Te Antwerpen was ook tegen het begin van het nieuwe jaar de vrees der rijken voor plunderingen er niet minder op geworden. In de Kersttijd leek het een ogenblik, of de opstand van het textielgebied zou ook de Antwerpse gereformeerden in beweging brengen. Maar omdat de arme bevolking opnieuw de neiging vertoonde op de kantoren van de katholieke kooplieden af te gaan en de munt, de bank van lening en de belastingdepots te plunderen, werd de actie door de rijke leiders der gereformeerden afgeblazen [Chronijkje 102; voor het woordelijk citaat zie hiervoor hfdst. XXVIII, 251].
De Spaanse protonotarius Castillo schetst de indrukken, die hij midden Januari bij een bezoek aan de stad opdeed, aldus [C.C. Gr. II 231]:
‘Tal van dingen hebben hem verrast. Het grootste deel der rijken, die hij kende, heeft de stad verlaten. Maar het plebs en het canaille heeft zich verhonderdvoudigd, zij overstromen de straten. Een uitdrukking van pessimisme [woordelijk: melancholie] en van wantrouwen tekent zich op alle gezichten af, - het teken van een krampachtige toestand, die niet lang zo kan voortduren. De kooplieden, die hier anders uit alle delen van Europa bijeenkomen, begonnen sinds enige tijd al hun kapitaal van hier weg te halen en naar Lyon [het middelpunt van de Franse geldhandel, Schr.] over te brengen. Daardoor wordt het verval volkomen.’
Deze schildering wordt bevestigd door een rapport van Morillon uit de eerste dagen van Maart [289 l.c.]:
‘De magistraat van Antwerpen heeft voorgesteld, de predikaties zes maanden te schorsen. De prins van Oranje en graaf Van Hooghstraeten achtten dat niet uitvoerbaar. De Duitse, Italiaanse en Spaanse kooplieden begonnen daarop te vertrekken. Toen de prins dat zag, riep hij hen bijeen en zette hun uiteen, dat de toestand niet zo ernstig was, als hij algemeen werd geschetst. Hij bood zijn vrouw en kinderen als gijzelaars aan. Daarop vroegen zij om bedenktijd, waarna zij hem antwoordden, dat zij zich helaas gedwongen zagen, zich uit Antwerpen terug te trekken, vooral vanwege het gebrek aan rechtszekerheid, daar zij hun leven en hun goederen niet veilig achtten.’
Juist omstreeks die tijd namen de toestanden voor de burgerij opnieuw een zorgwekkende keer. Brederode had Antwerpen uitgekozen als terrein voor zijn werfactie. In de herberg ‘De Zon’ bevond zich het werfkanfoor van zijn ondergeschikten, de geuzenedellieden d'Andelot en Van der Aa. Daaromheen verzamelden zich ook de voortvluchtige resten der bij Watreloos en Lannoy verslagen opstandelingen, o.a. Jean Denys met het overblijfsel zijner manschappen was hier verschenen. De meesten hadden alleen maar hun naakte lijf kunnen redden en in hun maatschappelijke ellende vormden zij een weinig vertrouwenwekkend element.
De regentes vermaande de prins van Oranje aan de werfactie een eind te maken; de katholieke magistraat werkte in dezelfde richting: per decreet werd het hele gezelschap uit de stad uitgewezen. Doch gelijk een verjaagde vlieg om de koek, zo zwierf deze schare desperado's om Antwerpen heen. Eerst nestelden zij zich in het nabijgelegen Dambrugge, verzetten zich met succes tegen een poging van de markgraaf om hen van
daar te verdrijven, doch verplaatsten het terrein hunner werkzaamheid daarna toch naar het een halve mijl van de stad verwijderde dorp Austruweel.
Daar werd de ‘verloren hoop’, zoals de kroniekschrijver hem noemt, opnieuw door een uitwijzingsbevel getroffen. Men reageerde daarop met een poging zich van het Zeeuwse eiland Walcheren meester te maken. Met drie schepen werd uitgevaren, een onder de oudste der broeders Marnix, die het opperbevel voerde, een onder Jean Denys en het derde onder een Hugenoten-kapitein. Eenmaal in het bezit van het eiland, hoopten de opstandelingen de koning, die men toen langs de zeeweg verwachtte, de toegang tot het land te kunnen beletten. Maar de expeditie mislukte. De bevelhebber der vesting Rammekens, op wie Marnix had gerekend, liet de bemanning der schepen niet aan land gaan; insgelijks handelde de stad Arnemuiden; gebrek aan proviand dwong tot de terugkeer.
