Noircarmes buitte zijn overwinning onmiddellijk uit. Schijnbaar bracht hij zijn troepen terug naar Valenciennes, doch onderweg veranderde hij van richting en maakte zich meester van Doornik.
In militair opzicht leverde die onderneming slechts geringe moeilijkheden op, omdat de citadel zich in handen van de regeringstroepen bevond. Op de gereformeerden wreekten zich de nalatigheden van weleer. Op 8 Juli gaf de commandant van de citadel, de heer van Moulbaix, op, dat zijn oorspronkelijke bezetting uit zestig man bestond, van wie er slechts vijftig in staat waren militaire dienst te verrichten, de rest was oud en invalide. Overigens maakte deze heer van de gelegenheid gebruik zich over zijn eigen slechte bezoldiging te beklagen [P. de la Barre, I 311 no. XVII]. Een aanvankelijke versterking met veertig man was dan ook amper voldoende om de citadel tegen een aanval te kunnen doen standhouden.
De regentes stuurde toen nog eens honderdvijftig man versterking [Reiffenberg, Corr. Marg. 88], doch daar werd de situatie niet beter door, omdat de regering zich aan het onderhoud van haar troepen niets gelegen liet liggen. Ten tijde van de beeldenstorm moest Moulbaix rapporteren, dat hij nog slechts voor een etmaal levensmiddelen had. Als het met de zaak verkeerd afliep, wees hij als commandant de verantwoordelijkheid daarvoor af: hij had dikwijls genoeg op het gebrek aan proviand gewezen [P. de la Barre I 142 noot]. Men weet, dat de hervormden van Doornik bij hun preken over een georganiseerde bescherming van ongeveer 1200 gewapende lieden beschikten; de ongeveer even sterke burgerwacht stond eveneens aan hun kant [voor een deel waren het misschien dezelfde mannen]. Een moedige daad, en de proviandloze citadel met haar geringe bezetting ware hun in handen gevallen. Men liet het geschikte ogenblik echter voorbijgaan, want men dacht slechts aan predikatie en beeldenstorm.
Eind Augustus kwam er een radicale verandering: de heer van Beauvoir bracht een compagnie soldaten naar de citadel, en van nu af aan voelde de bezetting zich veilig en begon zij tegenover de stedelingen een zeer provocerende houding aan te nemen; zij vuurde zelfs op de wachtposten van de burgerwacht bij de stadspoort tegenover de citadel.
Graaf Hoorne had de burgerwacht op acht compagnieën gebracht, elk van 150 man [P. de la Barre I 100, 160] en zij was dus met haar 1200 man sterker dan die van Valenciennes. Het zwakke punt was echter de citadel, die zich nog altijd in handen van de tegenstander bevond. Graaf Hoorne, wiens duidelijke streven het was de hervormden alle macht in handen te spelen, had onder een voorwendsel zijn vrouwelijke familieleden in de citadel ingekwartierd, klaarblijkelijk om op die manier elk ogenblik daar toegang te hebben; echter kreeg hij op de regeringsgetrouwe bezetting niet die invloed, die hij daarop had willen krijgen. In elk geval, in het driemanschap was hij de grote man, die het meeste voor de beweging deed; hij had door zijn vertrouwensman Escaubeque leiding aan de opstand van het industriegebied trachten te geven; ongetwijfeld ‘verdiende’ hij het méér het schavot te beklimmen dan zijn lotgenoot Egmont, wiens karakterloze omzwaai door de legende met het aureool van de martelaar wordt bedekt; toch heeft ook graaf Hoorne de beslissende stap, die hemzelf en de zaak had kunnen redden - zich openlijk voor die zaak uit te spreken - niet gewaagd, althans niet gedaan.
Met een slag viel de macht der hervormden te Doornik in elkaar, toen Noircarmes in de nacht van 1 op 2 Januari met elf compagnieën de citadel binnenrukte. De morgen daarop liet hij de poort naar de stad openen, waarachter zijn soldaten klaar stonden voor de uitval; de stad stelde hij een ultimatum, dat over anderhalf uur afliep: de sleutels uit te leveren en een garnizoen te aanvaarden. De magistraat capituleerde; volgens een andere lezing rukten de soldaten nog tijdens de onderhandelingen op naar de markt. In elk geval, er werd geen verzet geboden - hoe dat kwam, kan men bij P. de la Barre [II 29] nalezen:
‘Het mindere volk, dat niet op de hoogte was van de komst der soldaten,
stond zeer verbaasd te kijken, toen het hoorde dat zij reeds, elf compagnieën sterk, de vesting waren binnengetrokken en dat zij zelf niet over de macht beschikten om zich tegen het binnendringen dier soldaten te verzetten. Dat hadden zij namelijk zonder twijfel gedaan, als zij maar een middel gevonden hadden om het te doen. Doch de kans daartoe was hun ontnomen, deels door het grote aantal soldaten, die zij zo dicht bij zich aanschouwden, te voet zowel als te paard, maar ook doordat de magistraat, de kapiteins der burgerwacht en de voornaamste personen van de stad hun geen bijstand gaven, doch integendeel Zijne Majesteit als goede en getrouwe onderdanen wilden gehoorzamen en volgens zijn wil garnizoen opnemen. Daardoor was het volk zo verrast, dat het zich niet dorst te roeren.’
