met liefde ‘bezong’ in deze drie ‘Herders-Kouten.’ Behalve de stad Leiden vereerde hij Prins Willem V; toen deze 1766 te Leiden kwam, dichtte hij Het Rhijnlandsch Wedspel.
Onder zijn strijdverzen is het Hekeldicht tegen Jan Nomsz, 1769.
Bij het 2e Eeuwfeest van Leidens Ontzet droeg hij in de Pieterskerk zijn groot gedicht voor Het verheerlijkt Leyden, beantwoord met een lofdicht van Jan de Kruyff:
drong door tot in 't gebeente
der mindere Stadsgemeente.
Maar de vrijzinnigen noemden hem ‘Jan Vlegel’, om zijn ‘dollen ijver voor Oranje’ en zijn ‘haat tegen de Remonstranten’.
Reeds voor Van Alphen dichtte hij een Kinderzang; in 1779 kwam zijn bundel De vaderlandsche Kindervreugd.
Zijn voornaamste werk is zijn vaderlandse poëzie, b.v. Zeetriumph der Bataafsche Vrijheid op Doggersbank, 1782, in 2 delen. Daarnaast de geschriften tegen de Patriotten, b.v. Snerpende Hekelroede tegen de ‘Logen-Courantiers’. Zie ook Praatmoer.
In 1793 dichtte hij nog Het feestvierend Leyden, ter ere van de herovering van Maastricht.
Reeds van 1764 is zijn vrijheidsdrama Claudius Civilis. Hij is een van de voorstanders van het ontwakend nationaal bewustzijn; in politiek en godsdienst de man der reactie tegen de Deïsten, tegen de Santhorstianen, tegen Spinoza. Bewonderaar van Bilderdijk. Toen hij in 1812 stierf, schreef Bilderdijk een lijkdicht:
Geen hand, hoe dier verplicht
aan zijn Bataafsche zangen,
Bracht bloem, of telgj' of loof,
op 's Grijzaarts grafgesteent.
Maar in 1842 kwam er een gedenksteen in de Hooglandse kerk.
In 1813 schreef A. Loosjes Pzn. over De Geest der Geschriften van Berkhey.