[Philips van Marnix van St.-Aldegonde]
Marnix van St.-Aldegonde, Philips van -, 1540-'98, dichter, prozaschrijver, staatsman, godgeleerde; de rechterhand van Prins Willem. Zijn hoofdwerk is de Biëncorf der H. Roomscher Kercke, 1569, een felle aanval op de R.K. kerk, naar de vorm een uitleg van de Zendbrief van Hervet; zie daar. Spottend opgedragen aan bisschop Franciscus Sonnius, ‘Vader aller nieuwe Bisschoppen in de Nederlanden’. Het boek heette gemaakt te zijn door Isaac Rabbotenu van Leuven, ‘licentiaet in de Pauselicke Rechten’. Ook staat het Wilhelmus op naam van Marnix.
Hij was een edelman uit Brussel, studeerde te Genève bij Calvijn, trok bij de komst van Alva naar Duitsland, sloot zich aan bij Prins Willem; werd 1583 burgemeester van Antwerpen, dat hij in 1585 moest overgeven; trok zich terug op zijn kasteel te West-Souburg; werd 1594 door de Staten-Generaal uitgenodigd, de Bijbel te vertalen en vestigde zich te Leiden, waar hij †. Repos ailleurs was zijn levensspreuk. Proefschrift over Marnix van Dr. G. Tjalma, 1896. Zijn grootvader was een edelman uit Savooie, die met Margareta van Parma te Brussel kwam; zijn moeder was een Bourgondische edelvrouw. Hij zelf is vóór alles de strijder voor 't Hervormde geloof. Met zijn broer Jan van Thoulouse sloot hij zich aan bij 't Verbond der Edelen. En dan kwam weldra zijn eerste geschrift, een verontschuldiging van de Beeldenstorm: Van de beelden afgheworpen in de Nederlanden. En daarnaast in het F.: Vraye Narration et Apologie des choses passées au Pays-Bas en l'an 1566. In deze beide geschriften de gedachte, dat men de koning eren moet, maar dat men meer gehoorzaamheid schuldig is aan God. Al waren ze naamloos verschenen, Marnix week uit en werd tot eeuwige verbanning veroordeeld, 1567. De Biëncorf van 1569 was zijn antwoord, het belangrijkste Ned. werk der 16e eeuw en na Erasmus het meest gelezen. Marnix verdedigt er de gevoelens der Calvinisten en uit zijn bittere verontwaardiging over de kettervervolging. Van een vergelijking van de R.K. kerk met een bijenkorf is maar weinig sprake, maar dat zal de schrijver niet gehinderd hebben: op de strijd om het geloof kwam het aan. De bisschop van Roermond liet het boek verbranden, maar nog in de 16e eeuw verschenen 7 drukken. Aan zijn psalmvertaling bleef hij voortwerken; eerste druk 1580; in 1591 verscheen de 2e verbeterde druk, bijna een geheel nieuwe berijming. De eerste druk was afgekeurd door de Synode van Z. Holland, 1581, omdat Marnix vreemde woorden door Nederlandse vervangen had. Hij had bovendien, evenals Utenhove en Wingius, het woord du behouden. En in 1591 was Datheen reeds geheel ingeburgerd; al zijn ‘schaven’ (het woord is van hemzelf) had niets geholpen, al behoort zijn vertaling tot de beste, met afwisseling van maat en zangwijzen, in zuivere, eenvoudige taal:
Straf doch niet in ongenaden
Heer, maer heb met my gedult!
De Nationale Synode van 1586 in Den Haag nam het besluit tot invoering van Marnix' Psalmen, maar het ging niet meer. In 1588 na de ondergang der Armada verscheen Marnix' vlugschrift Heylige Bulle ende Crusade des Paus van Rome; in 1589 kwam zijn Trouwe Vermaninghe aende Christelycke Ghemeynten, uit bekommering over het lot der Hervormden in de Z. Nederlanden. Voor hen vooral waren ook zijn Schriftuerlicke Lofsangen. Tegen de Libertijnen gericht was zijn Ondersoeckinge ende grondelycke wederlegginge der geestdrijvische leere; tegen mannen als Coornhert, zowel als tegen wederdopers en dwepers als David Joris.
De Biëncorf werd bestreden door Martinus Donckanus, pastoor te Amsterdam met een Corte Confutatie ende Wederlegginghe van den Biëncorff, 1578. Verder door pastoor Jan Coens, Joannes Molanus (in het L., 1570) en de Jezuïet Jan David. Maar van meer betekenis was de beroemde kardinaal