Nu naderde het einde met reuzenschreden. De 15e Maart had de gereformeerde partij zich te Antwerpen de kans laten ontgaan om de macht in handen te krijgen; de 17e Maart verspeelde zij haar laatste kans te Amsterdam; de 23e Maart capituleerde Valenciennes na een bombardement van anderhalve dag.
Vlak daarvoor had de stad een betrekkelijk gunstige capitulatie, haar op 14 en 15 Maart door de graven Egmont en Aerschot als onderhandelaars der regering aangeboden, van de hand gewezen. De regentes was er alles aan gelegen om de troepen, die voor Valenciennes werden vastgehouden, vrij te krijgen voor de onderwerping van het Noorden en daarom was zij bereid een paar concessies te doen, die o.a. hieruit bestonden,
dat de leiders van de opstand vrijwillig konden emigreren. Het staat niet vast, wat deze bewoog om toch nog vol te houden. Nog maar kort geleden hadden zij de fatale weigering van de prins van Oranje gekregen, waardoor aan hun grootste hoop op hulp en ontzet de bodem werd ingeslagen. Tijdens de onderhandelingen kwam bovendien nog het nieuws binnen van de nederlaag van Marnix bij Austruweel. Egmont aarzelde niet die troef uit te spelen, maar hij maakte op de onderhandelaars van de tegenpartij niet de indruk, die hij verwacht had [C.C. Gr. II 307]. Fanatisme of toch nog enigerlei illusie - het is moeilijk te zeggen, wat de belegerden deed volharden.
Tot de illusies, die zij koesterden, behoorde het geloof, dat de regering haar eigen stad niet zou bombarderen. De toestand in het Noorden gedoogde niet, dat de regering het op het langzame resultaat van een uithongering aan liet komen. Brederode's soldaten stonden nog bij Vianen, de regering was de situatie noch te Antwerpen, noch te Amsterdam, 's-Hertogenbosch, Breda, Maastricht enz. de baas; nog altijd kon van een of ander steunpunt uit het vuur van de opstand zich verbreiden. Het was voor de regering louter geluk, dat de energie van de tegenpartij te sterk geremd was om het zover te laten komen.
Te water werd het geschut naar Valenciennes gebracht, daarop begon een voor toenmalige begrippen geweldig bombardement: er werden 3000 kogels op de stad afgevuurd. Dat brak het moreel der belegerden, die een paar dagen geleden aan de Porte Cardonne nog zo helfdhaftig hadden gevochten [zie hiervoren hfdst. XLVI].
Payen schilderde de capitulatie der burgers van Valenciennes als een ommezwaai van de grootste overmoed naar volkomen wanhoop. Zij had echter zeer reële oorzaken en daarvan was de toenemende hongersnood [C.C. Gr. II 306] zeker niet de geringste. Alle hoop op ontzet was vervlogen, de bondgenoten waren verslagen of hadden de stad in de steek gelaten. Haarlem en Leiden - om van Münster niet te spreken - hebben zich weliswaar beter gehouden, maar toch was het Valenciennes, dat met het verzet van uitsluitend een burger-bezetting het grote voorbeeld van revolutionnaire oorlogsvoering heeft gegeven - een oorlogvoering, die het Noorden later zou redden en bevrijden.
Na de val der stad kwamen de regeringstroepen dus vrij. Zij begonnen nu naar het Noorden te trekken. De geuzen konden tegenover het tachtig vendels sterke leger van de regentes alleen maar de acht vendels van Brederode te Vianen stellen. De pogingen van graaf Lodewijk om in Duitsland manschappen te werven, hadden geen resultaat gehad, tengevolge van de z.g. Gothase oorlog was er op de markt geen aanbod van huurtroepen.
Aan verzet viel dus niet meer te denken; de ene stelling na de andere werd zonder strijd opgegeven; de prins van Oranje verliet Antwerpen en begaf zich naar zijn stad Breda, die hij na een kort verblijf eveneens ontruimde om daarop te emigreren; tal van gereformeerde notabelen uit Antwerpen sloten zich bij hem aan. Bombergen gaf 's-Hertogenbosch op, Brederode trok zich terug uit Amsterdam, om spoedig daarop in ballingschap zijn einde te vinden. Zijn troepen ontruimden hun stellingen bij Vianen en trokken zich terug in noordelijke richting. Bij Amsterdam ondernamen zij een laatste, vergeefse, poging om zich door een coup de main van de stad meester te maken - de rijke gereformeerden wilden daar even weinig van hen weten als de Antwerpenaren van de krijgshoop van Marnix en de burgers van Doornik van de troepen uit het Westerkwartier. De resten van het geuzenleger verstrooiden zich in noordelijke richting; zijn meeste officieren raakten bij het oversteken van de Zuiderzee in gevangenschap - geenszins buiten hun eigen schuld, daar zij in dronkenschap de schipper, die hen overvoer, hadden mishandeld.
