Brederode de eerste dag, en de vijfde dag na zijn aankomst voelt hij zich reeds ‘tien jaar ouder geworden’, en dat terwijl deze situatie hem juist had moeten verjongen!
Hij was zeer tevreden toen zijn korte interregnum eindigde door de komst van de prins van Oranje, door de regering als gouver-
neur naar Antwerpen gezonden. Een ontelbare mensenmenigte was hem tegemoetgetrokken, men juichte hem toe en uit de massa klonk de strijdkreet ‘Leve de geuzen!’ De prins echter weerde dat met een zeer gemelijk gebaar af en verzocht van dat geroep verschoond te blijven [Chronijkje 74-75]. Hij was niet als man der oppositie, doch als gevolmachtigde der regering naar Antwerpen gekomen. De regering had haar keuze op hem doen vallen, niet omdat zij hem zo heel erg vertrouwde, maar omdat hij de enige was, die nog in staat scheen te verhinderen, dat de revolutionnaire heksenketel overkookte. In die geest heeft de prins, die de radicale massa's ten enenmale wantrouwde, zijn ambt als gouverneur dan ook vervuld - met veel handigheid, dat moet men erkennen.
Echter, wat hij in politiek opzicht aldus uiteindelijk dacht te bereiken, is niet bijster duidelijk. Wellicht hoopte hij, dat hij, die thans te Antwerpen als scheidsrechter tussen beide partijen moest fungeren, diezelfde functie aanstonds voor het gehele land zou mogen uitoefenen en dat hij daarmee tevens de macht over dat land zou verkrijgen. Doch dat veronderstelde een permanente evenwichtstoestand tussen de krachten van beide partijen. Bij elke verschuiving echter van dat evenwicht moest de man, die zonder eigen partijaanhang tussen die twee balanceerde, ten val komen. Hetgeen dan ook geschiedde.