[Herman Gorter]
Gorter, Herman -, 1864-1927, zoon van Simon; de vertaler van Ethica, het hoofdwerk van Spinoza; kwam met zijn grote gedicht Mei in 1889, de grootse hymne aan de natuur; invloed van Keats. In 1892 volgden Verzen, wederom verheerlijking van de natuur en van de liefde; sensitivisme, d.i. wel zeer in 't bijzonder ‘de individuele expressie van individuele emotie’, zo als de leer der Tachtigers van een dichter eiste. De Verzen werden in 1897 opnieuw uitgegeven als De School der Poëzie. Daarin ook zijn sonnetten. Deze zijn in 1948 opnieuw uitgegeven door Garmt Stuiveling. Daarna wendde Gorter zich naar het socialisme; hij schreef 1897 een Kritiek op de Litteraire Beweging van '80 en socialistische gedichten. Een Klein Heldendicht, 1899. Pan, 1912, is een groot episch-dramatisch gedicht, het ideaal van een nieuwe mensheid, met Dante als voorbeeld, volgens Dr. v. Ravesteyn zijn beste werk. Na zijn dood verscheen een literatuurbeschouwing onder de titel De Groote Dichters, 1935. Hij zelf is een van de dichters, die uit de Beweging van Tachtig voortkwamen. Met Henriëtte Roland Holst was hij 20 jaar lang redacteur van De Nieuwe Tijd, s.d. tijdschrift. Bracht zijn laatste jaren eenzaam door te Bergen.
Over Gorter een studie van Dr. W. v. Ravesteyn 1928, en een werk van Mw. Roland Holst, 1934; idem van J.C. Brandt Corstius, De mens en dichter, 1934. T.J.