Het waren dus de rijken, die het volk en de zaak verrieden. Aldus getuigt een man, die zelf als procureur-generaal tot de heersende klasse behoorde en de calvinistische beweging aanhing. Geen wonder, dat het volk spoedig uitbarstte in verwensingen tegen de magistraat en de kapiteins en hen er van beschuldigde, dat zij de stad hadden verkocht en verraden. Maar aan het voldongen feit werd daardoor niets veranderd.
De speculatie van de rijke hervormden, dat zij door zich niet te verzetten en te capituleren zich althans het recht zouden verzekeren van vrije uitoefening hunner religie, bleek op zelfbedrog uit te lopen - niettegenstaande de toezegging van de heer van Noircarmes. Wanneer een partij maar eenmaal machteloos is gemaakt, dan hebben toezeggingen geen waarde meer. Met de nederlaag van haar aanhangers stond de uitroeiing van de gereformeerde kerk vast, alleen ging Noircarmes daarbij systematisch en geleidelijk te werk. Om te beginnen werden burgerwacht en bevolking volledig ontwapend. Op het achterhouden van wapenen stonden de zwaarste straffen. Morillon noemt het aantal wapenen, dat bij die gelegenheid werd ingeleverd, ‘ongelofelijk’, er waren alleen al twee duizend harnassen bij [C.C. Gr. II 202, 223]. Wapens hebben nu eenmaal zonder de wil er gebruik van te maken geen waarde. Nu liet men de bevolking hoogstens in het bezit van haar broodmessen....
Nadat hij aldus elke mogelijkheid van verder verzet had uitgeschakeld, kon Noircarmes verder gaan. De predikaties werden weliswaar nog een paar weken gehouden, doch toenemende terreur zorgde er voor, dat het aantal toehoorders hoe langer
hoe kleiner werd. De leiders der beweging maakten van deze overgangstijd gebruik om uit de stad te vluchten. Spoedig kwam er een golf van arrestaties opzetten; dientengevolge nam het vluchten toe. Om dit te beletten verbood de commandant de burgers zelfs de gebruikelijke wandeling op de stadswallen. Er werden arbeiders gevorderd om graafwerk te verrichten voor de belegering van Valenciennes. Niemand meldde zich vrijwillig aan, daarop volgde de gedwongen deportatie van de stedelijke arbeiders uit de werkverschaffing [zie hiervoor hfdst. XLIV 367].
Op de tragedie volgde het satyrspel. De lauweren, die Noircarmes zich bij zijn bestrijding der revolutie had verworven, bezorgden hem o.a. een brief met gelukwensen van - graaf Egmont. De gemakkelijk behaalde overwinningen prikkelden tot navolging, en dus maakte Egmont zich op om de in September mislukte ontwapening van West-Vlaanderen door te voeren. ‘Hij begon hen te ruïneren, wier bescherming hij kort te voren op zich had genomen’, zegt Hugo de Groot [blz. 31 Franse uitgave]. Er stonden nu ook voor Egmont nieuwe troepen ter beschikking, met behulp waarvan hij zijn plannen zonder moeite verwezenlijkte. Nergens werd verzet geboden. Door de ommezwaai van hun ‘Artevelde’ en daarbij de vorige nederlagen was het volk volkomen moedeloos geworden.
De opstelling van vijf galgen te Béthune en de aanstelling der daarbij behorende beulen vormden het uiterlijk vertoon, dat bij Egmonts actie paste. Voor zover zij niet gevlucht waren, werden in die streek de leiders der gereformeerden, onder wie de familie Wattepatte te Laventhie, vader en drie zoons, gevangen genomen. Drie hunner stierven op het schavot, een zoon wist te ontsnappen. Het onmiddellijke gevolg van Egmonts optreden was een nieuwe massale emigratie naar Engeland. Bij de meer energieke elementen echter had de terreur een andere reactie ten gevolge. Morillon meldt op 18 Januari 1567 [C.C. Gr. II 225]:
‘Een paar wanhopige lieden hebben in Vlaanderen groot onheil aangericht door pastoors en katholiek gezinden te plunderen. Zij hebben de pastoors als gijzelaars meegesleept, met een paardejuk om hun hals en narrenstokken in hun hand, uitgedost in narrenkledij. En men zou
hen hebben opgehangen, wanneer anderen het losgeld voor hen niet hadden betaald.’
De systematische contra-terreur was begonnen en zou zich nog lange tijd in de vorm van het ‘bosgeuzendom’ handhaven. Zelfs onder Alva stierf in Westvlaanderen de guerrilla niet geheel en al uit; de benden, die die oorlog voerden, vonden blijkbaar bij de overige bevolking hulp en dekking. Wie in handen der tegenpartij viel, had daarmede zijn leven verspeeld; de bosgeuzen namen daarop wraak, door de geestelijken die in hun handen vielen, op de meest barbaarse wijze te verminken en dood te martelen. Wij denken er niet aan, dat te vergoelijken. Doch wanneer katholieke kroniekschrijvers als Wijnck zich deswege aan zedelijke verontwaardiging te buiten gaan, vragen wij: welk recht om zich te beklagen heeft een stelsel, dat mensen, alleen om hun trouw aan een Doperse secte, levend op een klein vuur roosterde of in kokend water vermoordde?