Als eerste landde het schip van Marnix weer bij Austruweel, en wel op 4 Maart. Dadelijk zond de prins van Oranje een nieuw bevel aan Marnix om zich te verwijderen [Corr. de Guill. CXXI]. Marnix gehoorzaamde schijnbaar, doch keerde na een dagmars in de richting van Vlaanderen naar Austruweel terug, waar hij zich met de inmiddels gearriveerde bemanning der twee andere schepen verenigde. Opnieuw een uitwijzingsbevel van de prins, opnieuw een mars van Marnix door Antwerpens ongeving. De troep was inmiddels aangegroeid tot 1500 man; zij trok over Eekeren, Merxhem, Deurne; overal waar zij langs kwam werden de kerken in brand gestoken, de geestelijken leeggeplunderd, doch evenmin de landgoederen der rijke Antwerpenaren gespaard, waaruit vooral alle wapens, die men daar aantrof, werden weggesleept.
Op 11 Maart keerde Marnix ten derden male naar Austruweel terug; daar betrok hij een legerkamp, dat hij met een gracht, doch overigens wel niet al te sterk verschansen liet. Hier achterhaalde hem zijn noodlot en wel door de samenwerking van de magistraat, de twee gouverneurs [Oranje en Hooghstraeten] en de regentes.
De magistraat deelde de terugkeer van de ‘hoop’ onmiddellijk aan Brussel mede. De regentes had daar reeds een expeditiecorps
onder de heer van Beauvoir gevormd. Terwijl dat in de nacht van 12 op 13 Maart naar Austruweel opmarcheerde, zorgden de magistraat en beide gouverneurs er voor, dat Marnix geen hulp kreeg van zijn geestverwanten uit de stad. Niet alleen hielden zij de komst van Beauvoir, waarvan zij op de hoogte waren, streng geheim, maar bovendien sloten zij zorgvuldig de naar Austruweel voerende stadspoorten, haalden de bruggen omhoog en lieten het aangrenzend gedeelte van de stadswallen door soldaten bewaken [Corr. Guill. CXXVII].
Marnix werd door de aankomst van Beauvoirs troepen in de vroege morgen volledig verrast. Zijn mannen dachten - zo stelt althans de overwinnaar het voor [CXXV l.c.] - dat het de troepen waren, die volgens hen graaf Lodewijk van Nassau uit Duitsland zou meebrengen en liepen hun jubelend tegemoet. Pas toen Beauvoir op het laatste ogenblik zijn vaandels liet ontplooien, ontdekten zij - te laat - hun vergissing. In elk geval werden zij verrast en boden zij weinig verzet. Payens bewering, dat drieduizend Geuzen zich door een ‘handjevol’ regeringstroepen op de vlucht hadden laten jagen, blijkt eens te meer slechts een overdrijving ter meerdere glorie van de overwinnaar: Marnix zal niet veel méér dan de 1500 man hebben gehad, waarover hij een paar dagen te voren beschikte [Corr. Guill. CXXIII]; Beauvoir, aan het hoofd van twee ordonnantiebenden, drie vendels infanterie, een deel der lijfwacht van de regentes, kan hoogstens een paar honderd man zwakker zijn geweest. Aan zijn kant echter waren de discipline, de gevechtsroutine en vooral het element der verrassing. Marnix' ongeregelde troepen sloegen spoedig op de vlucht; een deel verdronk bij een poging de Schelde over te komen, anderen werden in een schuur, waarin zij waren gevlucht, levend verbrand. Onder de doden bevond zich Marnix. Jean Denys viel, overdekt met wonden, de overwinnaars levend in handen en werd later ter dood gebracht.
Voor de gereformeerden was dit een zware en beslissende nederlaag. Het lot van Valenciennes werd er tegelijkertijd door bezegeld; immers het was het plan der verslagenen geweest om, zodra zij sterk genoeg waren, door een mars naar Brussel de regentes te dwingen het beleg op te geven.
Onvermijdelijk echter was de nederlaag niet. Om haar te beletten was het voldoende geweest, als de prins van Oranje aan de gereformeerden te Antwerpen had medegedeeld wat hij wist van Beauvoirs nadering. Dan hadden deze Marnix' troepenmacht de avond van de 12e of de daaropvolgende nacht nog dusdanig kunnen versterken, dat Beauvoir met zijn 1200 à 1300 man werkelijk tegenover een verpletterende overmacht was komen te staan.
Maar de prins voelde zich dit keer nog volledig de ambtenaar der regering, althans hij handelde als zodanig. Hij liet Marnix aan zijn lot over; erger: terwijl daarbuiten de strijd reeds werd gestreden, belette hij de gereformeerden in de stad, hun broeders daarbuiten te hulp te komen. Wat hem daartoe bewoog, kunnen wij slechts vermoeden; zijn houding tegenover Marnix staat in diametrale tegenspraak tot de woorden van bemoediging, die hij tot de opstandelingen van Valenciennes sprak. Weliswaar was Marnix zelf een edelman, en de jongere broeder van de gevallene zou later een der meest vooraanstaande medewerkers van de prins worden. Maar zijn volgelingen waren proletariërs en desperado's; tal van gedeclasseerde elementen hadden zich achter hem geschaard; de prins, die nog altijd aan een bondgenootschap met vorsten en dergelijken dacht, vond het blijkbaar te compromittant zich met zulke lieden in het openbaar arm in arm te vertonen.