En daarmee eindigde het Compromis van de adel. In tegenstelling tot het gemene volk, dat te Valenciennes, bij Lannoy en Austruweel zo goed en zo kwaad als het ging gevochten had, had de adel op een paar uitzonderingen na zonder strijd de wijk genomen. Niet, omdat het hem aan moed ontbrak, maar hij had zich van de ene terugtocht tot de andere laten dwingen, totdat de kans op geslaagd verzet verkeken was. Het was niet de beduchtheid voor de reactie, maar wel de vrees voor een Duitse boerenoorlog - waaraan behalve Morillon ook Bor [I 53] herinnert - die de kracht van de adel had verlamd: vastgeklemd tussen revolutie en contra-revolutie was hij stukgewreven.
Een paar desperado's bleven de revolutie trouw en zouden spoedig als ‘watergeuzen’ van zich doen spreken, maar het overgrote gedeelte van de adel vond de weg naar de reactie terug. Dat geldt vooral voor de hogere adel. Een deel daarvan - zoals Egmont en Karel van Mansfeld - was reeds voor het einde omgezwaaid. De prins van Oranje zag in, dat hij zich in zijn dubbele rol van loyale ambtenaar en geheime begunstiger van de oppositie te zeer had gecompromitteerd dan dat hij op een verzoening met de regering kon rekenen; bovendien doorzag hij Philips' bedoelingen beter dan de naïef-optimistische Egmont.
Toen hij zich vrijwillig in ballingschap begaf, waren op hem de woorden van toepassing, die Ferdinand Lassalle een van zijn figuren tegenover Sickingen in de mond legt [I 310]:
In tegenstelling tot Sickingen, die zijn fouten met de dood boette, kreeg de prins door het lot de kans geboden om die fouten later goed te maken. Doch al zijn latere positieve daden mogen voor de historicus geen aanleiding zijn om zijn onzalige aarzelende houding in dat eerste revolutiejaar van 1566-1567 te loochenen of weg te retoucheren. In die periode is de prins een toestand van aarzeling en wankelmoedigheid, die fataal was voor hem zelf en voor de zaak, nimmer te boven gekomen. Wanneer de Oranje-legende dat als loyaliteit tegenover Philips te zijnen gunste uitlegt, spreekt zij onwaarheid; een loyale vazal had tot de Antwerpse gereformeerden niet gezegd: geef mij voldoende geld om troepen te werven en ik zal uw leed verhelpen; een loyale vazal had de opstandelingen van Valenciennes niet aangemoedigd om te volharden in hun verzet, hij had Brederode bij diens toerustingen niet met een geschenk van drie vuurmonden ondersteund, enz. Doordat zijn denken zich binnen de grenzen van zijn klassebewustzijn bewoog, werd hij er van weerhouden zich uit te spreken vóór de revolutie; in bondgenootschap met Keursaksen en Hessen tegen Philips te strijden, daar ware hij geen ogenblik voor teruggeschrokken.
Om zich van die banden te bevrijden, daartoe moest hij eerst door ban en ballingschap en confiscatie van zijn vermogen van de hoogte zijner positie omlaag worden geworpen.
Het volk echter zag voor het ogenblik slechts dit ene: dat allen, op wier hulp het had gerekend, het in de steek hadden gelaten - de prins van Oranje, Egmont, het Verbond der Edelen, de rijken. Reeds tegen het eind van 1566 hoorde men de bittere opmerking, dat de edelen het volk ten dans hadden geleid om er daarna zelf vandoor te gaan [C.C. Gr. II 190]. Van die teleurstelling is de neerslag bewaard gebleven in de volgende strofe van het klaaglied der geuzen [Kuiper I 52]:
In die versregels klinkt de bittere ervaring, die de massa's steeds weer opdoen, als zij hopen, dat men zich in hogere kring voor haar bevrijding moeite zal geven. De hogere klassen zenden de massa's wel gaarne in haar eigen belang ten strijde en laten het dan niet ontbreken aan beloften en schone woorden; maar de vrijheid des volks heeft slechts in zoverre haar belangstelling als haar eigen voorrechten en vrijheden daarbij in het geding zijn. Onzelfzuchtig voor het volk te strijden, - daartoe voelen zich wel sommige idealisten geroepen, doch nimmer de hogere klassen als zodanig.